Een hoofd van diamant

Het is vijf jaar geleden.

Vijf jaar geleden dat mijn zusje mij huilend opbelde in Spanje, na een verzengende stranddag op een Andalusisch strand. ‘Rem, ben je daar? Rem, er is iets heel ergs gebeurd.’

Het is vijf jaar geleden. Vijf jaar waarin behalve het verstrijken van de tijd eigenlijk heel weinig is veranderd. Ze zijn nog steeds dood, allemaal, verpulverd in de lucht. De oorzaak van hun overlijden is nog even onzinnig en onnodig als hij toen was. Zij hebben al vijf jaar leven gemist en zijn al vijf jaar een gemis.

Juridische trajecten zijn opgestart, maar veel is nog onduidelijk. Het is vijf jaar geleden, maar zal nog zeker twee keer zo lang duren voordat we iets van duidelijkheid hebben. De vraag is bovendien hoe duidelijk het ooit zal worden en of, als er eenmaal duidelijkheid is, we het dan wél zullen begrijpen. Ons brein is daarvoor wellicht te beperkt.

Het is vijf jaar geleden en ik heb er een hard hoofd in dat we het ooit zullen weten. Voor de nabestaanden is er al vijf jaar iets mis, een gemis, en dat komt nooit meer goed. De onmogelijkheid daarvan is een dagelijkse stomp in de ziel.

Het is vijf jaar geleden en ik heb er een hard hoofd in dat met de jaren steeds harder wordt. Een hoofd waarmee ik door ruiten kan slaan. Door muren, door denkbeeldige grenzen, bedacht door mensen die we verdenken.

Het is vijf jaar geleden en mijn hoofd is van steen. Graniet ligt op de loer.

Maar…

Het is vandaag twee maanden geleden dat mijn tweede zoon werd geboren. Ik zeg ‘maar’, want zijn geboorte is tegengesteld aan de dood. Zeker aan die van hen.

Het is vijf jaar geleden dat mijn vader een dochter en twee kleinkinderen verloor. In de afgelopen vijf jaar kreeg hij er vier kleinkinderen bij en in die vijf jaar zijn er ook familieleden gestorven. Het is makkelijker vrede hebben met de natuur.

Het is vijf jaar geleden. Vijf jaren, 260 weken, 1826 dagen. De tijd heelt niet alle wonden. Het spreekwoord is onwaar. We zullen moeten zien hoe het over nog eens vijf jaar is, maar ik heb er een hard hoofd in. Tegen die tijd is het van diamant.

Het vrouwenlichaam: de perfecte machine

Na de geboortes van mijn twee zoons en het door mij ter gemoedsrust verrichte research in de aanloop naar hun geboortes naar hoe het vrouwenlichaam die geboortes allemaal handelt, dacht ik niet meer respect voor de vrouw en haar lichaam en de natuur te kunnen hebben. Ja, ik weet dat deze zin niet deugt, dat hij lelijk is en drie keer het woord ‘geboortes’ bevat, maar dat komt door het slaaptekort. We hebben niet alleen een baby die drie á vier keer per nacht wakker wordt, maar ook een peuter die dat doet, zij het op andere tijden.

Net als wij moet hij wennen aan de nieuwe situatie; het nieuwe huis, het nieuwe broertje en zijn nieuwe kinderopvang. Maar in tegenstelling tot ons doet hij dat wennen niet door rust te nemen, te acclimatiseren en af en toe een koel drankje te drinken in de tuin, maar door te rennen, te schreeuwen en zichzelf om te rollen in de aarde van diezelfde tuin waar wij toeven met koele drankjes. De tuin is nog niet af namelijk, dus word je er snel vies, als je 2,5 bent en de wereld om je heen verandert.

Zijn binnenwereld verandert ook. Hij snapt meer, weet meer, beseft meer, maar de uiting van al die gedachtes en gevoelens is vooralsnog primair. Oorzaak –> gevolg is voor hem nog een abstract concept. Er is geen nuance, geen grijs gebied. Alles moet nu. Hij wil dat, op dit moment, en hij wil het zo en anders niet JAWEL IK WIL HET WEL GEEF HET NU!

Maar even genoeg over mijn zoontje, want ik wil niet zo iemand zijn die alleen maar over zijn kinderen schrijft omdat hij verder niets meer meemaakt, met een peuter en een baby in zijn gezinswoning in Oostzanerwerf, ook al ligt die situatieschets dichter bij de realiteit dan de schrijver wellicht wil toegeven.

