Waar je was

Daar niemand me heeft gevraagd of ik nog weet waar ik was op 11 september 2001, vandaag 20 jaar geleden, zal ik het mezelf maar vragen:

‘Hé Remco, weet jij nog waar je was op 11 september 2001?’

Natuurlijk weet ik dat nog, wat een domme vraag. Ik was toen al 18, immers, en prima in staat om gebeurtenissen bewust mee te maken en te registreren, zodat ik ze me later (bijvoorbeeld nu) zou kunnen herinneren.

Ik was 18 en zat in mijn eerste jaar van de studie Film & Televisiewetenschappen – nu Media & Cultuur. Het was de tweede week van september, dus het studiejaar was pas net gestart. Ik volgde een college filmgeschiedenis, of iets dergelijks (dat herinner ik me minder goed), samen met mijn vriend René, die zijn propedeusejaar met mij nog wel een herkansing wilde geven.

Het was pauze en we verlieten de collegezaal, naar de hal van de Oudemanhuispoort. In die hal hing kennelijk een tv, want eromheen stond een grote groep studenten, sommigen met een blik van verwondering, anderen met een frons en open mond, en weer anderen uitdrukkingloos, omdat ze vermoedelijk nog niet wisten hoe ze zich moesten verhouden tot de gebeurtenissen op het scherm.

René en ik stopten en keken mee. We herkenden de Twin Towers, waarvan er één rookte. Niemand zei iets. Iedereen stond daar gewoon en keek. Pas toen er vanaf links een vliegtuigje het beeld in kwam vliegen, dat zich pardoes in de tweede toren boorde, was er een collectieve, doch ingehouden kreet van verbazing en schrik te horen.

Langzaam begon er iets te dagen van wat er aan de hand zou kunnen zijn, al was het te buitensporig om te beseffen. René liep weg van de tv om buiten een sigaret te roken en zijn ouders te bellen. ‘Zit je te kijken?’ Ja, ze zaten te kijken. Twee maanden eerder had hij nog op het dak van een van de torens gestaan, om de locatie te scouten voor zijn afstudeerfilm voor de New York Film Academy, waar ik zes jaar later een cursus screenwriting zou volgen.

De pauze was voorbij, maar we konden niet terug naar de collegezaal, daarvoor waren we te veel van slag (later zouden we colleges om minder skippen). Wat we toen wel zijn gaan doen kan me niet precies meer herinneren. Wel weet ik dat de rest van de week bijna non-stop naar de tv keek, thuis in Den Haag, waar ik toen nog woonde met mijn neef Dirk.

Keer op keer zag ik de vliegtuigen de torens in vliegen en keer op keer zag ik ze instorten. Ik verzamelde de kranten van die week en las alles wat ik erover kon lezen, alles om er maar iets van te kunnen snappen.

Door het naderende jubileum van de aanslagen speelde de obsessie een week of twee geleden weer op. Gevoed door de eindeloze, vaak opgepoetste beelden van die dag op YouTube en een nieuwe docureeks op Netflix kon ik mezelf verliezen in een combinatie van nostalgie om de vervlogen tijd en het herbeleven van de impact van een historische gebeurtenis.

We zijn dus 20 jaar verder en ja: ik weet nog waar ik was, net als mensen een generatie eerder nog weten waar ze waren toen Kennedy werd vermoord. Bijna alles in mijn leven is nu anders, de wereld eromheen ook, en het zijn dit soort trauma’s die als vishaken in het collectieve geheugen van de mensheid blijven hangen. Misschien zijn het wel de funderingspalen waarop dat hele geheugen rust.

Enfin, wellicht een domme vraag, maar weet jij nog waar je was?

Nuttig

Ik ben in Berlijn, alleen, en heb heel erg het idee dat ik mijn tijd hier ‘nuttig’ moet maken. Ik zet het tussen aanhalingstekens, omdat ik eigenlijk niet zo goed weet wat dat betekent of wat ik moet doen om dat doel te bereiken. Kan ik het nut van mijn verblijf afmeten aan hoeveel ik van de stad zie? En kwantificeer ik dat dan in de hoeveelheid kilometers die ik afleg, of het aantal landmarks dat ik bezichtig? Moet ik een minimaal aantal musea of andere culturele instellingen bezoeken, bij die en die plek *echt* even stoppen voor respectievelijk frühstück en bier, of een bepaald aantal uren van de dag buiten zijn? Of juist niet, met de drückende hitte alhier.

