Maar ik houd echt heel veel van pizza

Om nog maar eens aan te geven hoeveel ik van pizza houd: de droom van vannacht waarin de eigenaresse van mijn favoriete pizzeria naar Den Haag ging verhuizen beschouw ik als een nachtmerrie. Ik werd echt geshockeerd en verdrietig wakker, zat vol onbegrip en vragen, zoals ‘waarom?’ en ‘nee!’. Lichte paniek voelde ik ook. Mijn brein zocht naar een uitweg, naar alternatieven, maar ik wist al bij aanvang van het denkproces dat die er helemaal niet zijn.

Ik wil of kan eigenlijk altijd wel pizza eten. Dat onderdruk ik, want ik vrees dat mensen me anders banaal vinden. De pizza is, zeker in Amsterdam, natuurlijk allang een ‘gourmet’ gerecht, niet zelden belegd met geïmporteerde mozzarella van gemasseerde buffels, tot op de perfectie gedroogde bresaola en tong beplassende kalamata olijven, maar het ding blijft banaal, al was het maar vanwege de vorm.

Bovendien getuigt het niet per se van een avontuurlijke instelling en rijk ontwikkeld smaakpalet om altijd hetzelfde te willen eten, hoewel de pizzavariatiemogelijkheden natuurlijk zowat onbeperkt zijn.

Soms opper ik het gemaakt casual, als we nog niet bedacht hebben wat we gaan eten, of het moeilijk vinden iets te bedenken, moe zijn of weinig tijd hebben. ‘We kunnen een pizzaatje halen?’ zeg ik dan met een minimale schouderophaling en schuin opgetrokken wenkbrauw, bijna mompelend. Soms kijk ik terwijl ik het zeg weg van mijn metgezel – vaak mijn vriendin -, alsof een tegen de muur op dansend vliegje plots mijn aandacht trekt. Misschien lach ik vertederd naar onze baby, alsof die op dat moment iets bijzonders of nieuws doet. Zo koppel ik de suggestie van het gerecht – pizza – aan een moment van gemeenschappelijke liefde en verwondering. Ik probeer een associatie te bewerkstelligen waardoor mijn metgezel – mijn vriendin dus – bij het horen van het woord ‘pizza’ aan de eerste glimlach, het eerste woordje of de eerste stapjes van ons kind denkt, en er dan naar gaat verlangen. Dat probeer ik op zo’n moment allemaal voor elkaar te krijgen, denk ik.

Weten doe ik het niet zeker, omdat deze processen zich goeddeels onbewust voltrekken. Met het schrijven van deze stuckjes probeer ik die processen bloot te leggen, maar ook dat weet ik niet zeker; zoals gezegd gebeurt het onbewust. Ik schrijf dus vooral voor mezelf, kan ik hieruit concluderen, maar dat geldt voor alle schrijvers. Of ze het nu doen om geld te verdienen, de eigen psyche uit te diepen of inzichten te delen met de wereld, de grondmotivatie ligt in het vervullen van de individuele behoefte om woorden te geven aan gevoelens en gedachten en die te delen met de wereld. Een ander uit zich met verf, voedsel of vernis.

Over voedsel gesproken: pizza. Het wordt mij – mezelf – allemaal een beetje te hoogdravend en dus sla ik het plat met mijn favoriete banale gerecht, banaal als in plat als in een pizza is platgeslagen deeg met beleg. De vorm is plat, net als de wereld dat ooit was. Dat waren simpeler tijden.

Einde.

Het meisje van pizza

Het meisje is klein en dik. Ze wordt door haar vader in een band, met zwembandjes om, het lauwwarme zeewater in geleid. De vader is nog veel dikker en ouder dan zijn dochter. Hij heeft een snor en draagt een wit t-shirt.

Het meisje gilt aan één stuk door van opwinding, ook in het ondiepe deel. De vader kijkt onberoerd en geleidt haar langzaam verder. Hij is nat tot aan zijn buik.

Later loopt het meisje over het strand. Ze heeft een ijsje. Ze loopt achter haar vader aan, die geen ijsje heeft. Ze draagt een t-shirt met een plaatje. Het duurt even voordat het goed zichtbaar is, maar als ze stopt omdat ze iets in het zand ziet liggen, blijkt het een afbeelding te zijn van een pizzapunt. Het is echter geen normale pizzapunt. Deze heeft armen en benen en een gezicht en hij heeft een camera vast. Het onderschrift bij het plaatje is ‘Pepperazzi’.

Het meisje zit thuis in haar kamer. Haar vader leest beneden de krant. Het meisje draagt het t-shirt nog steeds en ze maakt huiswerk aan haar bureau wat de vorm heeft van een steenoven. De ronde bovenkant is niet echt handig om op te schrijven, maar haar benen passen goed in de opening waar normaal de pizza’s liggen te bakken. Ze heeft geen etui of pennenhouder, maar een klomp deeg waar haar schrijfwaar en andere materialen, zoals een liniaal en een passer, insteken. Ze probeert haar wiskunde boek met een paar door midden gesneden tomaten te balanceren, iets wat steeds minder goed lukt, omdat de tomaten langzaam al hun vocht verliezen. Ze werkt aan een lastige som. Het is de stelling van Pizzagoras.

Alles in haar kamer is pizza. Haar bed heeft een matras van Mozzarella, heerlijk zacht, maar niet erg hygiënisch. De lamp is een inmiddels bruin geworden champignon, vastgeprikt op een omgekeerde pizzaschep, met een peertje van ananas. De gordijnen zijn twee enorme plakken gedroogde ham, hangend aan een rail van parmezaan. Iedere keer als ze ze dicht doet, vallen er stukjes kaas op haar tapijt van basilicum en oregano. Haar kledingkast is een half opengesneden paprika, waarin de pitjes fungeren als hangers. Die zijn niet zo sterk, dus valt alles op de grond, maar dat maakt niet uit want ze draagt toch altijd hetzelfde t-shirt.

Aan de muur hangt een foto van het meisje en haar vader. Ze poseren voor een scheefstaand, rond gebouw. Het is de toren van Pizza.

Haar hele kamer stinkt. Alle ingrediënten zijn aan het rotten. Maar ze vindt het niet erg. Vanavond gaan ze uit eten, naar de pizzeria. Daar eet ze pizza en betaalt haar vader met Vizza.

Haar hele kamer stinkt. Haar t-shirt stinkt, want ze heeft het altijd aan. Het meisje stinkt. Ze is dik. Ze wordt steeds dikker. Waarschijnlijk net zo dik als haar vader. Maar het maakt niet uit. Het meisje is gelukkig.