Het vrouwenlichaam, daar wil ik het over hebben. De perfecte machine. Flabbergasted was ik, toen ik leerde wat dat lichaam allemaal doet vóór de zwangerschap, uiteraard ook tijdens, maar vooral gedurende de bevalling. Ik zal niemand vervelen met details – het is bovendien leuker om het zelf uit te zoeken – maar in vergelijking zijn wij mannen maar onnozele wezens. Blunt tools, dommekrachten, lompe lijpkikkers.

Ook na de zwangerschap en de bevalling is dat vrouwenlichaam (natuurlijk) nog fantastische dingen aan het doen. Voorbeeld: het is bloedheet deze dagen, en onze baby lijkt vaker te willen drinken dan normaal, voor zover een levensvorm van een maand oud een ‘normaal’ heeft. Ik vroeg dus aan mijn vriendin of we hem geen water konden geven, gewoon even een (gewassen!) vinger in een glas (gefilterd!) water dopen en dan z’n mondje bevochtigen. Mijn vriendin wist niet zeker of dat al mag, dus zocht ik het op. Wat blijkt? De eerste zes maanden mag het niet. Maar het vrouwenlichaam heeft er natuurlijk iets op gevonden: bij warm weer wordt de moedermelk vanzelf iets wateriger, zodat tijdens het voeden in de toegenomen hydrateringsbehoefte van de baby wordt voorzien.

Respect, vrouwenlichaam. Respect.

Was getekend,
Een onnozele homp man

Lees het artikel via Blendle.

Shuffelen tot in het oneindige

We gingen naar Artis met onze zoons. Dat is nu meervoud. Mijn vriendin en ik liepen ieder achter een kinderwagen door de dierentuin en keken elkaar af en toe aan met een blik van ‘moet je ons nou eens veel ruimte in zien nemen’. Eén keer zeiden we dat ook tegen elkaar. De blikken waren vervolgens een onuitgesproken herhaling en bevestiging van die zin, hoewel ze ook hadden geleid tot het uitspreken ervan. De uitgesproken zin was de as waaromheen de blikken draaiden. De zon in ons blikkenstelsel.

Maar dat is niet de crux van dit verhaal, noch de aanleiding. We waren in Artis omdat ons zoontje van 2,5 van dieren houdt en we het een fijn park vinden, want dat is wat het ook is. Je kunt je voorstellen dat er verschillen zijn tussen dierentuinen en dat een dier in Artis het best goed getroffen heeft, als het dan toch in een dierentuin moet leven. In het wild is natuurlijk altijd beter, want daar zitten dieren niet gevangen. Voor hen is het niet het wild, maar het thuis, wat zowat onbegrensd is. Voor ons is het wild, want gevaarlijk, en daarom sluiten we ze op, zodat we ze kunnen zien zonder dat we worden gegeten.

Een dierentuin is dus, in feite, een gevangenis, want de dieren kunnen en mogen niet weg. Het is niet zo dat ze er voor straf zitten – en daar loopt de vergelijking dan ook spaak – maar er zijn hekken, netten en tralies, vaste voeder-, slaap- en speeltijden en bij een uitbraak (ontsnapping) is de kans aanzienlijk dat dat het dier in zijn vlucht wordt gestuit, desnoods met geweld, met heropsluiting tot gevolg.

Het heeft ook wel degelijk invloed op de dieren, vastzitten op een plek, hoe mooi de omgeving ook is en hoe goed ze ook verzorgd worden. De luipaarden liepen langs het net, blazend en grommend. De olifanten stonden wiegend voor het hek, terwijl mensen ze filmden en fotografeerden. Eén van de stekelvarkens voerde een solistische technodans op, een dierlijke shuffle tot in het oneindige. Hij werd bekeken door een groep mannelijke middelbare scholieren die helemaal gek gingen door het geflipte beest. ‘Hij doet dit al een uur!’ riep één van hen, maar volgens mijn schoonmoeder deed hij het een paar weken geleden ook al. Het is gewoon wat dit stekelvarken doet, shuffelen voor een hek, omdat het een beetje gek is geworden van zijn omheinde leven. Elk rondje door de kooi is niet een nieuw rondje. Het dier vergeet niet waar het is geweest, en weet dus dat het altijd dezelfde plek is. Het dier bevindt zich in een loop, en voelt dat ook, maar vanuit een onvermogen dat verbaal te communiceren begint het te shuffelen. Shuffelen tot in het oneindige.

