Cynisme gemist

Nog één ding wil ik zeggen, over mijn tripje naar New York. Want ik ben al sinds vrijdag terug en de dagelijkse gang van zaken is weer teruggekeerd naar normaal, voor zover dat bestaat.

Donderdag was mijn laatste dag in de stad die altijd gaapt, althans dat dacht ik. Maanden leefde ik in de veronderstelling dat ik op 14 februari terug zou vliegen. Ik had alles daarop afgestemd: de boeking van mijn Airbnb, het aantal schone onderbroeken. En het klopte ook, die datum. 14 februari om 0:05u vertrok de vlucht en ik stond iets voor elven bij de incheckbalie. Iets voor elven, op 14 februari, snap je?

In films gebeurt het regelmatig dat mensen hun vlucht missen. ‘Dat lijkt me het ergste wat er is,’ denk ik, als ik mezelf in die situatie probeer te plaatsen. Want er komt veel logistiek bij kijken. De Airbnb-boeking dus, die in principe loopt tot de dag dat je vertrekt. Bedenken wat je gaat doen met je dag, omdat je vlucht pas die avond om 0:05u (!) is. Plannen maken. Timen. Anticiperen op zaken die anders lopen dan verwacht, zoals vertraagde metro’s en acute diarree. Je dealt met al die dingen, zodat je op tijd op het vliegveld bent, met al je ingepakte spullen, die op de een of andere manier minder goed in je rolkoffertje passen dan op de heenweg.

Alsof iemand een koude douche aan had gezet, zo voelden de woorden.

‘Ya missed ya flight, sir.’

‘No,’ antwoordde ik, in een futiele poging de realiteit te buigen.

De check-in mevrouw schoof mijn boekingsbevestiging naar me toe, en zei, terwijl ze haar vinger naar de met haar woorden corresponderende tekst bewoog: ’14 February.’ ‘Five past twelve.’

Het besef daalde met een ‘fuck’ en een ‘shit’ bij me in. Ik werd doorgestuurd naar de ‘major’ of ‘colonel’, een vrouw in een blazer die me verder zou helpen. Ik kon Norwegian Airlines bellen en vragen of ze mijn ticket om konden boeken, maar omdat ik het cheapste kutticket in de wereld had, achtte ze de kans klein dat ze iets voor me konden doen. Er was weer een vlucht om 0:05u – op 15 (!) februari dus -, maar die had nog slechts twee plekken, á 10 miljoen euro. Als ik een ticket wilde, moest ik nu beslissen, daar de vlucht over vijf minuten zou closen.

Ik keek om me heen en dacht ‘Nee, ik word niet zo’n loser die op een vliegveld slaapt, half op of over z’n bagage. Dat soort mensen heeft een verkeerde afslag genomen in het leven.’ Ik wilde naar huis, naar vrouw en kind. Dat moest ik ook.

‘It happens at least once a day,’ zei de general. Kennelijk vinden meer mensen het een verwarrend tijdstip. ‘Do you think they do this on purpose?’ vroeg ik, terwijl mijn creditcard werd geleegd. ‘No comment,’ antwoordde ze.

‘Je zou er bijna cynisch van worden,’ mompelde ik in mezelf terwijl ik naar de gate liep, met een gouden boarding pass in de hand. Maar voor cynisme was ik een dag te laat.

Dipshit

Iets wat ik nog niet heb verteld is dat ik de eerste dag in New York zoveel heb gelopen dat ik mijn linkervoet heb verneukt. Het probleem zit tussen mijn middenvoet en hiel en manifesteert zich als een zwelling die pijn doet zodra er druk op komt. Iedereen die kan lopen of weet wat lopen is zal snappen dat het een vervelende blessure is, zeker in een stad waar je veel loopt.

Maar ik soldier on, zoals ze dat hier zeggen. De pijn lijkt bij vlagen minder te worden, alsof ik plotseling genees, maar keert niet veel later onverminderd terug. Ik zou rust moeten houden, maar dat is hier onmogelijk. Wat het ook is, het zal moeten herstellen als ik weer thuis ben.

Wat niet hielp is dat ik eergisteren een sprongetje maakte om de stoep te bereiken (het had de hele dag gesneeuwd en al het ijs en smeltwater blijft in de goot staan) en ik daarbij iets hoorde knakken. Ik keek de hostess van The Late Show, waar ik naartoe op weg was, aan alsof er niets aan de hand was en strompelde naar de ingang met een gezicht vertrokken van pijn.

De symptomen duiden volgens Google op een ontsteking van de peesplaat. Het kan helpen om ijs tegen de zwelling te houden. Wat dat betreft was het een uitkomst dat ik nog ruim een uur in de sneeuw moest wachten voordat ik naar binnen mocht bij het Ed Sullivan theater, me de hele tijd afvragend of ik de rij zou verlaten en ergens een hamburger of pizza zou gaan eten. Maar zoals dat gaat met wachten, ben je naarmate je langer wacht geneigd langer te blijven wachten. Anders is het al gewachte voor niets geweest. Dus wachtte ik, in de kou, tot ik beide voeten niet meer voelde.

