Maar ik houd echt heel veel van pizza

Om nog maar eens aan te geven hoeveel ik van pizza houd: de droom van vannacht waarin de eigenaresse van mijn favoriete pizzeria naar Den Haag ging verhuizen beschouw ik als een nachtmerrie. Ik werd echt geshockeerd en verdrietig wakker, zat vol onbegrip en vragen, zoals ‘waarom?’ en ‘nee!’. Lichte paniek voelde ik ook. Mijn brein zocht naar een uitweg, naar alternatieven, maar ik wist al bij aanvang van het denkproces dat die er helemaal niet zijn.

Ik wil of kan eigenlijk altijd wel pizza eten. Dat onderdruk ik, want ik vrees dat mensen me anders banaal vinden. De pizza is, zeker in Amsterdam, natuurlijk allang een ‘gourmet’ gerecht, niet zelden belegd met geïmporteerde mozzarella van gemasseerde buffels, tot op de perfectie gedroogde bresaola en tong beplassende kalamata olijven, maar het ding blijft banaal, al was het maar vanwege de vorm.

Bovendien getuigt het niet per se van een avontuurlijke instelling en rijk ontwikkeld smaakpalet om altijd hetzelfde te willen eten, hoewel de pizzavariatiemogelijkheden natuurlijk zowat onbeperkt zijn.

Soms opper ik het gemaakt casual, als we nog niet bedacht hebben wat we gaan eten, of het moeilijk vinden iets te bedenken, moe zijn of weinig tijd hebben. ‘We kunnen een pizzaatje halen?’ zeg ik dan met een minimale schouderophaling en schuin opgetrokken wenkbrauw, bijna mompelend. Soms kijk ik terwijl ik het zeg weg van mijn metgezel – vaak mijn vriendin -, alsof een tegen de muur op dansend vliegje plots mijn aandacht trekt. Misschien lach ik vertederd naar onze baby, alsof die op dat moment iets bijzonders of nieuws doet. Zo koppel ik de suggestie van het gerecht – pizza – aan een moment van gemeenschappelijke liefde en verwondering. Ik probeer een associatie te bewerkstelligen waardoor mijn metgezel – mijn vriendin dus – bij het horen van het woord ‘pizza’ aan de eerste glimlach, het eerste woordje of de eerste stapjes van ons kind denkt, en er dan naar gaat verlangen. Dat probeer ik op zo’n moment allemaal voor elkaar te krijgen, denk ik.

Weten doe ik het niet zeker, omdat deze processen zich goeddeels onbewust voltrekken. Met het schrijven van deze stuckjes probeer ik die processen bloot te leggen, maar ook dat weet ik niet zeker; zoals gezegd gebeurt het onbewust. Ik schrijf dus vooral voor mezelf, kan ik hieruit concluderen, maar dat geldt voor alle schrijvers. Of ze het nu doen om geld te verdienen, de eigen psyche uit te diepen of inzichten te delen met de wereld, de grondmotivatie ligt in het vervullen van de individuele behoefte om woorden te geven aan gevoelens en gedachten en die te delen met de wereld. Een ander uit zich met verf, voedsel of vernis.

Over voedsel gesproken: pizza. Het wordt mij – mezelf – allemaal een beetje te hoogdravend en dus sla ik het plat met mijn favoriete banale gerecht, banaal als in plat als in een pizza is platgeslagen deeg met beleg. De vorm is plat, net als de wereld dat ooit was. Dat waren simpeler tijden.

Einde.

Windstromm

‘Om louter in de overtreffende trap te spreken moet een mens zich wel erg pietluttig voelen. Diep van binnen, daar waar de twijfel het hevigst woedt. Een man die iets denkt, die dat echt vindt en het vervolgens zegt, zo’n man heeft aan een simpele omschrijving genoeg. Krachttermen zijn voor die mensen die het gevoel hebben zich te moeten doen gelden. Zij, die het gevoel hebben niet verzekerd te zijn van hun plek op deze aarde. Alsof hun bestaan niet onmiddellijk gelegitimeerd werd simpelweg door geboren te zijn. Een milder man dan ik zou het daar mee eens zijn. Ik wil zien uit wat voor hout je gesneden bent. Afhankelijk daarvan gooi ik je op de brandstapel of gebruik ik je voor het bouwen van een huis.’

Aldus Windstromm, de 88-jarige botanicus uit Zeist. Het was dan ook niet meer dan zijn leeftijd waardoor hij de autoriteit dacht te bezitten om dergelijke uitspraken te doen. De auteur speculeert niet graag, maar dat hij zelf nooit zijn mond had opengetrokken en zich als een ware knecht dag in dag uit naar zijn onbetekenende baan als facilitair medewerker van een regionale groothandel had gesleept, terwijl hij zijn eigenlijke passie, DE PLANT, als een onbewaterd bosje chrysanten liet verwelken, moet hebben bijgedragen aan zijn behoefte het in zijn ogen als een megalomane patjepeeër met prestaties en feitenkennis dwepende, voor het overgrote deel grootstedelijke yuppentuig op de plaats te zetten.

Een kenmerkende eigenschap van dwepend yuppentuig is echter dat het zich totaal niet bekommert om de mening van anderen, zeker als die anderen niet ook grootstedelijk en patjepeeënd zijn en al helemaal niet als ze uit ZEIST komen en al helemaal helemaal niet als ze vertegenwoordigt worden door een zowat seniele, met een half been nog in de maatschappij, maar met anderhalf been al in het graf bivakkerende, gefrustreerde, diep verbitterde botanicuswannabe.

Maar Windstromm moest wat. Hij had geen vrouw, was überhaupt nooit getrouwd geweest en had nergens kinderen verwekt. Het ooit zo hevig brandende botanische vuur in hem was gedoofd en afgezonderd van een zielig rijtje cacti was er niets in zijn vergeelde aanleunwoning wat tot de flora gerekend kon worden. Nee, Windstromm was een miezerig hoopje mens. Waarom zou iemand zich ook maar iets van hem aantrekken? Hij was inmiddels zo grijs en zo klein en algeheel onbeduidend (een beetje viezig en riekend ook) dat de gemiddelde voorbijganger allang had gevraagd ‘Waarom? Wat moet dat hier nog?’. Aan wie of wat die vraag in een dergelijk hypothetisch geval gesteld zou moeten worden is overigens geheel onduidelijk. Op de vraag of God bestaat en zo ja, waar hij dan moge bivakkeren, heeft de auteur geen antwoord. Het is een vraagstuk waaraan hij zijn vingers überhaupt niet wil branden, dus als de sodemieter terug naar Windstromm.

Windstromm was dus oud en eigenlijk ook best zielig. In zijn huis, wat eruit zag alsof het ooit verkreukeld was door een reus, stond een stoel waarin hij meestal zat en een stoel waarin hij zelden zat. Er stond ook een bed, maar omdat zitten bij hem meestentijds gelijkstond aan slapen was dat zo goed als ongebruikt. In de huiskamer stond verder een bureau en een kast en in het midden van de kamer een salontafel. Op de tafel stond een enorme lege bloempot. Er zat niets in, geen aarde, laat staan een bloem of plant. Windstromm zat in zijn stoel en keek er onophoudelijk naar. Ook toen de telefoon ging.

‘Windstromm.’
– ‘Hallo Windstromm.’
Windstromms adem stokte. Hij hoefde niet te vragen ‘wie is daar’ want hij wist allang wie daar was. Nog voordat zij ‘hallo’ zei, wist hij al dat het Bettra was, zijn grote, verloren liefde. Niet eens the one that got away, maar everything that got away. Zij was ooit alles en symboliseerde alles wat hij was kwijtgeraakt en alles wat hij door haar afwezigheid nooit had gehad. Want dat zij alles was, had hij toen niet beseft. Daarom was hij gemakzuchtig, afgeleid, niet aanwezig genoeg om haar vast te houden. Want ondanks haar onvoorwaardelijke, aan het absurde grenzende liefde voor hem, wilde ook zij vastgehouden worden, omdat mensen dat nu eenmaal willen. Dat Windstromm dat zelf ook wilde, durfde hij pas veel te laat toe te geven. Wat heet, daar gezeten in zijn versleten, doorgezakte stoel hield hij nog steeds betogen over de zogenaamde geldingsdrang van de onzekere generaties onder hem en was hij te koppig om te erkennen dat hij een fout had gemaakt. Niet zozeer in zijn houding jegens Bettra (hoewel die natuurlijk niet bevorderlijk was voor een lange, warme relatie), maar in het negeren van die fout. In zijn stuurs- en koppigheid; maskers voor zijn diepgewortelde angst.