Iets waarvan ik denk dat ik het moet doen om mijn korte tijd hier (drie dagen) te benutten is schrijven. Schrijven is nu eenmaal wat ik doe, en een nieuwe plek biedt gewoonlijk nieuwe inspiratie. Tenminste, dat zou zo moeten zijn, maar wat als die inspiratie niet komt? Iemand (geen idee meer wie, maar ik weet nog wel dat ik diegene serieus nam) zei eens dat wachten op inspiratie lui is, zeker als je van schrijven – of andere creatieve inspanningen – je werk hebt gemaakt of wil maken. Dat tweede was lange tijd op mezelf van toepassing: ik werkte parttime in het onderwijs en probeerde daarnaast een fundament te leggen als schrijver. Een jaar of vijf geleden lukte het eerste; ik werd zowaar betaald voor mijn schrijfsels en kon ervan gaan leven.

Oneerbiedig gezegd zoekt ze het dus maar uit, de inspiratie, en ga ik gewoon aan de bak. Ik kan altijd nog een meta-stuckje schrijven over het schrijven zelf, wat het is, wat het betekent en of het nut heeft. Op die laatste vraag heb ik overigens het antwoord al en dat is nee.

Ik besprak bovenstaande – de druk om er hier wat (dan ook) van te maken, oftewel de verwachtingen waaraan ik voor mezelf moet voldoen – gisteravond met mijn vriend Rein, die hier momenteel verblijft om, jawel, te schrijven. Hij probeerde, goede vriend als hij is, die druk en verwachtingen bij me weg te nemen door te stellen dat het simpelweg hier zijn, zeker als vader van twee jonge kinderen, al genoeg is. Dat het sowieso nuttig is, wat ik hier ook doe of laat.

​Zo zou ik bij wijze van spreken drie dagen in mijn airconditioned hotelkamer kunnen blijven liggen, in bad of op bed voor de tv. Of mijn activiteitenschema beperken tot op parkbankjes voor me uit staren, slechts ademend, de mensen en gebeurtenissen om me heen observerend. Het is allemaal oké, en dat voel ik nu ook, al zal het gesprek met Rein en gisteravond in zijn geheel aan die innerlijke rust bijdragen. En vooruit, dat doen deze woorden ook.

Condenssporen van de tijd

Het moet een gevoel van rouw zijn geweest dat me naar Vijfhuizen leidde. Het is het gevoel dat, naast beklemming en somberte, al bijna een jaar als een sluier over de wereld ligt. Natuurlijk, er is ook de bezinning, het besef van hoe kwetsbaar onze realiteit is, maar de grondtoon van de ervaring van het mens-zijn sinds de houdgreep van corona is donker. Ik zal, ondanks mijn neiging naar de duistere kant van het gevoelsspectrum, niet de enige zijn die dat zo beleeft.
 
In Vijfhuizen is het Nationaal Monument MH17. Het ligt op de route naar mijn schoonouders, naar wie ik mijn kinderen wekelijks breng, en al veel vaker dacht ik tijdens die rit aan het monument en of ik het niet eens moest bezoeken. Het ligt er immers al drie jaar en schijnt een waardig eerbetoon te zijn, afgaand op wat ik erover las en zag. Maar zo’n monument, hoe mooi en waardig ook, is tegelijk een confrontatie met het trauma. En in dergelijke confrontaties heb je niet altijd zin.
 
Bovendien is de ramp al bijna 6,5 jaar geleden gebeurd. Daarmee is het niet minder erg, maar het doorleven van die gebeurtenis en alles eromheen lag in de jaren erna. Voor mij geldt dat ik dat doorleven met name deed tijdens het schrijven van mijn boek. Daarna was het boek niet gesloten, maar het markeerde wel de afsluiting van een verwerkingsfase. Dat de tijd en het leven gewoon doorwandelen, bijvoorbeeld door de geboortes van kinderen, maakt de stip van de tragedie op de horizon steeds kleiner.
 
Maar de laatste tijd moest ik er weer meer aan denken. Dat zal met de staat van de wereld te maken hebben. Het bleef dit keer niet bij gedachtes. Ik bracht mijn kinderen weg en reed vervolgens naar Vijfhuizen. Het monument ligt in een park, naast een snelweg, met daarachter een startbaan van Schiphol. Achter de voor alle slachtoffers geplante bomen stijgen voortdurend vliegtuigen op. Ook nu. Daar valt vanuit het bedwingen van het virus van alles over te zeggen, maar nu kwam het op me over als een wrange schoonheid.
 