De show was prima en bevestigde dat we allemaal aapjes zijn. Wij, in het publiek, de klapaapjes. Stephen Colbert de presenteeraap, en alle mensen die achter de schermen werken de hulpaapjes. Allemaal aapjes die samen een show neerzetten die over niets gaat dan lucht, maar tegelijkertijd aantoont dat dat prima is.

Na de show vond ik dat ik wel een hamburger verdiend had. De Fedora burger van Bar Sardine in Greenwich Village had ik nog niet geprobeerd en dus hinkte ik naar de metro, met mijn telefoon met daarop Google Maps open in de hand. ‘You’re going the wrong way, dipshit,’ zei een gecapuchonde, vierkante Amerikaan tegen me. ‘Your’re going the wrong way, fuckface,’ riep ik terug, maar ik denk niet dat hij me hoorde.

De burger was superlekker en toen ik op de weg terug naar mijn Airbnb voor een stoplicht stond te wachten scheurde een FedEx busje dicht langs de stoep, waardoor al het ijs en smeltwater in de goot over de wachtende mensen, onder wie ik, heen kwam. ‘What the fuck!’ riep de man naast me. ‘Such an asshole!’

‘Yes,’ bevestigde ik wat hij zei. ‘But if this is what makes him happy, he’s got a a pretty sad life.’

Ik zou me er niet onder de laten krijgen. Niet door de bal onder mijn voet, de fuckface die me dipshit noemde, of het ijswater, dat me nu van top tot teen bedekte. De bal zal weer slinken, het water zal drogen en for your information, fuckface, ik ga wel degelijk de goede kant op.

Brooklyn (2/2)

Als je solo reist, zit je veel alleen in kroegen en restaurants. Dat zitten veel mensen hier sowieso. Eenzame mannen aan bars met hamburgers. Eenzame burgers. Maar dat is niet op elke plek even fijn. Je wilt dat er mensen zijn, dat er reuring is, zodat je je daar een beetje in kunt verstoppen. Maar het moet niet té uitbundig zijn, dat je het gevoel krijgt dat je op een feestje bent waarvoor je niet bent uitgenodigd. In je eentje in een lege tent, zonder dat je het barpersoneel kent, is ook niet fijn. Dan zal men zich misschien verplicht voelen met je te praten, en dat willen we niet, dat mensen dat voelen.

De Black Forest Brooklyn biergarten was perfect voor de situatie waarin ik me bevond en de behoeftes die ik had. Veel soorten bier, in grote glazen. De tent was voor 2/3 gevuld, met vriendengroepen, stelletjes en gezinnen. Aan de bar zaten twee kerels, ik denk Oost-Europees, en een losse, blonde man. Ik besloot me tussen hen in te positioneren, met aan weerszijden van me een reservekruk, bij wijze van buffer. Dichtbij genoeg om zomaar een gesprek aan te knopen en daarbij niet te hoeven schreeuwen, maar genoeg afstand om niet de verplichting te voelen een gesprek aan te gaan. Want, zoals eerder gezegd, dat willen we niet, dat gevoel.

Ik vroeg de barman, een zwarte reus met lang haar, of hij een goeie lokale IPA had. Ik kreeg een pint van ‘The Other Half’, gebrouwen in New York en heerlijk, en vertelde hem dat ik 12 jaar geleden aan de overkant had gewoond en hoe deze buurt sindsdien veranderd is. ‘I know,’ zei hij. ‘I grew up here.’ Ik vroeg hem of hij hier nog steeds woont en hij schudde vlug zijn hoofd. Mensen die hier zijn opgegroeid kunnen hier niet meer wonen.

Ik weet niet meer hoe we aan de praat raakten, maar voor ik het wist gaf ik de blonde man naast me ‘the disposition’ van Nederlanders ten opzichte van landen in de buurt. ‘The Germans are sympathetic’, ‘The French are xenophobic assholes’ en ‘The British have become the laughing stock of Europe, with their Brexit shenanigans.’ ‘But we do have a shared sense of humor,’ voegde ik eraan toe. Humor die Duitsers dan weer niet hebben. Hij was het vooral over de Fransen met me eens.

De man, wiens naam ik nog niet wist, had het gezicht van Peter Fonda en de stem van Jack Nicholson. Daar hield de vergelijking met Easy Rider wel op, want hij werkte in real estate. Ik vroeg hem of hij ooit zijn best moet doen om hier een huis te verkopen. Hij zei nee, maar dat het zo is dat de gebouwen beheerd worden door ‘coop’s’, de woningbouwverenigingen, en dat zij het laatste woord hebben over nieuwe bewoners. Met andere woorden, je kunt een huis gekocht hebben, de financiering rond, verhuisdozen ingepakt, maar als de ‘coop’ je niet ziet zitten gaat het feest niet door.