Want natuurlijk WIST hij wel wat hij had gedaan, of liever NIET had gedaan. Natuurlijk wel. Net zoals hij wist dat hij het liefst zijn leven lang in de aarde had zitten wroeten in zijn zelf samengestelde en door hemzelf bestudeerde hortus botanicus. Natuurlijk wist hij al die dingen, en meer. Hij voelde ze, als warme messen snijdend door zijn roomboterziel. Hij had zichzelf en anderen zoveel ontzegd, maar hij had het volgehouden en hij zou het volhouden, thuis in zijn stoel met de gordijnen dicht, starend naar een lege bloempot. Hij zou het volhouden verdomme! Hij was er immers bijna. 88. Hoe lang nog? Niet meer dan een paar jaar toch? Hij had al niet eens pijn meer. Alles wat was begonnen als pijn toen hij oud begon te worden was nu geen pijn meer. Het was er gewoon. De pijn was normaal, voor zover zijn zenuwen überhaupt nog signalen doorgaven.

Maar nu voelde hij wel. Pijn, ja. En een nog groter palet aan emoties waarmee hij elke schilder naar de kroon zou kunnen steken (misschien niet qua talent, maar wel qua hoeveelheid en variëteit aan verf, hoewel hij nog nooit een schilderpoging had gewaagd en er van talent dus wellicht meer sprake zou kunnen zijn dan in dit stadium te vermoeden valt. Het heeft hoe dan ook geen gewicht in dit metaforische geval). Bettra’s stem was een bliksemschicht die zijn zijn deed oplichten.

‘Windstromm?’ vroeg ze, daar het nu al een halve minuut stil bleef.
Windstromm schraapte zijn keel. ‘Bettra…’

Weer een stilte. Dit keer korter, maar lang genoeg voor Bettra om te merken wat een impact ze had gemaakt.

‘Stoor ik?’ vroeg ze uit gewoonte.
‘Storen? Nee, nee hoor.’

Windstromm voelde wederom de behoefte zijn keel te schrapen. Het schrapen ontwikkelde zich echter al snel tot een hoestaanval. Kuchend en proestend probeerde hij op te staan om zich wat meer lucht te verschaffen, maar zijn broze benen waren niet in staat mee te werken aan een opwaartse beweging van zijn lichaam. Het was bovendien niet alleen zijn lichaam dat gedragen moest worden, maar ook het gewicht van de situatie, van het laatste telefoongesprek wat hij ooit nog had verwacht, maar het eerste waarop hij had gehoopt. Bettra. Bettra. Te midden van zijn gekuch en gehoest vond hij het ineens een hele vreemde naam. Niet dat híj daar iets van kon zeggen natuurlijk, hij was niet eens Scandinavisch.

Door de hoorn van de telefoon hoorde hij Bettra op bezorgde toon zijn naam roepen. ‘Drink wat water!’ riep ze hem toe. ‘Het lukt niet!’ wist hij uit te brengen. ‘Wat lukt niet? Water drinken?’ vroeg ze. ‘Nee! Opstaan!’ proestte hij uit. Windstromm hoestte zo hevig dat zijn hele lichaam heen en weer schudde. Hij had moeite de hoorn vast te houden. De stoel was bovendien van het schommelende soort, iets wat Windstroom nooit deed, hij zat gewoon stil, maar bewoog nu dus met zijn heftige bewegingen mee. Naar voren en naar achteren werd hij gezwiept, totdat het momentum zo groot was dat hij werd gelanceerd en plotseling midden in de kamer stond. Bij de landing evolueerde het hoesten in een enorme nies en daarmee was het klaar. Windstromm zocht automatisch iets om zich aan vast te klampen, maar dat was er niet en dus moest hij zelf blijven staan, iets wat wonderbaarlijk genoeg lukte. Hij was wel zo krom als een banaan dus stond hij half voorover gebogen over de tafel. Hij keek recht in de leegte van de bloempot. Windstromm schraapte zijn keel nog eens voorzichtig, er zachtjes tegenaan drukkend met zijn vingers, ter bevestiging dat het nu echt klaar was en draaide zich voorzichtig om naar de stoel op zoek naar de hoorn. Tot zijn verbazing had hij deze nog steeds vast. In de verte hoorde hij een piepend stemmetje wanhopig zijn naam roepen. Hij tilde de hoorn naar zijn oor en zei: ‘Ik ben er nog.’

Bettra slaakte een zucht van verlichting. ‘Het was niet mijn bedoeling je te laten schrikken…’ zei ze met een toon van schuldbesef. ‘Het is al goed,’ loog Windstromm. ‘Maar mag ik vragen waarom je belt?’

En zo begon Bettra’s relaas. Ze vertelde hoe haar dochter en schoonzoon de zolder aan het leegruimen waren met het oog op Bettra’s aanstaande vertrek naar een verzorgingstehuis. Bettra was immers ook al 86 en had haar heup meermaals gebroken, de rechterheup om precies te zijn, waarvan de laatste keer in de badkamer en de keer daarvoor tijdens een val van de fiets. Bettra’s dochter, Quinta, had daarop in overleg met haar man Tibalt, die niet al te happig was om de steeds intensievere verzorging van zijn schoonmoeder op zich te nemen, besloten dat ‘het misschien tijd werd’ om ‘eens uit te gaan kijken naar een andere woning’. ‘Wat voor andere woning dan?’ had Bettra gevraagd. Ze was immers geenszins van plan te verhuizen. Met behulp van stok en rollator kwam ze eigenlijk overal nog bij en aan en ‘ja natuurlijk’ was het badkamerincident iets om van te schrikken en ‘reden om extra voorzichtig te zijn’, ze wist immers zelf ook wel dat haar gestel nu een stuk brozer was dan tien jaar daarvoor, maar met her en der ‘wat gemonteerde leuningen’, de al eerder genoemde mobiele handvatten (stok, rollator) en ‘wat anti-slip zooltjes onder haar sloffen’ zou het pijnlijke voorval een eenmaligheid blijven. Bovendien kwam er iedere dag iemand van de thuiszorg, wat ze overigens van haar eigen centen betaalde, en kon die haar eventueel helpen met dat wat haar niet was gelukt. Of haar ‘oprapen van de vloer’, als ze daar lag. Om die grap kon Quinta niet lachen en dus was ze geneigd om de suggestie van haar man te volgen. Bettra liet zich uiteraard niet zomaar afschepen naar ‘de wachthal der kadavers’, zoals ze bejaardentehuizen pleegde te noemen, maar toen Tibalt na Quinta ook de coördinator van de thuiszorg en de huisarts aan zijn zijde kreeg, werd Bettra overstemd.

En dus werd er een woning voor haar gezocht. Een ‘mooie’ plek waar ze zich vanzelfsprekend ‘thuis’ zou voelen. Het mocht best wat kosten. Tibalt was niet te beroerd om bij te leggen, mocht Bettra het niet zelf kunnen opbrengen. Quinta was tijdens de zoektocht naar een ‘warm, nieuwe onderkomen met zorg op maat’ vast begonnen met het inventariseren van de woning van Bettra. Deze bevatte nog veel spullen van haar overleden echtgenoot, Stevel, een Schots diplomaat, en die spullen konden wat Quinta betrof ‘wel weg’.