Ik wil niet zo iemand zijn die in een dierentuin jammert over hoe zielig het is voor de dieren, maar als dat stekelvarken een mens was geweest, zei ik tegen mijn vriendin, zou ik het therapie aanraden.

Mythische tante Riet

Even een stukje over mijn tante Riet.

Twee weken geleden was er in Delft een reünie van mijn vaders kant van de familie, de De Ridders. De vader van mijn vader, Koos de Ridder, was drie keer getrouwd geweest en had acht kinderen voortgebracht, vijf uit zijn eerste, en drie uit zijn tweede huwelijk, onder wie mijn vader. Koos de Ridder overleed in 1994, op 96-jarige leeftijd. Mijn opa was dus geboren in 1898, iets wat mijn vriendjes op de basisschool niet konden bevatten, en was tot vlak voor zijn overlijden zo gezond dat veel familieleden dachten dat het hem misschien wel zou lukken om in drie verschillende eeuwen te leven. Het mocht niet zo zijn.

Zijn oudste kind was Riet, halfzus van mijn vader, en degene die als een moeder over hem waakte toen zijn moeder – de tweede vrouw van mijn opa Koos dus – overleed. Tante Riet had voor mijn zusje en mij altijd een soort mythische status, omdat ze de oudere zus was van onze vader en hij altijd zo liefkozend over haar sprak. Omdat ze zo kwiek was, lief, geïnteresseerd en helder van geest.

Tijdens de reünie droeg ze, op 97-jarige leeftijd, een versje voor, uit haar hoofd. En niet een paar regels hè, nee, een heel verhaal. Ik heb het niet getimed, maar het moet ruim vijf minuten hebben geduurd. Kraakhelder en foutloos articuleerde ze de woorden die haar jongere broer (93), die naast haar zat, leken te emotioneren. Misschien deed het versje hem denken aan vroeger en de regenachtige zondagen waarop ze het voor hem en zijn broers zong, nog voor de televisie bestond. Misschien dacht hij vooruit aan straks, aan het nakende einde van een generatie.

Hele oude mensen, die de dagen zat zijn, zeggen vaak ‘het is goed zo’. Maar toch. Het besef van en de confrontatie met de eindigheid laat geen mens onberoerd. Het is de definitie van het leven, dat niet zou bestaan zonder de dood.

Toen het versje klaar was, kreeg tante Riet een groot applaus. Men was diep onder de indruk. ‘U heeft een beter geheugen dan ik’ riep ik gekscherend, zonder dat het een grap was.

Toen iedereen elkaar aan het einde van de middag gedag zei, zag ik haar zitten, naast mijn vader, inmiddels ook 82. Naast haar was hij echt een jongere broer. Jeugdig zelfs, met een onschuldige, meewarige blik in zijn ogen. De geborgenheid die hij bij zijn zus voelde, die hij bij haar altijd al had gevoeld, was er nog steeds.

Dit is misschien wel de laatste keer dat ik haar zie, dacht ik, en ik gaf haar drie volle zoenen, waar een hand gebruikelijker was geweest.

Na de reünie hoorde ik van mijn moeder dat Riet ziek was en zich niet meer wilde laten behandelen. Twee weken later, afgelopen maandag 6 mei, is ze ingeslapen. De reünie bleek een afscheid.

Vluchtig en zeldzaam

Zitten we weer, met dat gevoel. Wat benadert het het dichtst, vraag ik me af? Hartzeer? Rouwen? Ik besef dat het heel heftig is om dat soort kwalificaties te geven aan het verliezen van een spel, maar ik weet ook dat ik niet de enige ben die dit voelt. Er lijkt vandaag een katerige sluier over de stad te hangen. Men deelt in de euforie, maar ook in het verdriet.

Dat is natuurlijk ook het hele ding met sport, dat je collectief iets voelt. Mensen hebben elkaar nodig en zijn op allerlei manieren met elkaar verbonden, maar tegelijkertijd heerst het individualisme en is er onderling veelvuldig onbegrip. Sport verbroedert, luidt het cliché, zowel in de vreugde als in de deceptie. De collectieve ervaring maakt het zo groot, zo episch, zo emotioneel. Het biedt ook troost, weten dat heel veel mensen zich (ongeveer) hetzelfde voelen als jij. Want, en het is weer een cliché, gedeelde smart is halve smart. Maar ook hier snijdt het mes aan twee kanten (kap nou!), want het collectieve karakter van de smart draagt bij aan de noodlottigheid. Als zoveel mensen zich zo voelen, immers, en niemand weet een uitweg, dan is het dus onontkoombaar, en echt zo erg als het voelt.