De man zei verder dat veel Amerikanen sinds Trump president is weer met de borst vooruit lopen en dat de verkiezingen in 2020 ‘exciting’ worden. Had hij op Trump gestemd, vroeg ik hem. Nee, op een ‘third party’. Welke zei hij niet.

Ik moest gaan, want ik zou met iemand anders wat gaan drinken (wat uiteindelijk mislukte omdat ik veel te veel had gefietst en uitgeput, onderkoeld, hongerig en aangeschoten verdwaalde in Bushwick). De man en ik hadden weinig tot niets met elkaar gemeen, en dat wisten we, maar het was toch – en misschien wel juist daardoor – een fijn gesprek geweest.

‘I’m Remco, by the way,’ zei ik, terwijl ik mijn hand uitstak. ‘Jack,’ antwoordde hij met een grijns.
———-
Deel 1 van dit verhaal staat hieronder. 👇🏼

Brooklyn (1/2)

Gisteren besloot ik een toertje te maken door Brooklyn. Eerst met een bus naar Dumbo, om te schrijven in een van de 100.000 koffietenten hier, en dan een beetje wandelen door Brooklyn Heights, zo was het plan (die plannen worden elke dag aanzienlijk opgerekt).

Dumbo was 12 jaar geleden al compleet gegentrificeerd, maar het is nu nog cleaner. Alle oude haven- en fabrieksgebouwen zijn gerestaureerd en huizen nu reclamebureaus, vastgoedontwikkelaars, galerieën en onbetaalbare lofts. Maar het blijft een fijne plek, hier aan het water, onder de bruggen, waar zowaar ook jonge kinderen rondlopen. Die zie je, net als oude mensen, in grote delen van New York bijna niet. Zowat iedereen in deze stad is tussen de 25 en 45 jaar oud. De stad herbergt alles wat je op de wereld kunt vinden, op elk moment van de dag, maar het is tegelijkertijd een monocultuur, weinig tolerant voor hen zonder fysiek of financieel kapitaal.

In Brooklyn Heights gaat de leeftijd omhoog, maar is het niet veel diverser. Oude witte mannen en vrouwen met grote zonnebrillen en kleine honden. Maar het is er zo mooi. Eerst lopen over de promenade, dan linksaf slaan naar een van de fruitstraten (Cranberry, Orange, Pineapple) die je hardop in jezelf doen afvragen wat ervoor nodig is om ooit in zo’n huis te wonen. (Toch maar omscholen tot hedgefonds-beheerder? Een Wolf of Wallstreet worden? Bevriend raken met een paar van die bejaarden en dan iemand een keer een duw geven, zo het trapje van z’n statige brownstone af?)

Omdat ik hier elke dag veel loop en doe heb ik elke dag veel honger. Dat komt goed uit, want het is wat mij betreft de voedselhemel. Toen ik hier naartoe ging was ik benieuwd hoe vaak ik het op zou kunnen, pizza en/of hamburger. ‘Elke dag’, blijkt het antwoord.

De pizza van Dellarocco gaf me energie om verder te lopen naar Cobble Hill, waar ik nog nooit was geweest. Daar besloot ik een citibike te huren om naar Red Hook te fietsen, een wijk waarvan ik me voorstelde dat die gevuld is met piraten met rode baarden en haken in plaats van handen. Eenmaal daar bleek dat de mannen wel baarden hadden, maar ook ronde brilletjes en Canada Goose jassen.

Het was bijna 16:00u en ik kreeg trek in bier. Via Carroll Gardens fietste ik naar Park Slope en van daar naar Fort Greene, waar ik ooit woonde en wat een metamorfose heeft ondergaan. Ik snap het, gentrification enzo, maar toch. Op de plekken waar 12 jaar geleden een wasserette, Domino’s Pizza en muffe deli zaten, vond ik nu respectievelijk een biergarten, café en, uiteraard, koffietentje. Nostalgie overmeesterde me, en ik besloot hem te verdrinken in een van de kroegen waar ik toen nooit zat, omdat ik er niet kon zitten, omdat ze niet bestonden.

Wordt vervolgd…

Steen en staal

Ik was laatst bij Massive Attack en dat is deze stad ook, een massive attack. Meestal als ik in New York aankom kom ik aan in Brooklyn en dan moet ik vlak na aankomst even naar de waterkant lopen om ‘m te zien, de stad. De sprawl. Dat uitgestrekte urbane landschap dat niet door mensen gemaakt lijkt. Wij mensen zijn maar klein. We zijn maar minieme stukjes mensheid, individuele onderdelen die niet in staat geacht mogen worden om zo’n plak beton en staal neer te leggen.

Want dat is het hoe het lijkt, alsof New York is neergelegd en opgebouwd door reuzen. Reuzenlego. Het is uit de keiharde grond ontsproten en kan niet meer terug of opzij. Daarvoor is het te massive.