Tibalt en Quinta namen de regie over Bettra’s leven over en degradeerden haar daarmee tot figurant. Lijdzaam zag ze hoe haar vertrouwde nest stapsgewijs werd ontdaan van alles wat het vertrouwd maakte. Het eerste slachtoffer was het bureau van Stevel. Een enorm bruin apparaat dat volgens Quinta ‘al het licht in het huis absorbeerde’, waar Bettra nooit aan zat en waar nog steeds wat van Stevels attributen op lagen: een briefopener, puntenslijper, nietmachine, perforator (zo’n oud, groot zwartkleurig apparaat) en een leesliniaal. Stevels ogen waren nooit heel goed geweest, dus toen ze eenmaal slechter werden, duurde het niet heel lang voordat ze te slecht waren om goed te kunnen lezen. Het leesliniaal vergrootte de letters en bood hem houvast tussen de regels door. Iedere ochtend had ze hem zien zitten, steeds langzamer de kranten doorspittend. Maar dankzij het liniaal bleef hij op de hoogte van wat de wereld bezighield en dat gaf hem het gevoel er nog deel van uit te maken. Totdat hij op een morgen niet meer wakker werd. Toen was er van gevoel geen sprake meer, maar werd hij ter aarde besteld en maakte hij meer deel uit van de wereld dan ooit tevoren. Zonder dat hij het wist. Zonder dat hij nog iets wist.

Zijn leeslamp, zijn stoel (ook van het schommelende soort. Een functie die Stevel wél ten volle benutte), wat plakboeken met krantenknipsels, het moest allemaal weg. Wat ze toen al besefte, maar wat Quinta bleef proberen te verhullen, was dat in principe alles weg zou gaan. In het verzorgingstehuis zou Bettra een bed krijgen en een kast. Misschien zelfs een tv. Verder wat kleurplaten aan de muur van de kleinkinderen, af en toe een bos bloemen, maar van haar ‘spullen’ zou niets meer over zijn. Het zou er ook niet toedoen, want hoe lang zou ze er nog gebruik van kunnen maken? Op een dag zou haar woning toch leeggeruimd worden, of ze nou leefde of niet. Wat heet! Ze mocht blij zijn dat ze het nog kon meemaken! Waarom was haar overigens niet helemaal duidelijk.

‘Sorry,’ onderbrak Bettra zichzelf. ‘Ik ratel maar door, maar je weet nog steeds niet waarom ik bel.’ ‘Geeft niet,’ antwoordde Windstromm, die haar stemgeluid alleen maar fijn vond. Ze had hem de IKEA-gids kunnen voorlezen en dan nog had hij er graag naar geluisterd. Hij had niet eens door dat hij nog steeds stond, gebogen over de bloempot. Haar monoloog had hem zijn broosheid doen vergeten, iets waar zijn benen helaas nog steeds wel van doordrongen waren. Zijn fascinatie voor deze vrouw hield hem staande, of deed hem in ieder geval vergeten dat staande blijven voor hem geen vanzelfsprekendheid was. Met knikkende knieën luisterde hij verder.

‘Goed, ik zal wat bondiger proberen te zijn. Meer de kern zien te raken,’ zei Bettra zo vastberaden mogelijk. ‘Waar was ik? O ja…’

Ze vervolgde door te vertellen dat het niet lang duurde voordat de zolder aan de beurt was. Terwijl Tibalt en Quinta samen een kast uit elkaar probeerden te halen, hoorden ze hun dochtertjes, de tweeling Anne en Mara, giechelend aan elkaar voorlezen. ‘Moet je deze horen,’ zeiden ze om beurten, gevolgd door het theatraal voordragen van een passage.

‘In de woestijn van het leven vond ik een spaarzame bron. Opgejaagd door de drukte verdwaalde ik in de leegte. Achter me hoorde ik niets dan hoongelach, voor me de weidsheid van de bergen. Alle kanten kon ik op, een vorm van absolute vrijheid. Tegelijkertijd was ik gevangen in de beperking van mijn eigen gedachtes. Jij brak me los uit het patroon. Jij liet me zien dat ik overal heen kon. Sinds jou ben ik geboren, daarvoor was ik slechts de belofte van een mens.’

‘HAHAHAHAHAHA!’ schaterden de meisjes het dan uit. Woorden als ‘boezem’, ‘begeerte’ en ‘verrukking’ kwamen voorbij. Ze hielden het niet meer. Pas toen Tibalt kwam uitzoeken wat er nou zo grappig was, zag hij dat ze een doos vol brieven hadden gevonden. De meeste waren zo’n 60 jaar oud en allemaal werden ze afgesloten met ‘Al mijn liefs, Windstromm’. Tibalt maande de meisjes de brieven terug in de enveloppen en in de doos te doen, hopend dat Quinta ze niet had horen voorlezen. Hij wilde zijn vrouw niet onnodig shockeren met de onstuimige liefdesgeschiedenis van haar moeder, zeker niet als deze zou betekenen dat ze Stevel niet trouw was geweest. Bettra stond bekend als een integere vrouw, een eigenschap die Quinta van haar had gekopieerd, en Tibalt wilde die deugd niet in het geding brengen.

Maar waar Tibalt als boekhouder over het algemeen uitstekend met cijfers overweg kon had hij zich hier misrekend. Bettra en Stevel hadden elkaar pas in 1956 leren kennen. Deze brieven waren gedateerd van de jaren ervoor en duidden dus niet op ontrouw. Het was dus maar goed dat Tibalt, terwijl hij met de doos brieven de zoldertrap afdaalde, een trede miste en viel. Dat hij hierbij zijn pols kneusde was vervelend, maar dat Quinta nu kon zien wat er écht in de doos zat, terwijl Tibalt bij het verlaten van de zolder op haar vraag wat hij weg ging gooien had geantwoord met ‘O, gewoon wat oud papier’, betekende dat zij haar moeder, haar lieve, oude, o zo integere moeder, kon vragen wie Windstromm was.

Windstromm. Het horen van de naam had haar adem doen stokken, net zoals hem gebeurde bij het horen van haar stem.

Terwijl Bettra vertelde hoe ze de brieven stuk voor stuk teruglas en tijdens het lezen de onbedwingbare behoefte voelde om hem te spreken, begaven de benen van Windstromm het. Met een doffe klap viel hij op de grond, alwaar hij nu in gebogen houding naast de tafel lag. Hij had nog geluk dat hij niet óp de tafel viel en nu bedolven lag onder de scherven, of erger. Bettra hoorde aan de andere kant van de lijn vooral een hoop gekraak. Voor de tweede keer tijdens het telefoongesprek maakte ze zich zorgen. ‘Windstromm! Windstromm!’ riep ze. In de verte hoorde ze gekerm. ‘Windstromm!’ riep ze nog eens, uit volle borst. Enigszins bekomen van de schrik hoorde hij naar nu ook. Voor zover hij het kon inschatten had hij geen ernstige verwondingen opgelopen, maar opstaan lukte hem niet meer. Alle kracht was uit zijn benen weggevloeid. Met de laatste kracht in zijn armen lukte het hem nog de hoorn naar zich toe te draaien.

‘Ik ben gevallen!’ hijgde hij.
‘O nee!’ riep ze bezorgd. ‘Ben je gewond?’
‘Nee, maar ik kan niet meer opstaan.’
‘Wat zeg je?’
‘Ik kan niet meer opstaan!’
‘O… Kun je niet opstaan?’
‘Dat probeer ik je te zeggen!’
‘O… En je optrekken aan iets?’
‘Ik heb geen kracht meer. Geen kracht meer.’

Windstromm moest huilen. Het was hem teveel geworden. Hij had alle impulsen die zijn dagelijkse routine ook maar enigszins hadden kunnen ontwrichten jarenlang op afstand gehouden, maar nu, na Bettra’s telefoontje en haar verhaal, hulpeloos liggend op de grond, was zijn verzet gebroken.
‘Ik heb geen kracht meer…’ snikte hij.
‘Windstromm…’

Ineens wist Bettra wat ze moest doen. Ze moest naar hem toe.