Een uitweg. Ik zocht er gisteravond en vannacht nog naar. Het geheime deurtje in mijn brein, leidend naar een andere realiteit. De goede realiteit, waarin Ajax niet had verloren en de finale haalde. Het vervolg op Real Madrid en Juventus. Op de overwinning in Londen. Maar het deurtje bleek – in ieder geval zonder LSD – niet te bestaan. Het besef kroop omhoog en nestelde zich, ondanks verwoed hoofdschudden, achter mijn ogen. Daar werd de wanhoop van de Ajax-spelers na het laatste fluitsignaal in een loop geprojecteerd.

Het is gestoord dat al deze emoties zich in hetzelfde spectrum bevinden. De overwinningen op Real Madrid en Juventus kon ik niet geloven, maar deze nederlaag ook niet. Ik zie die bal gaan, de verkeerde kant op. Ik zie hoe hij tussen de benen van Tagliafico en De Ligt doorrolt, en hoe de ongrijpbare Lucas Moura het ding in de hoek prikt. Ik zie het, maar wil het niet.

Weer dat gevoel dus. Het loopt als een rode draad door mijn leven. Ik voelde me zo toen Ajax na strafschoppen de finale van de Champions League verloor in 1996. Toen Nederland in de halve finale van het WK 98 werd uitgeschakeld door Brazilië, weer na strafschoppen. Na het EK van 2000, na de kwartfinale van de Champions League tegen Milan in 2003, en na de WK-finale van 2010. Ja, ook toen PSV in 2005 in de laatste minuut van de halve finale werd geëlimineerd door datzelfde Milan heerste dit gevoel. Door deze nederlaag komt het weer terug. Ik ben weer 14, 17, 20, 27. Deze nederlaag rijgt al die momenten aan elkaar, als een halsband van ongewenste herinneringen. Gaan we (Oranje of een Nederlandse club) internationaal ooit nog iets winnen, vraag ik me af. En zo ja, wanneer?

Want dát is de tragiek van dit verlies. Real Madrid, Juventus en Barça balen ook, maar die behouden hun sterren, voegen er eventueel nog wat aan het team toe en hebben binnenkort weer zicht op de trofee. Voor Ajax is er met deze groep spelers geen volgende kans, want het team zal uit elkaar vallen. Het succes was vluchtig, de zegetocht zeldzaam. Maar dat zijn de mooiste dingen.

Cynisme gemist

Nog één ding wil ik zeggen, over mijn tripje naar New York. Want ik ben al sinds vrijdag terug en de dagelijkse gang van zaken is weer teruggekeerd naar normaal, voor zover dat bestaat.

Donderdag was mijn laatste dag in de stad die altijd gaapt, althans dat dacht ik. Maanden leefde ik in de veronderstelling dat ik op 14 februari terug zou vliegen. Ik had alles daarop afgestemd: de boeking van mijn Airbnb, het aantal schone onderbroeken. En het klopte ook, die datum. 14 februari om 0:05u vertrok de vlucht en ik stond iets voor elven bij de incheckbalie. Iets voor elven, op 14 februari, snap je?

In films gebeurt het regelmatig dat mensen hun vlucht missen. ‘Dat lijkt me het ergste wat er is,’ denk ik, als ik mezelf in die situatie probeer te plaatsen. Want er komt veel logistiek bij kijken. De Airbnb-boeking dus, die in principe loopt tot de dag dat je vertrekt. Bedenken wat je gaat doen met je dag, omdat je vlucht pas die avond om 0:05u (!) is. Plannen maken. Timen. Anticiperen op zaken die anders lopen dan verwacht, zoals vertraagde metro’s en acute diarree. Je dealt met al die dingen, zodat je op tijd op het vliegveld bent, met al je ingepakte spullen, die op de een of andere manier minder goed in je rolkoffertje passen dan op de heenweg.

Alsof iemand een koude douche aan had gezet, zo voelden de woorden.

‘Ya missed ya flight, sir.’

‘No,’ antwoordde ik, in een futiele poging de realiteit te buigen.

De check-in mevrouw schoof mijn boekingsbevestiging naar me toe, en zei, terwijl ze haar vinger naar de met haar woorden corresponderende tekst bewoog: ’14 February.’ ‘Five past twelve.’