De lichtjes ook. De lichtjes zijn massive. Een massieve verlichting die me doet begrijpen waarom zoveel films zich hier afspelen en waarom in films zo vaak is geprobeerd om deze stad te vernietigen. Independence Day, Batman Rises, The Avengers; het doel van de kwaadwillenden is om deze stad, het ultieme menselijk bouwwerk, met de grond gelijk te maken. Want als dat lukt, kan alles vernietigd worden. Dan is de rest een eitje.

Het is de arrogantie ten top. De mensheid die gedacht heeft dit zomaar op de aarde neer te kunnen kwakken zonder daar de consequenties van te hoeven ondervinden. Misschien denkt de mensheid dat ook helemaal niet – heeft ‘de mensheid’ überhaupt geen eensluidende gedachtes – en is de stad een uiting van zelfdestructieve megalomanie. In minder pretentieuze bewoordingen: het is fucking geflipt en juist ónmenselijk dat ‘we’ dit hebben gemaakt.

Ik was gisteren (en vandaag) zo vroeg wakker dat ik ontbeet voor de rest dat deed en ik over de Williamsburg Bridge wandelde met overenthousiaste joggers en orthodox joodse moeders (dat hebben die op het oog diverse menssoorten kennelijk met elkaar gemeen, voor dag en dauw New Yorkse bruggen oversteken. Ik zit ergens tussen de twee soorten in).

Ik liep Bedford Avenue uit, besteeg de brug en bleef lopen, zigzaggend tot aan Union Square. Al wat ik tegenkwam was gemaakt van steen en staal; de hardste dingen, gebouwd door de zachtste handen. Het is ongelooflijk, dacht ik voortdurend, ongelooflijk en niet kloppend dat mensen dit hebben geconstrueerd. Het gaat maar door. Eindeloos en ‘eindelijk’, denk je, als je eenmaal bent waar je wilde zijn. En dan gaat het nog verder.

Mensen zijn vreemde wezens. Zeker hier, op Bedford Avenue, die ze met earpods in afstruinen. Alsof een regisseur ‘Action’ zei vlak voor ze de metro uitkwamen en ze aan het einde van de straat weer omkeren, tot in het oneindige, in zichzelf mompelend, marcherend over de stoepen en langs de etalages.

Het is hier duur, mensen werken zich kapot om er te kunnen wonen. In dat proces vervreemden ze. Van elkaar, van zichzelf. Maar dat gebeurt natuurlijk al veel eerder, met de aanleg van het steen en staal.
———-
Tijdens het schrijven vroeg ik me af hoe vaak New York inmiddels vernietigd is in films. Gelukkig is er internet.

The Big Breekijzer

Het ging zo, een paar maanden geleden:

‘Schatje, Jerry Seinfeld gaat weer optreden. Zullen we gek doen en in februari naar New York voor een show?’

De ogen van schatje lichtten op, haar zinnen prikkelden.

‘Oehhhh.’

‘Fuck it, schatje. Fuck it!’

Maar hoe graag schatje het ook wilde fucken, het ging niet. Schatje is namelijk zes maanden zwanger, moet een festival organiseren en een huis verbouwen. Voordat de comment-sectie explodeert met ‘JA HALLO ZWANGER BEN JE SAMEN’ en ‘HET IS TOCH OOK JOUW HUIS?’ wil ik zeggen: ja, die dingen kloppen en ze zijn beide waar, maar ook weer niet, want ik draag die baby niet in mijn buik. Het is met name de combi buik/werk/huis die het voor schatje niet haalbaar maakte. Die combi, gecombineerd met haar ruimhartigheid en supermooie hoofd, maakte dat ik wél naar New York kon/mocht. En dus ben ik er nu, alleen, om – naast het bezoeken van Seinfeld, jazzclubs en boekwinkels – te schrijven. Negen dagen New York als breekijzer voor mijn volgende boek. De stad als katalysator van een verhaal.

Want – ik heb het cliché eerder gebezigd en doe dat graag nog een keer – de inspiratie druipt hier van de muren. Uit de muren. Uit het steen en staal en de constante zoem die door je ruggengraat omhoogtrekt als je over straat loopt.

Gisteravond kwam ik aan, in de regen. New Yorkse regen; onophoudelijk, onverbiddelijk en dubbel zo nat. Maar heerlijk. De reis was van een leien dakje verlopen en hoewel moe, kreeg ik die rush. Die kick. Dat gevoel dat alles mogelijk is, wat in feite niet zo is.