‘Waar woon je?’
‘Het komt wel goed… Ik moet gewoon even rusten. Dan komt het wel weer goed.’
‘Doe niet zo gek, ik kom naar je toe.’
‘Nee, nee, niet doen. Niet hierheen komen. Dat kan je niet…’
‘Je klinkt net als mijn dochter en schoonzoon. Ik weet zelf wel wat ik kan. Ik kom naar je toe. Ik heb die nieuwe heup nog nauwelijks kunnen gebruiken. Wat is je adres?’
‘Fazantenplein 12.’
‘Tot zo Windstromm. Blijf rustig liggen.’
‘Ik kan niet anders…’

Bettra trok zich, niet zonder moeite, aan de handvatten van haar rollator op uit haar stoel. Ze rolde zichzelf naar de kapstok en trok haar jas aan. Dit deed ze altijd zittend op het plateautje van de rollator, daar waarop ze de koekjes en cakejes en kopjes neerzette voor haar gasten. Iedere keer weer kreeg ze dezelfde kreten naar zich toe geslingerd als ze zich uit haar stoel omhoog hees om iets lekkers te pakken: ‘Dat doe ik wel!’ ‘Blijf toch zitten!’ ‘Mam, doe nou niet zo eigenwijs!’ Ze trok zich er niks van aan. Het duurde misschien 20 minuten voordat ze terug was, maar ze kreeg het voor elkaar. Soms viel er wat om, een blik lekkers of zijzelf, maar ze kwam altijd terug met versnaperingen. Nu zat ze dus op dat plateau, met haar oude kont in de kruimels, en probeerde ze haar jas aan te trekken. Dat ging niet zo makkelijk. Ze was behoorlijk stijf en al een tijdje niet meer naar buiten geweest, dus de soepelheid van de handeling ontbrak.

Ze had natuurlijk aan Quinta of Tibalt, die nog steeds op zolder haar materiële leven aan het ontleden waren, kunnen vragen of ze haar konden helpen. Los van haar eigenwijsheid, naast integriteit haar meest in het oog springende eigenschap, had ze weinig vertrouwen in de bereidwilligheid van haar dochter en schoonzoon om haar alleen op pad te laten gaan. Daarom was dit een missie die ze in haar eentje moest aangaan. Die jas zou ze aankrijgen en het lukte ook. ‘Sleutels,’ dacht ze. ‘Nergens te bekennen. Dan maar zonder sleutels.’ Bettra trok zichzelf omhoog van het plateautje, draaide zich om, pakte met één hand een handvat en deed met haar andere de deur open. Niemand hoorde iets en weg was ze, op weg naar de lift.

Eenmaal buiten trok ze haar kraag op. Er stond een waterkoude wind. ‘Een sjaal was geen overbodige luxe geweest,’ mompelde ze tegen zichzelf. Maar teruggaan was geen optie en dus ging ze voorwaarts, richting de bushalte. Fazantenplein. Lijn 4 moest ze hebben. Zou die nog rijden? De laatste keer dat ze met de bus ging, kon ze zich niet eens meer herinneren.

De bushalte bevond zich vlak voor haar huis, maar was omringd door zand en lint en oranje pionnen. Ze probeerde zich een weg door de ravage te banen om het oranje plakkaat te kunnen lezen dat over de vertrektijden heen was geplakt. De lettertjes waren eigenlijk te klein voor haar staarderige, waterige ogen en haar bril had ze natuurlijk (ook) niet bij zich, maar ze kon uit de woorden ‘tijdelijk’ en ‘buiten’ en ‘gebruik’ opmaken dat ze door zou moeten lopen naar de volgende halte. Haar missie was nog geen vijf minuten onderweg en had al flink aan complexiteit gewonnen. Maar Bettra Hoevenkamp zou Bettra Hoevenkamp niet zijn als ze daar op dat moment rechtsomkeert had gemaakt en terug naar binnen was gegaan, terug naar het huis wat haar huis niet meer was, en dus liep ze door.

Ze kwam langs de bakker waar Stevel altijd vers brood voor hen kocht. Iets verderop passeerde ze de tabakszaak waar Tibalt voor Stevel zijn favoriete sprietsigaartjes haalde toen Stevel het zelf niet meer kon. De dokter vond dat Stevel die troep niet meer aan moest raken, maar Stevel weigerde zich ‘zijn laatste pleziertje’ af te laten nemen, iets waarop de dokter iedere keer weer schouderophalend de kamer verliet. Ze kwam langs de bloemenzaak, de slager, de opticien, de ijzerhandel… Winkels waarmee hun dagelijkse routine ooit werd bevolkt, maar waarvan het bezoeken niet meer was dan een vale herinnering. De mensen die nu in de winkels stonden waren jong. Jonger dan zij in ieder geval. Op een dag zouden ook zij oud zijn en dan zouden anderen de boodschappen voor hen doen. Bettra zou dan al dood zijn, dacht ze. Die winkels zouden misschien niet eens meer bestaan. ‘Het is vluchtigheid troef in dit leven,’ filosofeerde ze. ‘Laat ik dus maar als de donder mijn weg vervolgen.’

De bushalte was in zicht. Het was er druk. Ze hoefde niet lang te wachten tot de bus kwam. Ze meende door een enkeling vragend te worden aangekeken: ‘Bent u niet veel te oud om zomaar los op straat te lopen.’ ‘Nee hoor, het werkt allemaal nog prima!’ antwoordde ze, terwijl niemand de vraag daadwerkelijk had gesteld. Nu keken ze haar wel aan, maar niet te lang; oude mensen praten immers weleens in zichzelf.

De bus stopte. Net op het moment dat ze betwijfelde of ze wel op zou kunnen stappen bood een man haar zijn arm aan. Zijn vriendin ontfermde zich over de rollator. ‘Dank u wel,’ was ze vriendelijk. Toen de buschauffeur haar naar haar OV-chipkaart vroeg en Bettra’s gezicht in een vraagteken veranderde, was er her en der wat gezucht te horen, maar daar trok Bettra zich niets van aan. ‘Ik heb geen watdanook-kaart. Ik heb een missie.’ De buschauffeur draaide met zijn ogen en maakte met zijn hand een gebaar van ‘loop maar door’. Dat deed ze niet.

‘Kunt u mij waarschuwen bij het Fazantenplein?’
‘Ja hoor,’ antwoordde de buschauffeur.
‘Dank u wel.’

Bettra nam plaats en de bus vervolgde zijn weg. Ze kwam langs plekken waar ze al 20 jaar niet meer was geweest. Hele woonwijken van vroeger waren vervangen door anonieme flatgebouwen, glimmend in het winterse zonlicht. Ze werd overmand door het besef waar Stevel altijd zo doordrongen van was geweest; dat de wereld aan haar voorbij was getrokken. Ze was niet meer actief, droeg niet langer haar steentje bij. Ze stond aan de zijlijn. Niet om in te vallen, maar wachtend op het laatste fluitsignaal. Zelf had ze dat nooit zo ervaren. Via Stevel hield zij contact met de actualiteit. Zelf had ze genoeg aan boeken en muziek. Ook kon ze prima gewoon ergens zitten. Zitten en kijken en luisteren en verder niets. Simpelweg zijn.

Bettra raakte zo overmand door gevoelens van melancholiek dat ze bijna vergat waarom ze ook alweer op pad was. Windstromm had haar hulp nodig. Hij had het niet willen toegeven, dat had hij nooit, maar het was wel zo. Vroeger ook al, toen ze nog jong en ondernemend waren. Ondernemend. De pijn van Bettra’s kunstheup baande zich een weg door haar vastberadenheid. Ze had in het afgelopen uur meer gelopen dan in de hele maand daarvoor en dat deed zich voelen. De harde zitting van de stoel werkte ook niet mee. ‘Ik hoop dat ik er snel ben,’ mompelde ze tegen zichzelf. Alsof de buschauffeur het hoorde, riep hij ‘Fazantenplein!’ Bettra via de achteruitkijkspiegel aankijkend. Ze probeerde onmiddellijk op te staan, voor zover het woord ‘onmiddellijk’ nog betrekking had op haar handelen, maar de vaart van de bus hield haar tegen. Ze zou moeten wachten totdat de bus tot stilstand was gekomen. Dan zou ze zichzelf omhoog hijsen – wellicht met enige ondersteuning -, naar de uitgang schuifelen – misschien met wat assistentie-, en dan aan een arm het afstapje af worden geholpen. En zo geschiedde.