Wrang, vanwege de confrontatie met datgene wat de 298 inzittenden van vlucht MH17 fataal is geworden, het vliegen zelf. Mooi, omdat de combinatie van de kalmte van het monument met de onverstoorbare gang van de vliegtuigen resulteerde in vreedzaamheid. Zij zijn dood, deze bomen groeien in hun naam, en de vliegtuigen vliegen verder. Het raderwerk van de machine stopt niet. Ook niet tijdens een voor onze generaties ongekende crisis.
 
Terwijl de vliegtuigen hun condenssporen boven mij uittrokken, besefte ik dat de doden geen weet hebben van corona. En van wel meer niet. Dat het dus onvoorstelbaar is hoe het leven er over vijf, zes jaar uit zal zien. Dat zij vijf, zes jaar vóór 17 juli 2014 nooit hadden kunnen bevroeden dat die datum met bloedrode inkt de geschiedenisboeken in zou gaan. En dat wij, de verderlevenden, die zomer bij ‘corona’ alleen nog dachten aan een Mexicaans biertje.
 
Toen ik terug naar de auto liep, daalde het volle gewicht van de werkelijkheid op me neer. Van de als een net over het land gespannen blauwe lucht. Van de jonge, groeiende boompjes, symbool voor de steeds langer geleden beëindigde levens. Van de houdgreep van corona, waaraan we ons op een dag weer zullen ontworstelen. Van de onverbiddelijkheid van de tijd, en van de vliegtuigen die blijven opstijgen en landen. Opstijgen en landen.

Prins Bira Formule 1 Podcast

Het was de afgelopen maand wat stiller op het schrijffront omdat het wat drukker was op het spreekfront. En dan niet spreken als in spreken voor een publiek in een zaal – want wie doet dat tegenwoordig nog -, maar in een microfoon.

Met René (Andriesen, red.) heb ik de afgelopen tijd gewerkt aan een podcast over Formule 1. ‘Formule 1?’ hoor ik je denken. Formule 1 ja. Sinds Max Verstappen meedoet ben ik de sport intensiever gaan volgen. De al eerdergenoemde René probeerde mij er in het verleden weleens voor te enthousiasmeren, maar dat had een averechts effect. Ik kon het maar niet boeiend vinden, de raceautootjes die meestal in colonne achter elkaar aanreden op een stuk asfalt in een natuurgebied. De races waren meestal ook helemaal niet boeiend – en zijn dat vaak nog steeds niet -, maar de sport is me met de jaren steeds meer gaan fascineren. Niet in de laatste plaats door de achtergrondverhalen die René me erover vertelde.

Het is een extreem klein gezelschap dat in staat is om Formule 1 wagens te besturen. Degenen die erin uitblinken zijn op één hand te tellen. De wegen die coureurs hebben moeten afleggen om de koningsklasse van de autosport te halen zijn bijna altijd meeslepend en op zijn minst interessant. En misschien nog belangrijker: je hoort die verhalen nergens. In ieder geval niet in de Nederlandse verslaggeving, die zich vooral richt op de technische en strategische kant van het racen, en chauvinistisch gejuich om ‘Onze Max!’.

René en ik willen, naast het bespreken van de races, de onvertelde verhalen achter de sport delen; over Prins Bira bijvoorbeeld, de eerste Thaise coureur die in de Formule 1 reed (en het podium haalde) en de naam van onze podcast nu ook op zijn palmares kan bijschrijven. Over Lella Lombardi, de eerste vrouw die punten scoorde in de Formule 1. Of de marktkoopman op de Albert Cuyp die ooit nog voor Minardi testte.

Om de daad bij het woord te voegen zijn we in de zomer wat demo’s gaan opnemen. Begin september hebben we de show gepitcht bij Dag & Nacht Media en de trailer en eerste aflevering staan inmiddels online! Met andere woorden: we gaan de podcast maken. Nee, zijn dat al aan het doen. En dat vinden we superleuk.

Het is de bedoeling dat we na elke race een aflevering opnemen, die op maandag verschijnt. In de raceloze weekends doen we een special. Denk aan een muzikale editie, het levensverhaal van een coureur, een stuk vergeten geschiedenis of een special over films. Dan komt onze studie ook nog een keer van pas.  