Maar dat is de worst die deze stad je voorhoudt. Die worst verschrompelt aanzienlijk als je vanaf JFK (door deep down Queens) naar Brooklyn reist. Dat duurt een uur en aan de gezichten om je heen lees je daar niets rush- en kick-achtigs af. Je ziet opgesloten, opgestapeld drama in vermoeide gezichten. Niet een beetje moe, maar uitgeput. De gezichten liggen op de bodem van de put, als gesmolten maskers. Het is niet de city that never sleeps, maar deze mensen die nooit slapen. Die het eten maken, de wacht houden en de stad schoonmaken. Zij reizen onder de stad door, in het donker, terwijl de rest koffiedrinkt, zittend achter laptops, lopend over straat. Die rest werkt in de torens, en als je vanuit zo’n toren uitkijkt over de stad snap ik wel dat je denkt ‘kijk ons eens, in deze torens.’ If I can make it here…

Ooit dachten schatje en ik eraan om hier een paar jaar te gaan wonen. Gewoon, kijken of het zou lukken wat van de grond te krijgen. Maar voordat je het weet werk je ook in zo’n toren, uitkijkend over de stad, onwetend van wat er onder de vezels van de stad gebeurt waardoor die torens überhaupt kunnen staan. Daarom moet deze stad dít voor mij blijven; een getaway, het breekijzer, de katalysator. Met dank aan schatje.
———-
Ik ben tot en met 14 februari in New York. Dat is Valentijnsdag, maar daar doen schatje en ik niet aan.

Door Tafelmerg en been

‘Ik ga je doen,’ denk ik als ik vanaf de weg tegen de Tafelberg opkijk. Misschien lispel ik het ook wel tegen mezelf en de vrouw die op het moment dat ik het lispel net uit haar auto stapt. Ze kijkt me onderzoekend aan. Verstaat ze me? Dat doen veel mensen hier. Ik lach vriendelijk, maar niet te vriendelijk, en loop dan door naar het startpunt van de hike die mij naar de top van de berg moet brengen.

Mijn voornemen was om met de kabelbaan te gaan. Ik besef dat dat hoegenaamd niet heroïsch te noemen is, maar ik heb door schade en schande geleerd geen hiker te zijn. Ik draag nu wandelschoenen, sportkleding en op mijn rug hangt een lichtgewicht doch ONVERWOESTBAAR rugzakje met daarin water, fruit en een fototoestel, maar dat maakt mij geen hiker. Ik heb wel gehiked, veelal met mijn vriendin, maar elk van die hikes heeft mij aanzienlijke porties van mijn leven gekost, zo zal blijken aan het einde ervan, wanneer de rekening wordt gepresenteerd. Maar ik wil wel die berg op. ‘Moet dat gedaan hebben’, maar dan wel gedaan via een kabel, in een cabine, voortgetrokken door een machine.

Om de rij te omzeilen heb ik vanochtend (SLIM) online alvast een retourtje gekocht, maar bij aankomst bij het lower cable way station bleek ik niet de enige slimmerik te zijn geweest. De rij leek na een eerste, vluchtige blik beperkt tot een groepje mensen onder een bushalte-achtig afdakje, maar bleek, toen ik achteraan wilde aansluiten, ongeveer even lang te zijn als de kabelbaan zelf. Naarmate ik verder langs de rij liep zeiden de blikken van de wachtenden steeds luider: ‘Ik wil omhoog, het moet, want ik ben in Kaapstad, maar ik wil niet lopen, maar ik moet omhoog, dus doe ik dit, wachten, uren, hoe kut het ook is.’ Toen ik na tien minuten het einde van de rij bereikte merkte ik dat mijn gezicht niet in staat is tot die blik, en dus liep ik door.

Nu ben ik bij de opgang van het wandelpad door de Platteklip Gorge, een steile klim direct naar de top van de berg op 1050 meter. Omdat de Tafelberg plat is, zou je kunnen beweren dat deze toploos is, maar als je een berg beklimt wil je dat die een top heeft. Je wil namelijk kunnen zeggen: ‘Ik ben naar de top van de berg geklommen,’ of: ‘Ik heb de top bereikt.’ Daarom is, wat mij betreft, het gehele platte dak van deze stokoude steen een top.

Misschien is het compensatiegedrag voor de onderliggende angst, of onderschat ik de lengte en intensiteit van dergelijke wandelingen, maar ik begin hikes altijd bijna joggend. Alsof ik daarmee wil afdwingen dat ik de berg beheers, de berg wil dwingen voor mij op de knieën te gaan door een tempo te hanteren waarvan de berg denkt: ‘Zozo, dat is een flink tempo, misschien ben ik helemaal niet zo steil als ik dacht en is deze kerel zo boven,’ waardoor dat vervolgens ook zo is. Het tempo is een intentieverklaring, maar zal, zo wordt later in dit verhaal duidelijk, geen enkele invloed hebben op de steil- en bedwingbaarheid van deze berg (huilende smiley), en wel op mijn vertiefde fysieke staat.

Wanneer je een berg beklimt via de volgens hikeblogs relatief makkelijkste route en dat aanvankelijk doet in een (te) hoog tempo, kom je mensen tegen die langzamer klimmen dan jij. Zo stuit ik al snel op een vader met twee kinderen — een jongen van naar schatting 11 en zijn twee jaar jongere zusje. De vader, getooid in een felblauw t-shirt en korte cargobroek, hoorde mij kennelijk al aankomen.

‘Wacht maar even jongens.’

De kinderen volgen hun vader: ze houden in en gaan opzij.

‘Er wil kennelijk iemand langs,’ zegt hij op een toontje.