Windstromm lag ondertussen nog steeds op de grond. Hij had geprobeerd zich te verplaatsen, maar toen hij niet kon bedenken waarheen had hij de poging gestaakt. Hij kon wel bewegen, maar niet genoeg om op een locatie te komen van waar hij zich zou kunnen optrekken, als hij dat überhaupt nog kon. Dus lag hij daar. Al een goed uur inmiddels. ‘Zou Bettra nog komen?’ vroeg hij zich af. ‘Waarschijnlijk niet. Waarom zou ze een oude lafaard als ik van de grond willen komen rapen? Alsof ze me iets verschuldigd is. Als de rollen omgedraaid waren geweest, tja, dan was ik er geweest. Denk ik. Dat dacht ik vroeger immers ook, maar toen was ik er ook niet. Niet genoeg. Niet meer. Ik was weg.’ Windstromm voelde weer tranen opborrelen. Hij kon zich niet herinneren wanneer hij voor het laatst had gehuild. Misschien was het al een halve eeuw geleden, maar nu lag hij daar te snikken, voor de tweede keer vandaag.

Zijn spijtgedachtes deden hem inmiddels pijn. Daar hij faalde ze te onderdrukken besloot hij ze uit te spreken. ‘Sommige mensen zeggen dat je nooit spijt moet hebben. Dat spijt nergens goed voor is. Nou mensen, ik heb het en kan jullie melden dat het inderdaad nergens goed voor is. Maar ik heb het wel. Het is er, het steekt, het brandt, en ik weet niet hoe ik het vuur kan blussen.’

Er rolden nu dikke tranen over zijn wangen. Hij kon er de ironie wel van inzien.

Net toen hij zijn relaas richting het absente publiek wilde vervolgen ging de bel. En nog een keer, vergezeld van geklop. Zijn naam. Iemand riep zijn naam. ‘Windstromm! Windstromm, ben je daar?’ Voor de tweede keer in tranen, voor de tweede keer die stem. ‘Bettra!’ riep hij terug. ‘Bettraaaaaaa!’

‘Kun je opendoen?’
‘Ik lig nog steeds op de grond!’
‘Kun je niet bewegen?’
‘Nee!’
‘Heb je het geprobeerd?’
‘Ja!’
‘En het lukt niet?’
‘Nee!’

Het bleef even stil.

‘Echt niet?’
‘Wacht even…’

Windstromm probeerde uit alle macht, met alle kracht in alle spieren die zijn lichaam nog niet in de steek hadden gelaten, te bewegen. Wat dan ook, welke kant dan ook op. Het resultaat viel tegen: zijn voeten wapperden wat op en neer.; zijn rechterknie boog zich naar voren en weer terug; hij hoorde ergens in de verte een bilspier ‘hoi’ zeggen en zijn armen maakten een soort kikvorsbeweging. Maar hij was geen kikker en hij ging geen kant op.

‘Het lukt niet!’
‘O… Hebben de buren geen sleutel?’
‘Nee. Niemand heeft een sleutel.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat ik ze niet vertrouw! En dat rotkind van ze loopt hier voor de deur altijd rotjes af te steken, het hele jaar door, als een soort Chinees!’
‘Zijn ze Chinees?’
‘Nee! Als een SOORT Chinees!’
‘Ik snap het niet…’
‘Laat maar… Niemand heeft een sleutel!’
‘Oké.’

Bettra dacht na. Of tenminste, dat probeerde ze. Er waren drie dingen aan de hand die haar daarvan beletten. Ten eerste: de kou. Haar neus en oren voelde ze al niet meer. Haar ogen traanden zo hevig dat ze bijna niets meer zag en haar kunstgebit trilde zowat uit haar mond. Ten tweede: de pijn. Haar heup, die geen heup was maar een schroef en een bout, wilde niet meer. En haar lichaam wilde niet meer met de heup. Het ding werd niet geaccepteerd als volwaardig lid van het bottenstelsel en dus hadden de overige beenderen de armen over elkaar geslagen en fluitend een beetje naar de einder staan turen. Bettra stond er alleen voor en dat was precies wat ze niet meer alleen kon: staan. Ten derde: de whisky. Bettra had tijdens de busreis in het laatje van haar rollator een flesje Glenmorangie gevonden dat Stevel daar altijd in stopte als ze ergens naartoe gingen. Hij dronk niet veel, maar zonder whisky kon hij niet leven. Het was, zoals hij het zelf pleegde te noemen, zijn ‘laatste schakel met Schotland’. Het land van de bergen en de schapen wat hij verder miste als kiespijn. Bettra had er als remedie tegen de spanning en de kou een paar flinke teugen van genomen en waar een paar kleine teugjes al genoeg waren geweest om de geheelonthoudster in een diepe dut te doen afdalen waande ze zich nu in een draaimolen. Haar laatste herinnering aan een dergelijk recreatief kermisapparaat dateerde van zo’n 60 jaar geleden. De drank was als een ware archeoloog bezig geweest een gat in haar geheugen te graven. Laag na laag was blootgelegd, en nu stond ze daar voor het huis van de man die in haar diepste herinneringen was mee begraven. En nu ze daar zo stond, wankel en bevroren, voelde ze weer de liefde die ze ooit voor hem had gevoeld. Een liefde zo sterk dat alles in slow-motion leek te gaan. Een draaimolen in slow-motion, in zwart-wit. Windstromm en zij, in de draaimolen, in zinnenprikkelend Technicolor. Het was Stevels whisky die haar deed ontwaken. Het was evenzo de whisky die haar vertelde wat ze nu moest doen.

‘Windstromm, ik ga even wat proberen. Tot zo.’
‘Wat zeg je? Bettra? Bettra!’

Bettra reageerde niet. Windstromm was in de war. Hij had haar niet goed verstaan, de hele dag al niet. Ze was weg en hij wist niet waarheen. ‘Misschien is ze toch naar de buren.’ dacht hij. ‘Ik hoop het niet. Ik gun het ze niet me hier zo te zien liggen. Ach, ze hebben toch geen sleutel… Maar straks bellen ze een slotenmaker. En dat kan ik dan zeker gaan betalen! Besodemieterd dat ze zijn! Ze had nooit moeten komen. Ik zei nog zo dat ze niet moest ko-‘

Windstromms zin werd afgebroken door een luide knal, gevolgd door het geluid van brekend glas.

‘Wat gebeurt er? Wie is daar? Wat is er aan de hand?’

Het bleef stil. Wat gerommel en gekraak. Voetstappen, meer brekend glas. Een hoog gepiep, van iets wat aanloopt. Een wiel. Ja, dat was het, een aanlopend wiel, zoals van een kreupel winkelwagentje.

‘Hallo?’ riep hij nogmaals, met wapperende voeten en samengeknepen billen.
‘Hallo Windstromm,’ zei Bettra’s hoofd, dat zijn zicht op het plafond ontnam.

Hij zuchtte een enorme zucht van ontspanning. De tranen sprongen wederom in zijn ogen. De stem had nu een gezicht. Een gezicht dat hij ooit zo goed had gekend. Ouder, maar van een onverwoestbare schoonheid.

‘Hier, pak deze stang met je ene hand en deze met je andere en probeer je dan een stukje omhoog te trekken. Die kun je nu wel neerleggen,’ doelde Bettra op de telefoonhoorn die hij nog steeds vasthield.’ Windstromm volgde haar instructies zonder iets te zeggen op. Kreunen deed hij wel, maar daarin had hij nauwelijks een keuze.

Een kleine zes minuten later zat Windstromm in de stoel waarin hij zelden zat, die was immers dichterbij. Bettra schuifelde naar de andere. Windstromm gromde. Bettra draaide zich om. ‘Mag ik hier zitten,’ vroeg ze. Knikkend antwoordde hij. Bettra liet haar oude kont langzaam in de stoel zakken, waarbij ze de kunstheup dacht te horen piepen. ‘Wat was dat lawaai?’ vroeg Windstromm. ‘Mijn kunstheup,’ antwoordde Bettra. ‘Hè? Maakte je heup al dat kabaal daarnet?’ ‘Nee, dat was mijn rollator. Of liever, het effect van mijn rollator geworpen door jouw glazen ruit.’

Windstromm probeerde zijn nek naar de keuken te draaien om te zien wat de schade was, maar ook die kracht ontbeerde hij. Hij vermoedde het ergste.

‘Is het erg?’
‘Mwah. Een beetje tochtig misschien, meer niet,’ zei Bettra schouderophalend. Windstromm hoestte.