We (René en ik) zouden het natuurlijk geweldig vinden als je onze podcast gaat volgen. Dat kan op alle bekende podcastplatforms, zoals Apple Podcasts en Spotify, maar ook via de Twitter en Instagram pagina’s van de Prins Bira Formule 1 Podcast. En spreid het woord!  We willen iets moois en unieks neerzetten en daar kunnen we alle hulp bij gebruiken.

Eigengemaakte gehaktballen

Vandaag even een heel ander soort stuckje. Het is niet zozeer een stuckje, als wel een review, van een review. Want ik las deze review, hongerig, en hij bevat een aantal elementen waarvan ik behoorlijk ‘aan’ ging staan. Dat had vermoedelijk ook met de aanhoudende hitte te maken. En met de honger. Had ik al gezegd dat het warm is? Hé, het regent! Oké, daar gaan we.

Het begint al bij het begin, waar dingen vaak beginnen. Local Guide Ron zet ons direct op het verkeerde been door het woord ‘altijd’ in all caps te schrijven, gevolgd door het casual ‘even neem’. Rons stijl- en woordkeuze creëren een krachtig contrast, dat de lezer wakker schudt en zijn/haar aandacht vangt om die niet meer los te laten. Het verwart ook, de combinatie caps/casual, en vertelt ons to fasten our seatbelts, want het wordt een bumpige rit.

Aan het einde van nog dezelfde zin spreekt Ron over een ‘eigengemaakte’ bal, die hij niet eigen (zelf, red.) heeft gemaakt, maar door de uitbater van de snackbar is gemaakt. Een doordenkertje.

Achter de eigengemaakte bal staat ‘mayo’ staat tussen haakjes, alsof het niet belangrijk is, maar door het toch te noemen en uit te lichten (met haakjes) vertelt Ron ons dat de mayo wel degelijk van belang is, om niet te zeggen (superbelangrijk).

De gehaktbal is direct – als in: meteen – en kant en klaar – als in: hij is meteen klaar – te nuttigen tijdens het wachten op de rest van de bestelling. Met andere woorden: je kunt de eigengemaakte (niet door Ron) bal eten terwijl je op je eten wacht, wat een bal ook is (eten). Met andere woorden: Life imitates life. Met andere woorden: Ron is een levenskunstenaar. En een genie, zo zal later blijken, hoewel hij op dit punt nog maar weinig hoeft te bewijzen.

Ron beschouwt zichzelf ‘als een kenner van gehaktballen’. Jezelf als zodanig beschouwen is één ding. Een review schrijven over een gehaktbal en jezelf in die review vervolgens een kenner van gehaktballen noemen, waarmee je de zojuist door jezelf geschreven review van de nodige ‘gravitas’ voorziet, is in de ogen van deze medegehaltbalkenner – om niet te zeggen connaisseur – niets minder dan geniaal.

Concluderend moge het maar weer eens duidelijk zijn dat het internet een goed idee was, evenals de verwekking van Ron.

Na het lezen van de review ben ik overigens linea recta naar de snackbar in kwestie gereden om me tegoed te doen aan de door Ron zo volmondig geprezen bal. Ik moest er best even op wachten, maar dat kwam misschien omdat ik geen ander eten had besteld. De bal was het eten, en op eten zal altijd gewacht worden, zo zal de ongeschreven regel onder snackbaruitbaters zijn.

De bal bleek het wachten, Rons review en dit stuckje wat geen stuckje is bij lange na niet waard. Ron is dan wel een (taalkundig) genie, zijn smaak laat te wensen over.

Ex Amsterdam

De film Vanilla Sky (2001) maakte al voor de release furore met een shot van een verwarde Tom Cruise, rennend over een leeg Times Square. Dat shot was de ultieme teaser van een toen moeilijk te begrijpen film die mijn cinefiele vrienden en ik briljant vonden, ondanks dat we hem dus niet echt snapten. De film was laatst op tv en heeft de tand des tijds niet doorstaan, maar ik moest er wel aan denken toen ik zaterdagmiddag, normaal de piekdrukte, een rondje door Amsterdam fietste met de camera over mijn schouder.
 
Zo vaak maken we dit natuurlijk niet mee. Dat is maar goed ook, wilde ik eraan toevoegen, maar ik zie ook de merites van een geforceerde stap terug. Daarbij houd ik er rekening mee dat dit in de toekomst misschien nog wel vaker gaat gebeuren. Dit virus ‘is here to stay’, melden de kenners, en wie weet is dit nog maar het kleine broertje uit het gezin en stuurt hij binnenkort zijn grote broer op ons af omdat we zo onaardig tegen hem waren. Dat hoeft trouwens niet zoveel te zeggen. Het kleine broertje in ons gezin heeft al een sloop- en actieradius die zijn grote broer af en toe tot wanhoop drijft.
 