‘Heel graag, bedankt,’ probeer ik dankbaar over te komen.

Terwijl ik de man passeer, volgt hij me met zijn blik. Als ik voorbij ben, zegt hij iets tegen zijn kinderen. Ik versta niet precies wat, maar ik meen het woord ‘haast’ te horen.

Na tien minuten bergopwaarts joggen merk ik dat dit tempo niet vol te houden is. Het is nog vroeg, de morgenzon hult zich in nevelen en ik ben nog niet lang onderweg, maar zo gunstig als die omstandigheden zijn, zo ongunstig is mijn uithoudingsvermogen. Ik begin te beseffen dat ik mijn energie beter moet doseren en heb bovendien al een hoogte bereikt van waar Kaapstad als een luie, fotogenieke oester aan mijn voeten ligt. Ik besluit dus onder het bladerdak van een boompje te stoppen om een slok water te drinken en het uitzicht vast te leggen.

Terwijl ik de camera uit mijn rugzakje haal, naderen de man en zijn kinderen me. Eerst zie ik zijn blauwe t-shirt, dan zijn bruine krullen, met daaronder een spottende blik.

‘Kijk jongens,’ zegt hij tegen zijn zoon en dochter. ‘Daar staat-ie dan, zwetend en puffend, hoofd helemaal rood.’

De kinderen reageren niet. Ik ook niet. Ze komen dichterbij.

‘Zien jullie dit? Hardlopers zijn doodlopers! Daar staat-ie, met z’n gadget.’

Illustratief stuk Tafelberg

Ik kijk naar de camera in mijn handen. Het is een Leica, de Aston Martin der fototoestellen. Ik vind het lullig dat hij het een gadget noemt, maar ben nog te veel in de war van de lullige dingen die hij over míj zegt, dus blijf ik staan, zwijgend en in de war.

‘Laat je niet gek maken hè,’ zegt hij terwijl hij me passeert.

‘Ik doe heel erg m’n best,’ antwoord ik kennelijk.

Ik berg mijn camera op terwijl een mix van emoties zich aandient. Verdomme, denk ik. Dit is niet hoe ik had gehoopt dat het zou gaan. Na mezelf tien dagen lang een peptalk te hebben gegeven om de berg te beklimmen, alsnog te besluiten het niet te doen, en het vervolgens toch te doen, zit ik niet te wachten op een bergbully. Mijn overtuiging is broos, mijn conditie brozer, en met meer weerstand dan deze berg me sowieso al zal bieden wordt de klim alleen maar zwaarder. Te zwaar misschien wel.

Op de hikeblogs las ik hoe je tijdens de beklimming van de Tafelberg mensen van over de hele wereld tegenkomt, en hoe al die mensen supervriendelijk en supportive zijn. Ik zit al vanaf de eerste stappen opgezadeld met een Nederlandse plaaggeest. Een vader van twee nog wel, hier met zijn kinderen, die het op mij heeft gemunt. Waar is zijn vrouw eigenlijk? In het vakantiehuis of achtergebleven in Nederland? In haar eigen huis misschien wel, omdat ze net gescheiden zijn, omdat het onmogelijk is met deze kerel en zijn t-shirts samen te leven.

Het is niet relevant. Wat nu telt, is dat ik met een nemesis nooit boven kom. Dan gaat al mijn energie op aan hem, en blijf ik voor onbepaalde tijd op deze berg, met mijn gadget en rode pufkop.

‘Nee, dat is geen optie,’ verman ik mezelf. Ik vervolg mijn tocht in een trager tempo, maar kom niet veel later toch weer in de buurt van de man en zijn kinderen.

‘Daar heb je ‘m weer hoor,’ schertst zijn blauwe shirt.

‘Heb je nog een leuke boodschap voor onderweg?’ zeg ik terwijl ik hem in het voorbijlopen vluchtig aankijk.

‘Hahaha!’

Hij lacht, maar zegt niks, en ik loop door. Als ik dit tempo aanhoud blijf ik ze voor, schat ik in. Dan hoef ik niet nog meer van zijn hoon te ondergaan. Maar vanbinnen is wel iets geknakt. Ik kwam bij de voet van deze berg aan met positivisme en motivatie, en die zijn aangetast. Is er nog genoeg van over om boven te komen?

Ik denk van wel, wil van wel, en hike dus verder. Soms pauzeer ik, kort genoeg om niet weer te worden ingehaald door pestsmurf en zijn kinderen. Ik passeer anderen, die later mij weer passeren. Ik voeg op een gegeven moment in in een evenveel zwetend en puffend groepje Duitsers. Voor me zie ik Germaanse kuiten om de beurt stijgen. De kuiten zijn breed en gespierd, breder en gespierder dan die van mij, maar we lopen even hard. We hiken.

Biodiversiteit

Ik probeer toch ook te genieten van de schoonheid om me heen. Deze berg kent een rijke biodiversiteit, aldus heb ik opgezocht voor ik mijn kabelbaan kaartjes kocht. Er groeien 2285 verschillende soorten planten op en rond deze berg, waarvan er velen alleen maar hier groeien. Ze zijn volgens de Engelstalige Wikipedia ‘endemic’, een woord dat ik graag wil onthouden.