Bettra keek naar de bloempot. ‘Heb je daar geen plant voor?’
Windstromm schudde zijn hoofd.
‘Maar ik herinner me dat je zo van planten hield?’
‘Ik heb geen potgrond meer,’ bromde hij.

Bettra keek hem aan, terwijl Windstromm strak naar de bloempot bleef kijken. Bettra draaide haar hoofd weer terug. Windstromm wierp een vluchtige blik naar rechts, naar de liefde van zijn leven die hem vandaag had gered. Bettra voelde het en glimlachte. Windstromm draaide zijn blik weer naar de bloempot. Ze staarden er samen naar.

‘Je hield zoveel van planten. Soms dacht ik dat je meer van planten hield dan van mij.’
‘Dat dacht ik soms ook.’

Windstromm stak zijn trillende hand uit. Bettra pakte hem trillend vast. De trillingen leken elkaar op te heffen en de handen bleven stil in de lucht.

‘Morgen kopen we een plant. Anders is het zonde van die pot.’ Windstromm knikte. Bettra wees naar de telefoonhoorn op de vloer. ‘Maar laten we nu eerst een glaszetter bellen, anders maken we morgen niet meer mee.’ Windstromm lachte. Bettra ook. Ze bulderden van het lachen. Samen, in een slecht verlicht, verkreukeld huis. Gezeten voor een lege bloempot, op de tocht, terwijl ze buiten de wereld aan hen voorbij lieten trekken.

Humor is liefde

De vraag ‘Wat is humor?’ is onmogelijk te beantwoorden. Toch hebben verschillende mensen, onder wie velen veel slimmer dan ik, een poging gedaan om tot een soort definitie te komen, zo blijkt als ik op citaten.net ‘humor’ invul als zoekterm. Het één na bovenste citaat op de lijst zoekresultaten is van Aristoteles en waarschijnlijk meteen de kort en krachtigste: ‘Humor is gecultiveerde onbeschaamdheid.’ Francis Bacon claimt dat ‘Verbeelding is ons gegeven voor wat we niet zijn. Zin voor humor om ons te troosten voor wat we wel zijn.’ Ook mooi, maar wel een beetje deprimerend. Winston Churchill zegt hetzelfde, dus er zal wel een kern van waarheid in zitten: ‘De verbeeldingskracht troost ons over hetgeen we niet zijn, het gevoel voor humor over hetgeen we zijn.’

Halverwege humorpagina twee van deze fantastische site slaat de Duitse schrijver R. G. Binding voor mij de spijker op zijn kop. Om het citaat niet aan kracht in te laten boeten, geef ik het hier in de oorspronkelijke taal weer: ‘Der Humor ist ein Eigenschaft des Herzens, wie die Liebe. Es gibt Menschen die nicht lieben können; wahrscheinlich sind es dieselben die keinen Humor haben.’ Verderop geeft regisseur Mel Brooks humor een andere functie die mijns inziens rustig kan bestaan naast die van Binding: ‘Humor is een bescherming tegen het universum.’

Ik kan niet voor anderen spreken, maar deze twee citaten geven zo ongeveer wel mijn eigen ideeën over humor weer. Ik blijf overigens bij mijn eerdere bewering dat het onmogelijk is om te bepalen wat humor is en dat de begripsomschrijvingen van deze wijze mannen in principe dus compleet futiel zijn geweest. Maar er een beetje op los filosoferen kan natuurlijk geen kwaad, iets wat zij in hun tijd ook beseften.

Humor kun je niet uitleggen. Iemand vind iets grappig of doet dat niet. Ik ben echter wel van mening dat sommige dingen intrinsiek grappig zijn, als een soort universele, humor-esthetische waarheid (denk hierbij aan Louis CK, dronken dieren, de film Airplane), en dat het door iemand niet als grappig ervaren van die waarheid vooral iets zegt over de persoon in kwestie. Kan iemand Van Goghs Sterrennacht niet mooi vinden omdat het niet mooi IS, of omdat diegene de onomstotelijke schoonheid ervan niet voelt door een gebrekkig functionerend limbisch systeem? Om het citaat van mijn sinds zonet favoriete Duitser er nog eens bij te halen (dit keer in het Nederlands, je weet immers maar nooit): ‘Humor is een eigenschap van het hart, zoals liefde. Er zijn mensen die niet lief kunnen hebben; waarschijnlijk zijn het dezelfde die geen humor hebben.’

Toen ik van de week op de bank naar het plafond lag te staren omdat ik vakantie heb en luiheid één van mijn voornaamste eigenschappen is, deed ik zelf een poging te bedenken wat humor is, of beter gezegd: wat humor voor míj is. Ik moest toen al snel aan liefde denken. Zelfs de meest doorgezomerde optimist moet toegeven dat het leven niet zelden de neiging heeft om je uit te wringen als een spons waar zojuist de plee mee is schoongemaakt. Soms ben je net een baal hooi: eerst gemaaid, daarna geperst, vervolgens gespietst door een hooivork, op een hooikar geflikkerd waar je in de hooischuur weer af wordt geschopt om tenslotte, als de hoop dor gras die je bent, te wachten op je laatste bestemming: de koe. Eerst haar slijmerige, grazende muil, dan een reeks pensen en als je een beetje extra pech hebt haar anus, waaruit je als onverteerde feces wordt verbannen naar dezelfde weide als waar je vandaan kwam.

Maar ik dwaal af. Het punt is dat het leven deze neigingen heeft en dat niemand daaraan ontkomt. Wat zijn dan de jofele dingen die een mens de kracht geven om al deze verschrikkingen te weer/doorstaan? Het populairste antwoord op deze vraag zal ongetwijfeld ‘liefde’ zijn. Het tweede (en hier komt Mel Brooks om de hoek kijken) is humor, als wapen tegen de onvoorspelbare grillen van het universum. Als je niet in staat bent dagelijks(e) ergernissen (‘Deze rij schiet niet op!’ of: ‘Waarom is m’n telefoon zo traag!’), pijn (‘Au, m’n knie! Verdomme, m’n knie!’), leed (‘Mijn vader heeft me nooit geaaid’, of: ‘Mijn vader heeft me teveel geaaid.’) en verdriet (‘Arjen Robben… Arjen Robben!’) zo nu en dan met een lach te begroeten, wordt het leven een lange, vermoeiende kamelenrit door een droge woestijn.

Nu we het toch over de woestijn en kamelen hebben, hier een citaat van de Belgische pater en schrijver Phil Bosmans: ‘Humor en geduld zijn de kamelen waarmee je door alle woestijnen kunt gaan.’ Hij heeft het dus ook over geduld. Ik vermoed dat niet velen die in hun ‘Zin-des-Levens’-top drie hebben staan, maar als de mensheid zich met dit tempo blijft voortplanten, is het er wel één om in de toekomst rekening mee te houden.

Concluderend, de valkuil van het beantwoorden van de vraag des Humors ontwijkend, hier ter afsluiting een eigen, naar poëzie neigende uiting:

‘Met de mantel der liefde om mijn schouders en de paraplu van humor boven mijn hoofd wandel ik door de stormen des levens. Verwarmd, beschut, vrezend voor de liefde- en humorlozen, die vreugdeloos verkleumen in de wind.’