Het besef daalde met een ‘fuck’ en een ‘shit’ bij me in. Ik werd doorgestuurd naar de ‘major’ of ‘colonel’, een vrouw in een blazer die me verder zou helpen. Ik kon Norwegian Airlines bellen en vragen of ze mijn ticket om konden boeken, maar omdat ik het cheapste kutticket in de wereld had, achtte ze de kans klein dat ze iets voor me konden doen. Er was weer een vlucht om 0:05u – op 15 (!) februari dus -, maar die had nog slechts twee plekken, á 10 miljoen euro. Als ik een ticket wilde, moest ik nu beslissen, daar de vlucht over vijf minuten zou closen.

Ik keek om me heen en dacht ‘Nee, ik word niet zo’n loser die op een vliegveld slaapt, half op of over z’n bagage. Dat soort mensen heeft een verkeerde afslag genomen in het leven.’ Ik wilde naar huis, naar vrouw en kind. Dat moest ik ook.

‘It happens at least once a day,’ zei de general. Kennelijk vinden meer mensen het een verwarrend tijdstip. ‘Do you think they do this on purpose?’ vroeg ik, terwijl mijn creditcard werd geleegd. ‘No comment,’ antwoordde ze.

‘Je zou er bijna cynisch van worden,’ mompelde ik in mezelf terwijl ik naar de gate liep, met een gouden boarding pass in de hand. Maar voor cynisme was ik een dag te laat.

Dipshit

Iets wat ik nog niet heb verteld is dat ik de eerste dag in New York zoveel heb gelopen dat ik mijn linkervoet heb verneukt. Het probleem zit tussen mijn middenvoet en hiel en manifesteert zich als een zwelling die pijn doet zodra er druk op komt. Iedereen die kan lopen of weet wat lopen is zal snappen dat het een vervelende blessure is, zeker in een stad waar je veel loopt.

Maar ik soldier on, zoals ze dat hier zeggen. De pijn lijkt bij vlagen minder te worden, alsof ik plotseling genees, maar keert niet veel later onverminderd terug. Ik zou rust moeten houden, maar dat is hier onmogelijk. Wat het ook is, het zal moeten herstellen als ik weer thuis ben.

Wat niet hielp is dat ik eergisteren een sprongetje maakte om de stoep te bereiken (het had de hele dag gesneeuwd en al het ijs en smeltwater blijft in de goot staan) en ik daarbij iets hoorde knakken. Ik keek de hostess van The Late Show, waar ik naartoe op weg was, aan alsof er niets aan de hand was en strompelde naar de ingang met een gezicht vertrokken van pijn.

De symptomen duiden volgens Google op een ontsteking van de peesplaat. Het kan helpen om ijs tegen de zwelling te houden. Wat dat betreft was het een uitkomst dat ik nog ruim een uur in de sneeuw moest wachten voordat ik naar binnen mocht bij het Ed Sullivan theater, me de hele tijd afvragend of ik de rij zou verlaten en ergens een hamburger of pizza zou gaan eten. Maar zoals dat gaat met wachten, ben je naarmate je langer wacht geneigd langer te blijven wachten. Anders is het al gewachte voor niets geweest. Dus wachtte ik, in de kou, tot ik beide voeten niet meer voelde.

De show was prima en bevestigde dat we allemaal aapjes zijn. Wij, in het publiek, de klapaapjes. Stephen Colbert de presenteeraap, en alle mensen die achter de schermen werken de hulpaapjes. Allemaal aapjes die samen een show neerzetten die over niets gaat dan lucht, maar tegelijkertijd aantoont dat dat prima is.

Na de show vond ik dat ik wel een hamburger verdiend had. De Fedora burger van Bar Sardine in Greenwich Village had ik nog niet geprobeerd en dus hinkte ik naar de metro, met mijn telefoon met daarop Google Maps open in de hand. ‘You’re going the wrong way, dipshit,’ zei een gecapuchonde, vierkante Amerikaan tegen me. ‘Your’re going the wrong way, fuckface,’ riep ik terug, maar ik denk niet dat hij me hoorde.

De burger was superlekker en toen ik op de weg terug naar mijn Airbnb voor een stoplicht stond te wachten scheurde een FedEx busje dicht langs de stoep, waardoor al het ijs en smeltwater in de goot over de wachtende mensen, onder wie ik, heen kwam. ‘What the fuck!’ riep de man naast me. ‘Such an asshole!’