Een veel voorkomend dier op de berg is de ‘dassie’, die lijkt op een marmot, maar genetisch meer verwant is aan de olifant en zeekoe, en waarvan de populatie de afgelopen jaren aanzienlijk is teruggelopen. Als ik op wat later 2/3e van de hike blijkt te zijn tijdens het eten van een appel snoepwikkels, peuken en een gebruikte luier zie liggen, denk ik de dassie-afname te kunnen verklaren. Mijn populatie zou hier ook teruglopen, hoewel ik nu alleen nog maar vooruit kan.

Dassie-populatie-afname-oorzaak

Ik heb dit nog niet bedacht, of blauwshirt en zijn kroost verschijnen weer in mijn gezichtsveld. Ik was hier enerzijds gestopt voor het eten van een appel, anderzijds omdat mijn benen huilden, sta nu op het punt mijn reis te vervolgen, maar ben al te laat. De vader wordt inmiddels voorgegaan door zijn kinderen, die routineus de rotsen bestijgen. De man heeft me al gespot, maar reageert niet op mijn aanblik. Hij stopt op een meter of 20 van me af met lopen en gaat op een steen zitten, zijn armen steunend op zijn benen. Hij is kapot, zo vertellen zijn glinsterende voorhoofd, nu donkerblauwe shirt en uit zijn mond hangende tong me. Zijn kinderen wachten een stukje verderop met de handen in de zij. Ik heb hier meer kinderen gezien en ze lopen allemaal bijna moeiteloos de berg op. Geen van hen is moe, eerder verveeld. Met elke stap denk ik dat hun dunne beentjes zullen bezwijken onder de druk, maar die beentjes kunnen hun dunne lichaampjes makkelijk dragen. Ze beschikken bovendien over ongerepte longen en ander vers organenmateriaal. Een lichaam dat nog niet is aangetast door 20 jaar westers consumeren. Woorden als ‘alcohol’ en ‘cholesterol’ kennen ze alleen uit boeken en ze hebben nog nooit uit vrije wil de zon zien opkomen na een slapeloze nacht.

‘Maar fuck die kinderen,’ denk ik als ik een laatste hap van mijn appel neem en weer naar de man kijk die nog steeds uit zit te hijgen op de rots. Onze blikken kruisen. Ik kan nu iets roepen of doen, een kreet of handeling geboren uit frustratie en wrok, maar in plaats daarvan steek ik vragend mijn duim op. De man lijkt in eerste instantie verrast door mijn schijnbaar oprechte gebaar. Het is ook oprecht, want iedereen is op dit punt van de hike naar de klote. Er is geen ruimte meer voor animositeit of cynisme. De medemens is hier vooral dat: een medemens, verbonden in de strijd tegen het gesteente. De man steekt bij wijze van antwoord zijn duim ook omhoog. Ik flikker mijn klokhuis in de bosjes en been verder. Dassies houden vast van klokhuizen.

Als deze berg een toneelstuk was, zaten we nu in de derde akte. De klim wordt steiler. Eerst waren het nog een soort stenen treden, nu zijn het rotsblokken. Elke stap omhoog veroorzaakt een salvo van zuurscheuten in mijn benen. Ik lijk door mijn longen heen te ademen en moet na elke tien meter stoppen, zitten en water drinken. Mijn fototoestel is inmiddels inderdaad verworden tot gadget. Een excuus om op adem te komen terwijl ik doe alsof ik hier sta voor de esthetica en niet omdat ik niet meer kan bewegen.

Tijdens een van die momenten besluit ik mijn tweede meegebrachte stuk fruit te eten, een bijna overrijpe nectarine. Terwijl het sap vermengd met zweet van mijn kin druipt, word ik toch weer ingehaald door de man en zijn gezin. Hun conditie is blijkbaar beter dan die van mij. Of ze hebben hun energie beter gedoseerd. ‘Hardlopers zijn doodlopers,’ echoot het in de bergkloof. Die man zal met zijn kinderen de top van deze platte berg eerder bereiken dan ik, besef ik nu. Mijn ego krimpt kortstondig ineen en wordt dan weer op maat gebracht door een kreet van de man.

‘Wat een KUTBERG,’ roept hij, niet per se naar mij. ‘Maar het is hier wel mooi,’ voegt hij er kermend aan toe. Voor het eerst zijn we het eens.

Later, als ik boven ben, overmand door voldoening en trots en vervuld van dedain voor de kluitjes evaringsondeskundigen die vanaf het kabelbaanstation over de berg uitwaaieren, zie ik de man bij een uitkijkpunt foto’s van zijn kinderen maken, terwijl ze poseren voor de Atlantische Oceaan die zich tevergeefs stuk blijft slaan op de Afrikaanse kust. Het is een goede plek voor foto’s. Misschien wel de beste hier op de hele berg. Maar ik wacht wel even tot ze weg zijn.