Stroopwafel

‘Hij doet zo fucking blij, ik word er helemaal GEK van!’
‘Gek?’
‘Ja man, zo fucking blij de hele tijd, uarghh!’
‘Maar waarom stoor je je daar zo aan?’
‘Omdat het BULLSHIT is!’
‘Bullshit?’
‘Ja, bullshit ja. Ik geloof er geen reet van.’
‘Je gelooft niet dat hij blij is?’
‘Nee.’
‘En waarom niet dan?’
‘Omdat het zo overdreven is. De hele tijd maar aan iedereen overal laten zien hoe fucking blij hij is. Om te KOTSEN!’
‘Wat doet hij dan?’
‘Gewoon… Op Facebook, de hele tijd laten zien hoe cool en vet hij dingen vindt. BOEIEND echt!’
‘Je hoeft er toch niet naar te kijken?’
‘Nee, maar ik kan Facebook niet openen of ik zie weer de ‘allercoolste clip’ van het ‘allervetste nummer ooit in de wereld ever’ voorbijkomen. Laat me gewoon met RUST!’
‘Maar het is toch niet specifiek aan jou gericht?’
‘Nee, en dat is dus precies het probleem. Z’n hele fucking sociale netwerk moet weten welke film hij gisteren gezien heeft en hoe hilarisch het interview van whoever the fuck met I couldn’t care less was. Het interesseert niemand ook maar ene HOL! Behalve die andere irritante kutlijers die het liken…’

(…)

‘Gaat het verder wel?’
‘Ja, hoezo?’
‘Nou, je lijkt wat uit je hum.’
‘Ja dat ben ik dus ook door die ONZIN.’
‘Weet je zeker dat dat alles is?’
‘Hmm… Nee, eigenlijk niet.’
‘Wat is er dan?’
‘Ik voel me ontzettend eenzaam de laatste tijd.’
‘Wat vervelend.’
*Begint zachtjes te snikken*
‘Wil je een knuffel?’
*Knikt*

Ferdinand knuffelde Björn innig. Het waren niet louter vriendschappelijke gevoelens die tijdens dit intieme moment bij hem opborrelden, maar die zou hij voor nu binnenboord houden. Misschien was daar in een later stadium, wanneer het verdriet wat was gezakt, ruimte voor. Nu in ieder geval niet. Nu zou hij er voor hem zijn als vriend, niet meer en niet minder.
Björn wist diep van binnen wel hoe de vork in de steel zat. Zijn eenzaamheid werd dan ook niet veroorzaakt door een sociaal isolement of alleenheid in de letterlijke zin des woords, maar door een gevoel van onbegrip; het niet (gevonden) hebben van een plek in de wereld. Ferdinand begreep dit, zoals Ferdinand hem eigenlijk altijd begreep.

Verdomme wat waren ze verliefd op elkaar. ‘Doe er wat mee!’ wilde je ze toeschreeuwen. ‘Doe iets!’

Maar ze deden niets en niemand schreeuwde ze iets toe. Ja, ze knuffelden, als vrienden. Een vriendschap geboren uit angst voor liefde.

‘Gaat het weer?’
‘Ja hoor.’
‘Goed zo. Wil je een stroopwafel?’
‘Nee, dank je.’

‘Ik neem er wel een.’
‘Doe toch maar dan.’

De stroopwafel smaakte goed. Het was misschien wel de lekkerste die ze ooit hadden gegeten.

Appeltaartmix

I

‘Die appeltaart was niet goed meer. Ik heb je gewaarschuwd, maar je bent zo verdomd eigenwijs.’

Doris zat, terwijl ze haar haren uit de wc-pot probeerde te houden, niet op Sarahs betweterij te wachten. Vooral het hooghartige toontje waarop Sarah haar voortdurend terechtwees, schoot bij Doris in het verkeerde keelgat. Het keelgat waar nu zoveel zure appeltaartgal uitkwam.

De situatie deed Doris een beetje denken aan die keer dat ze op kosten van haar partner, Alfons-Park von Hempten, samen een midweek naar Brazilië waren geweest. Los van de duur van de trip, die gerust als te kort bestempeld mag worden, was vooral de plek waar ze naartoe gingen een flinke tegenvaller.

In haar enthousiasme had Doris, op de vraag van Alfons-Park naar welke Braziliaanse stad ze het liefst zou willen gaan, geantwoord met ‘de hoofdstad natuurlijk!’. De met opgetrokken wenkbrauwen gemompelde ‘Ok…’ van Alfons-Park werd door haar niet opgemerkt en dus ook niet bevraagd. Zo kwam het dat zij en Sarah vijf dagen lang in Brasilia – vijftig jaar geleden uit de grond gestampt en door de bewoners getypeerd als ‘saaie werkstad’ – doorbrachten in plaats van hossend op een carnavalscar in Rio.

Ook toen had Sarah geen enkele moeite gedaan om haar minachting voor de gift en haar gulle gever te verbloemen. Met opmerkingen als ‘Nou, mooi hoor, dat beton,’ en ‘Ik vraag me af hoe het in nu Rio is,’ had ze bij Doris op niet geheel subtiele wijze een gevoel van schaamte en onzekerheid opgeroepen. Dit gevoel zou later, op specifieke momenten in hun vriendschap, steeds weer de kop op steken. Doris was zich er in het begin nauwelijks van bewust, maar kreeg na verloop van tijd (en hints van Alfons-Park in de trant van ‘Is die Sarah bij tijd en wijle niet een manipulatief wicht dat jou een minderwaardigheidscomplex bezorgt met haar laatdunkende gedoe en gedaan?’) een groeiend besef van de afgunst die haar beste vriendin motiveerde. ‘Beste’ in dit geval dus tussen aanhalingstekens.

Zelfs nu Doris met haar hoofd kokkend boven de plee hing, kreeg ze geen steun in de vorm van een glaasje water, of het ophouden van de haren – zoals vrouwen in tijden van zwangerschap dat bij elkaar plegen te doen -, maar sneren, vegen van onder uit de pan.

‘Kick me while I’m down!’ wilde ze roepen. In het Engels, omdat die uitspraak het beste haar gevoel verwoordde. Kick me. While I’m down. ‘Geef me een schop, terwijl ik op de grond lig!’ Doris had gelijk. Het Engels was in deze een krachtiger taal om haar gevoel tot uiting te brengen. Bovendien lag ze half, of zat ze tenminste geknield, zodat het hele ‘down’ ook van toepassing was op haar situatie. Maar ze riep het niet. Ze slikte het, langs de laatste stukken opgehoeste appel, in.

Sarah sloeg haar armen over elkaar, voor zover ze dat nog niet had gedaan, stond met een bitter gezicht op en verliet de badkamer. Vlak voor ze de deur dichtsloeg, wist Doris een verbeten gemompeld ‘slapjanus’ te ontwaren. Ze verzamelde de laatste galresten uit haar mond en spuugde ze in de wc-pot. Ze stond op, pakte een handdoek en veegde haar mond af. Vanuit de huiskamer was te horen hoe Sarah de televisie had aangezet. Mensen probeerden elkaar in een Amerikaans praatprogramma te voorzien van advies. Gewone mensen, zoals Sarah en zij, gingen bij elkaar te rade. Dit waren geen levenslange vrienden, maar vreemden, bijeengebracht door het productieteam van een talkshow. Natuurlijk kon men onder het op het oog nobele streven om mensen te helpen de intenties van de programmamakers om enorme sloten met geld te verdienen herkennen. Natuurlijk kon men dat. Maar de mensen in dat programma, hoe commercieel van aard ook, vonden daadwerkelijk steun bij elkaar. En bij de gezette, bebaarde tv-dokter en zijn opengetrokken blik aan deskundigen.

Dat was wat Doris miste. Ze verwachtte niet dat haar ‘beste’ vriendin alles wat ze deed en liet leuk vond of bewonderde, maar zo nu en dan wat steun was toch niet teveel gevraagd? Dát is wat vriendschap inhoudt: er voor iemand zijn, ondanks al diens zwakte en lelijkheid.

Deze gedachtes en haar lege maag maakten Doris emotioneel. ‘Alfons-Park,’ dacht ze. ‘Alfons, ik heb je nodig.’

II

Met opgetrokken kraag stond ze niet veel later voor de deur van een vrijstaand chalet in de bossen rond Baarn. Het regende en ze was in de emotie haar paraplu vergeten. Zonder Sarah aan te kijken had ze haar jas gepakt en was ze naar buiten gebeend. Nu stond ze al een halve minuut voor de gesloten deur van Alfons-Parks buitenverblijf, doorweekt.

Ze had hem niet kunnen bellen, want hij ‘deed niet aan mobiele telefoons’. Hij vond het woord ‘mobiel’ ten aanzien van telecommunicatie misleidend. Mobiliteit was voor hem vrijheid, iets wat werd gehinderd door een ‘continue staat van bereikbaarheid’, zoals hij het pleegde te noemen. Als je Alfons-Park wilde spreken, moest je mazzel hebben, en die had Doris nu even niet.