Omdat ik in Amsterdam-Noord woon moet ik tegenwoordig altijd naar de stad tóe, terwijl ik er voorheen middenin zat. Tussen mijn huis en het NDSM-gebied is het altijd rustig, maar tijdens de vaart met de pont bekroop me het naargeestige gevoel dat we naar een dode stad voeren. Een plek waar de mensen zich niet verschuilen, maar verdwenen zijn. Eenmaal aangemeerd bij Amsterdam-Centraal verdween dat gevoel niet helemaal en toen ik de verlaten bouwput voor het station zag werd het zelfs versterkt.
 
Het Damrak lag erbij als op een autovrije 1 januari, maar dan in de ontkiemende lente, en nog in het tijdperk voorafgaand aan vergaande globalisatie. Op De Dam stonden wel wat mensen, maar die leken meer op de kruimels in een afvoerput dan op toeristen met een doel. ‘Alles is dicht,’ riep een jongen met Amsterdamse tong tegen zijn vriend. Ook de inheemse bevolking liep er verdwaasd bij.
 
Op de naargeestigheid volgde een soort liefdesverdriet. Alsof ik na een niet goed afgesloten relatie mijn ex opzocht in de hoop iets van de oude magie te hervinden, maar erachter kwam dat ze al over me heen was, of er niet meer was. Het stemde melancholisch, alsof er echt iets voorbij is, terwijl ik ook weet – en hoop – dat dit niet voor altijd zal blijven duren. Maar zelfs met die wetenschap voelt het alsof er iets weg is wat niet terug zal keren, althans, niet in de vorm die het had.
 
Deze crisis gaat ons veranderen, dat doet het al. Op welke wijze kunnen we nog niet overzien, zoals de rups in de cocon nog niet weet dat hij als een vlinder zal herrijzen. Maar herrijzen zullen we, hoe groot Covids broer ook is. Daarvan verzekerde het in de zon glinsterende grachtenwater me, de in de wind wiegende bomen rond het Museumplein. Maar dit viel ook luguberder te interpreteren; als de natuur die ons uitzwaaide.
 
Om toch positief/humorvol af te sluiten wilde ik, naast een selectie van de foto’s die ik heb gemaakt, nog een paar observaties delen.
– Het is stil in de stad, waardoor sommige geluiden extra opvallen. Zo is het getik van stoplichten, om mensen met een zichtbeperking te helpen oversteken, loeihard.
– Er zijn nog veel meer duiven in Amsterdam dan ik dacht. Door de stilte hoorde ik ze voorbereidingen treffen voor het plegen van een coup.
– De muzikanten op de Dam spelen vals. In ieder geval degenen die er nog staan.
– Niet alleen het heelal dijt uit, ook de bouwputten in de stad. Zelfs nu er niemand is kun je bijna nergens langs.
– Een stad is niets zonder mensen.

Verzonnen tijd

Al dagenlang heb ik het gevoel dat ik iets moet schrijven omdat het einde van het jaar nadert. Tegelijkertijd erger ik me een beetje aan alle lijstjes en terugblikken en zou ik willen voorstellen dat we daar collectief mee kappen en het nieuwe jaar geruisloos inglijden, alsof er helemaal niks verandert, wat praktisch ook het geval is. We hebben het allemaal maar verzonnen hè, de dagen en kalenders. We hebben het verzonnen en maken er vervolgens een enorme deal van. Typisch mensengedrag.

Maar goed, de neiging blijft. Het was ook niet niks, dit verzonnen jaar. Nu we aan het eind ervan zijn beland blijf ik het gevoel houden dat ik nergens aan toe ben gekomen, maar dat kwam vermoedelijk omdat ik de hele tijd aan het rennen/uitgeput was. Er is wel degelijk wat gebeurd, hele fundamentele dingen zelfs, zoals een verhuizing en de nieuwe baby. En o ja, mijn tweede boek is af. Had ik dat al gezegd? Nee hè? (Ik weet heus wel dat ik dat niet al had gezegd, want ik ben ook weer niet zo moe dat ik de inhoud van twee alinea’s niet kan onthouden. Hoe heb ik anders een heel boek geschreven?)