Babymoon

Het is me tot nu toe gelukt om heel weinig te schrijven over baby’s en de baby-economie, die vermoedelijk de sterkste, meest stabiele is van alle branches. Baby’s zijn er altijd en zullen er altijd zijn. Producten voor de baby dus ook. Daar je ‘toch het beste voor je baby’ wilt, wordt daar niet op bezuinigd en weet je, ondanks die overigens volledig terechte hang naar kwaliteit, dat je af en toe flink wordt genaaid.

Die naaierij neem je op de koop toe. Deze voel je namelijk alleen als man. Als man denk je praktisch: waar dient het voor, wat moet het kunnen. De vrouw is, vooral tijdens de zwangerschap, minder rationeel in haar voorkeuren en keuzes. Het praktische gedeelte is de basis. Daarbovenop bouwt zij een piramide — niet zo verschillend van die van Maslow — van soorten, vormen, kleuren, geuren, franje en Spanje[1]. Net zoals bij die van Maslow, worden de lagen richting de top steeds minder essentieel om te overleven. Maar je wilt het beste voor je baby, dus trek je de knip en willig je haar wensen in.

Niet altijd natuurlijk. Als zij hoog in de boom gaat zitten voor een commode (i.e. een kastje), kruip ik diep in de grond en eindigen we ongeveer op de eerste verdieping. En laat dat nou net de plek zijn waar die kast moet komen.

Het is dus onderhandelen, maar dat is veel in een relatie, dus ben ik na ruim vijf jaar wel getraind. Iets waarin ik geen training heb en behoef, en waarover we godzijdank ook nooit hebben hoeven onderhandelen, is het concept van de ‘Babymoon’. Net als de ‘Honeymoon’ betreft het een reis van het stel. Maar waar de tweede plaatsvindt na de voltrekking van het huwelijk, doe je de eerste voor de geboorte van je kind. Het is de laatste keer met z’n tweeën, dus pak je flink uit. Hawaï, Filipijnen, Sri Lanka, Ibiza; nog even goed los voordat je cocktailglas wordt vervangen door een luiertas.

Mijn vriendin en ik gingen naar Ierland. ‘O,’ zeiden ervaren babymooners, ‘dat is nou niet echt een exotische bestemming.’ Klopt, maar we waren er nog nooit geweest en wat we ervan hoorden en zagen was prachtig. Zoals bij veel stellen is mijn vriendin degene in wie de baby groeit en zij gaf al vroeg aan geen behoefte te hebben aan een reis ver weg. De bijkomende lange vlucht en hitte vond ze niet aanlokkelijk. Liever wilde ze rust, natuur en boeken lezen.

Hoewel we het strand soms best misten, leek de ‘babymoon’ ons een steeds vreemder concept. Het voelde namelijk alsof we al met z’n drieën waren. Mijn vriendin was al niet onbeperkt mobiel meer en kon bovendien niet drinken. Hoewel ik me in Ierland een paar keer grondig heb laten informeren over lokale bieren en het dan een uitkomst was dat ik niet hoefde te rijden, leek het me vreemd om in mijn eentje cocktails weg te tikken terwijl mijn vriendin aan wat smeltende ijsblokjes zat te lurken.

We zijn welgeteld twee avonden na twaalven gaan slapen. Eén keer om 0:30u en één keer om 1:30, toen waren we uit geweest (i.e. in een volle, warme pub tussen krijsende Amerikanen naar traditionele Ierse muziek luisteren met een pint lauwe Guinness). Het kind schopte af en toe ten teken van zijn goed- dan wel afkeuring van de hem bereikende geluiden. We keken elkaar aan, hielden handen vast, en waren opgelucht toen we beiden het liefst ‘gewoon’ terug naar ons duurzame hostel wilden om te slapen en op tijd wakker te zijn voor het geweldige ontbijt de volgende ochtend.

Terug in Nederland hadden we niet echt het gevoel op vakantie te zijn geweest. Er was geen verbrand-bruine huid om tegen beter weten in in te smeren met aftersun, teneinde de kleur zo lang mogelijk te behouden. Er bestonden geen herinneringen aan luie dagen op zonovergoten stranden, omdat de enige stranden die we hadden gezien net zoveel zon als regen en wind te verduren kregen. Dat liet overigens onverlet dat die stranden en het omringende land prachtig waren. We dronken geen cocktails, lagen niet in hangmatten en dansten niet tot het gloren van de ochtend, maar tuften gedrieën door het ‘Emerald Isle’, een prelude van ons leven zo dadelijk als gezin.

Maak die reis, als het je zint, maar zie het niet als ‘de laatste keer dat…’ Vlieg naar Palawan, denk met weemoed aan al wat achter en voor je ligt, maar besef dat de laatste keer van wat dan ook relatief is, net als deze woorden voor het individu die ze leest.

[1] Slaat nergens op, maar rijmt op ‘franje’.