Om de tijd te doden besloot ze een stukje te gaan wandelen. De inmiddels vergeelde oktoberbladen van de bomen rondom het chalet zouden haar meer beschutting tegen de regen kunnen bieden dan het lekkende afdakje. Achter het huisje begon een pad dat naar het dorp leidde. Ze had nog geen twintig meter gelopen of ze werd opgeschrikt door het rottende karkas van een kat. Ze sloeg haar handen bijeen en maakte een klein sprongetje, vergezeld van een hoge, korte gil. Net op dat moment hoorde ze de Range Rover van Alfons-Park aan scheuren. Ze draaide zich om en rende terug richting het chalet.

Alfons-Park, een slanke, niet Franse versie van Gérard Depardieu, had het portier nog niet achter zich dichtgegooid of hij werd bedolven onder een hevig geëmotioneerde Doris.

‘Toe maar, toe maar,’ zei hij troostend. ‘Wat is er loos mijn lief?’

Doris wist tussen het snikken nauwelijks verstaanbare kreten uit te brengen. ‘Het… het is… Mis… Misselijk, en toen Sarah, en ruzie en toen ik… Toen ik… De ka-ka-kat. De kat! Ohoohoohh!’

‘Kom maar, we gaan naar binnen. Daar krijg je thee en een deken.’ Doris liet zich door Alfons meevoeren, niet dat ze nog iets anders kon.

Ze zat met haar knieën opgetrokken naast Alfons-Park op een comfortabele sofa. Ze dronk voorzichtig van de kamillethee die hij haar had ingeschonken en at een bonbon.

‘Lekker,’ zei ze.

‘Ach dat weet ik toch mijn lief, maar ik vermoed dat jij hier niet doorweekt en riekend naar kots heen bent gesjeesd om mij te complimenteren met de heerlijkheid van mijn bonbons!’

Ze knikte. ‘Het is Sarah,’ en ze barstte weer in snikken uit.

‘Ach kom toch hier.’

Alfons-Park trok haar naar zich toe, maar duwde haar weer van zich af op het moment dat de zure braakwalmen zijn reukorgaan bereikten.

‘Is het zo erg?’ vroeg Doris beschaamd.

‘Nou ja, erg… Laten we het erop houden dat die bonbon je op ’t moment misstaat.’

Doris wist niet zo goed hoe ze hierop moest reageren. Ze werd verscheurd tussen het lichamelijke verlangen met hem te knuffelen en de neiging om verder bij hem vandaan te gaan zitten om niet nog meer kwetsende opmerkingen te moeten incasseren. Maar ze hoefde niet te kiezen. Alfons-Park stond op en rekte zich eens goed uit. Hij liep naar de andere kant van de kamer en plofte neer op een turquoise Fatboy die naast de open haard stond.

‘Kijk, deze jongen,’ bulderde hij terwijl hij op de zijkant van de Fatboy sloeg, ‘deze dikzak is betrouwbaar. Hij staat altijd hier, naast de open haard, en ik weet dat wanneer ik er op neer plof, hij me op zal vangen.’

Doris keek hem vragend aan.
‘Zo moeilijk kan het toch niet zijn?’
Doris veegde haar neus af en fronste haar wenkbrauwen.
‘Je bedoelt dat Sarah onbetrouwbaar is.’
‘Voilà.’

Doris snapte waarom Alfons-Park de vergelijking trok, maar er was toch iets aan de manier waarop hij het deed wat haar tegenstond. Ze wist het woord niet precies. Het was iets Frans. Iets met een ‘h’.

‘Ik weet niet of ik haar onbetrouwbaar zou noemen,’ zei ze zo vastberaden mogelijk. Alfons-Park slaakte een kreet van verbijstering.

‘Ha! Je wilt toch mijn advies, of niet?’
‘Ik wil dat je me troost.’
‘Ach, troost is voor slappelingen mijn lief. Zwakke schepsels, zoals de kat.’

Doris voelde een schokgolf door haar lichaam gaan. Als ze niet al zoveel had gekotst, zou ze weer moeten. Maar ze was leeg, op een bonbon na. De walging maakte echter al snel plaats voor logica.

‘Die kat? Wat is er met die kat?’
‘Ach dat beest liep hier al een week te zwerven, miauwen; aandachttrekkerij. Dus toen heb ik het wicht een lesje geleerd.’

Wicht? Alfons-Park noemde Sarah ook altijd een wicht.

‘Wat heb je ermee gedaan?’

Alfons-Park zweeg en keek naar een hoek van de kamer. Daar zag Doris tot haar ontsteltenis een bebloede golfclub staan.

‘Je mag ‘m best lenen,’ grijnsde hij kwaadaardig.

Ze wilde vragen ‘Meen je dit?’ maar ze wist het antwoord al. ‘Ja,’ hij meende het. Hij had het altijd gemeend.

Doris gooide de deken van zich af en stond op. Met trillende benen liep ze naar de kapstok.

‘Wat denk jij te gaan doen?’

Ze richtte zich met haar laatste krachten tot Alfons-Park.

‘Je hebt ons toentertijd expres naar die Braziliaanse, betonnen woestijn van bureaucratie gestuurd, zodat Sarah enerzijds jaloers zou worden op de aanwezigheid van een gulle man in mijn leven en we anderzijds een rotweek zouden hebben in een land van carnaval en caipirinhas, iets wat extra spanning op onze toch al onder druk staande vriendschap zou zetten, met als doel dat jij mij voor jezelf zou winnen, zonder bemoeienissen van Sarah, mijn beste vriendin (zonder aanhalingstekens). Ik huiver bij de gedachte wat je hier in je vochtige chalet met me had gedaan als ik alle banden met de buitenwereld had verbroken.’

Ze wierp nog een blik op de golfclub, trok haar jas aan en liep naar buiten, terug de regen in.

Alfons-Park bleef verbouwereerd achter, onderuitgezakt in zijn zak van EPS-parels.[1]

III

Bij thuiskomst viel Doris bijna flauw. Haar maag: leeg. Haar benen: slap. Haar hart: vol. Ze poogde Sarah te roepen, maar kon haar stembanden niet aanzetten tot meer dan een hijgerig gepiep. Zich vastklampend aan de ziekenhuisgroene (een idee van Alfons-Park) muren, wist ze de woonkamer te bereiken. Geen Sarah. Met trillende handen haalde ze haar telefoon uit haar binnenzak en probeerde ze Sarah te bellen. Dat trillende handen en touchscreens (een cadeau van AP) een uitermate slechte combinatie zijn, werd haar op dat moment zo helder als het felle licht dat vanuit haar ooghoeken naar binnen trok. In de verte hoorde ze een doffe klap. Telefoon? De tweede klap hoorde ze niet, maar voelde ze, vlak nadat het licht uitging.

Niet veel later, een kwartier wellicht, maar misschien zelfs korter, kwam Doris weer bij. Ze voelde de polen van het tapijt tegen haar wang drukken terwijl iemand haar aaide. Het was Sarah. Ze probeerde zich om te draaien, wat slechts met enige hulp lukte.
‘Wat is er gebeurd?’ kraakte ze.
‘Ik kwam thuis en je lag op de grond.’
‘Hoe lang al?’
‘Weet ik niet, want ik kom net binnen. Maar ik denk ongeveer een kwartier. Misschien zelfs korter.
‘Oef…’
‘Hier, laat me je helpen.’

Sarah legde Doris’ arm om haar nek en bracht haar voorzichtig naar de bank. Op het moment dat ze haar los wilde laten, trok Doris haar dicht tegen zich aan en gaf ze haar een kus op de wang. In een poging Sarah te vertellen wat er allemaal was gebeurd, wist ze slechts ‘Alfons-Park…’ uit haar keel te persen.

‘Sshhh… Het is al goed.’

Sarah wist allang wat ze wilde zeggen. Sarah had het altijd geweten, maar ook zij, koppig als ze was, vond het moeilijk om zich kwetsbaar op te stellen terwijl haar vriendin gevoelsmatig steeds verder van haar verwijderd raakte.

‘Waar ben je geweest?’ vroeg Doris.
‘Boodschappen,’ wees ze naar een omgevallen tas, vlak naast de plek waar Doris had gelegen. Er lagen wat producten verspreid over de vloer, waaronder een pak appeltaartmix.

[1] Kleine, glasachtige harde bolletjes, waarin het blaasmiddel pentaan is opgenomen.