Ironisch genoeg had ik voor mezelf als deadline voor het boek het einde van het jaar aangehouden, dat verzonnen nepjaar dus, maar het heeft wel gewerkt. Volgende week – nee, deze week – stuur ik het naar mijn uitgever en als zij het wat vindt – spannend spannend – kan ik er wel een stukje van delen. Zou dat niet tof zijn? Het zou heel tof zijn, want het zou betekenen dat het wordt uitgegeven. Te tof voor woorden eigenlijk, dus ik hou er maar over op.

Al die levensveranderende en -bepalende dingen zijn dus gebeurd. Wat ook is gebeurd, is dat ik een jaar lang weer muziek heb geluisterd en daarvan een selectie heb gemaakt zodat andere mensen al die muziek niet hoeven te luisteren en meteen met de (50) kersen op de taart kunnen beginnen. Die lijst deel ik hieronder middels een link naar Spotify. ‘Volg’ de lijst gerust, zodat je ‘m gerust kunt luisteren, en check vooral de artiesten en albums uit van de liedjes die je goed vindt, dat doe ik namelijk ook. Ik wil niet zeggen dat je alles moet doen wat ik doe – integendeel -, maar wel dat het ontdekken van nieuwe muziek een van de grootste geneugten des levens is. Dit heb ik al eens in ongeveer precies dezelfde bewoordingen gezegd, maar dat bewijst alleen maar hoe belangrijk ik het vind. Anders zou ik zoiets nooit doen, mezelf herhalen.

Goed, dit moet ook weer niet te lang worden allemaal. Bedankt voor het lezen, bedankt voor het lezen van mijn stuckjes het afgelopen jaar en alvast bedankt voor het blijven lezen in het fictieve 2020. Laten we hopen dat ik een nieuw boek op je plank leg.

Remco

>>> Best van 2019 (Spotify) <<< 

Een hoofd van diamant

Het is vijf jaar geleden.

Vijf jaar geleden dat mijn zusje mij huilend opbelde in Spanje, na een verzengende stranddag op een Andalusisch strand. ‘Rem, ben je daar? Rem, er is iets heel ergs gebeurd.’

Het is vijf jaar geleden. Vijf jaar waarin behalve het verstrijken van de tijd eigenlijk heel weinig is veranderd. Ze zijn nog steeds dood, allemaal, verpulverd in de lucht. De oorzaak van hun overlijden is nog even onzinnig en onnodig als hij toen was. Zij hebben al vijf jaar leven gemist en zijn al vijf jaar een gemis.

Juridische trajecten zijn opgestart, maar veel is nog onduidelijk. Het is vijf jaar geleden, maar zal nog zeker twee keer zo lang duren voordat we iets van duidelijkheid hebben. De vraag is bovendien hoe duidelijk het ooit zal worden en of, als er eenmaal duidelijkheid is, we het dan wél zullen begrijpen. Ons brein is daarvoor wellicht te beperkt.

Het is vijf jaar geleden en ik heb er een hard hoofd in dat we het ooit zullen weten. Voor de nabestaanden is er al vijf jaar iets mis, een gemis, en dat komt nooit meer goed. De onmogelijkheid daarvan is een dagelijkse stomp in de ziel.

Het is vijf jaar geleden en ik heb er een hard hoofd in dat met de jaren steeds harder wordt. Een hoofd waarmee ik door ruiten kan slaan. Door muren, door denkbeeldige grenzen, bedacht door mensen die we verdenken.

Het is vijf jaar geleden en mijn hoofd is van steen. Graniet ligt op de loer.

Maar…

Het is vandaag twee maanden geleden dat mijn tweede zoon werd geboren. Ik zeg ‘maar’, want zijn geboorte is tegengesteld aan de dood. Zeker aan die van hen.

Het is vijf jaar geleden dat mijn vader een dochter en twee kleinkinderen verloor. In de afgelopen vijf jaar kreeg hij er vier kleinkinderen bij en in die vijf jaar zijn er ook familieleden gestorven. Het is makkelijker vrede hebben met de natuur.

Het is vijf jaar geleden. Vijf jaren, 260 weken, 1826 dagen. De tijd heelt niet alle wonden. Het spreekwoord is onwaar. We zullen moeten zien hoe het over nog eens vijf jaar is, maar ik heb er een hard hoofd in. Tegen die tijd is het van diamant.