‘Yes,’ bevestigde ik wat hij zei. ‘But if this is what makes him happy, he’s got a a pretty sad life.’

Ik zou me er niet onder de laten krijgen. Niet door de bal onder mijn voet, de fuckface die me dipshit noemde, of het ijswater, dat me nu van top tot teen bedekte. De bal zal weer slinken, het water zal drogen en for your information, fuckface, ik ga wel degelijk de goede kant op.

Brooklyn (2/2)

Als je solo reist, zit je veel alleen in kroegen en restaurants. Dat zitten veel mensen hier sowieso. Eenzame mannen aan bars met hamburgers. Eenzame burgers. Maar dat is niet op elke plek even fijn. Je wilt dat er mensen zijn, dat er reuring is, zodat je je daar een beetje in kunt verstoppen. Maar het moet niet té uitbundig zijn, dat je het gevoel krijgt dat je op een feestje bent waarvoor je niet bent uitgenodigd. In je eentje in een lege tent, zonder dat je het barpersoneel kent, is ook niet fijn. Dan zal men zich misschien verplicht voelen met je te praten, en dat willen we niet, dat mensen dat voelen.

De Black Forest Brooklyn biergarten was perfect voor de situatie waarin ik me bevond en de behoeftes die ik had. Veel soorten bier, in grote glazen. De tent was voor 2/3 gevuld, met vriendengroepen, stelletjes en gezinnen. Aan de bar zaten twee kerels, ik denk Oost-Europees, en een losse, blonde man. Ik besloot me tussen hen in te positioneren, met aan weerszijden van me een reservekruk, bij wijze van buffer. Dichtbij genoeg om zomaar een gesprek aan te knopen en daarbij niet te hoeven schreeuwen, maar genoeg afstand om niet de verplichting te voelen een gesprek aan te gaan. Want, zoals eerder gezegd, dat willen we niet, dat gevoel.

Ik vroeg de barman, een zwarte reus met lang haar, of hij een goeie lokale IPA had. Ik kreeg een pint van ‘The Other Half’, gebrouwen in New York en heerlijk, en vertelde hem dat ik 12 jaar geleden aan de overkant had gewoond en hoe deze buurt sindsdien veranderd is. ‘I know,’ zei hij. ‘I grew up here.’ Ik vroeg hem of hij hier nog steeds woont en hij schudde vlug zijn hoofd. Mensen die hier zijn opgegroeid kunnen hier niet meer wonen.

Ik weet niet meer hoe we aan de praat raakten, maar voor ik het wist gaf ik de blonde man naast me ‘the disposition’ van Nederlanders ten opzichte van landen in de buurt. ‘The Germans are sympathetic’, ‘The French are xenophobic assholes’ en ‘The British have become the laughing stock of Europe, with their Brexit shenanigans.’ ‘But we do have a shared sense of humor,’ voegde ik eraan toe. Humor die Duitsers dan weer niet hebben. Hij was het vooral over de Fransen met me eens.

De man, wiens naam ik nog niet wist, had het gezicht van Peter Fonda en de stem van Jack Nicholson. Daar hield de vergelijking met Easy Rider wel op, want hij werkte in real estate. Ik vroeg hem of hij ooit zijn best moet doen om hier een huis te verkopen. Hij zei nee, maar dat het zo is dat de gebouwen beheerd worden door ‘coop’s’, de woningbouwverenigingen, en dat zij het laatste woord hebben over nieuwe bewoners. Met andere woorden, je kunt een huis gekocht hebben, de financiering rond, verhuisdozen ingepakt, maar als de ‘coop’ je niet ziet zitten gaat het feest niet door.

De man zei verder dat veel Amerikanen sinds Trump president is weer met de borst vooruit lopen en dat de verkiezingen in 2020 ‘exciting’ worden. Had hij op Trump gestemd, vroeg ik hem. Nee, op een ‘third party’. Welke zei hij niet.

Ik moest gaan, want ik zou met iemand anders wat gaan drinken (wat uiteindelijk mislukte omdat ik veel te veel had gefietst en uitgeput, onderkoeld, hongerig en aangeschoten verdwaalde in Bushwick). De man en ik hadden weinig tot niets met elkaar gemeen, en dat wisten we, maar het was toch – en misschien wel juist daardoor – een fijn gesprek geweest.

‘I’m Remco, by the way,’ zei ik, terwijl ik mijn hand uitstak. ‘Jack,’ antwoordde hij met een grijns.
———-
Deel 1 van dit verhaal staat hieronder. 👇🏼