Brooklyn (2/2)

Als je solo reist, zit je veel alleen in kroegen en restaurants. Dat zitten veel mensen hier sowieso. Eenzame mannen aan bars met hamburgers. Eenzame burgers. Maar dat is niet op elke plek even fijn. Je wilt dat er mensen zijn, dat er reuring is, zodat je je daar een beetje in kunt verstoppen. Maar het moet niet té uitbundig zijn, dat je het gevoel krijgt dat je op een feestje bent waarvoor je niet bent uitgenodigd. In je eentje in een lege tent, zonder dat je het barpersoneel kent, is ook niet fijn. Dan zal men zich misschien verplicht voelen met je te praten, en dat willen we niet, dat mensen dat voelen.

De Black Forest Brooklyn biergarten was perfect voor de situatie waarin ik me bevond en de behoeftes die ik had. Veel soorten bier, in grote glazen. De tent was voor 2/3 gevuld, met vriendengroepen, stelletjes en gezinnen. Aan de bar zaten twee kerels, ik denk Oost-Europees, en een losse, blonde man. Ik besloot me tussen hen in te positioneren, met aan weerszijden van me een reservekruk, bij wijze van buffer. Dichtbij genoeg om zomaar een gesprek aan te knopen en daarbij niet te hoeven schreeuwen, maar genoeg afstand om niet de verplichting te voelen een gesprek aan te gaan. Want, zoals eerder gezegd, dat willen we niet, dat gevoel.

Ik vroeg de barman, een zwarte reus met lang haar, of hij een goeie lokale IPA had. Ik kreeg een pint van ‘The Other Half’, gebrouwen in New York en heerlijk, en vertelde hem dat ik 12 jaar geleden aan de overkant had gewoond en hoe deze buurt sindsdien veranderd is. ‘I know,’ zei hij. ‘I grew up here.’ Ik vroeg hem of hij hier nog steeds woont en hij schudde vlug zijn hoofd. Mensen die hier zijn opgegroeid kunnen hier niet meer wonen.

Ik weet niet meer hoe we aan de praat raakten, maar voor ik het wist gaf ik de blonde man naast me ‘the disposition’ van Nederlanders ten opzichte van landen in de buurt. ‘The Germans are sympathetic’, ‘The French are xenophobic assholes’ en ‘The British have become the laughing stock of Europe, with their Brexit shenanigans.’ ‘But we do have a shared sense of humor,’ voegde ik eraan toe. Humor die Duitsers dan weer niet hebben. Hij was het vooral over de Fransen met me eens.

De man, wiens naam ik nog niet wist, had het gezicht van Peter Fonda en de stem van Jack Nicholson. Daar hield de vergelijking met Easy Rider wel op, want hij werkte in real estate. Ik vroeg hem of hij ooit zijn best moet doen om hier een huis te verkopen. Hij zei nee, maar dat het zo is dat de gebouwen beheerd worden door ‘coop’s’, de woningbouwverenigingen, en dat zij het laatste woord hebben over nieuwe bewoners. Met andere woorden, je kunt een huis gekocht hebben, de financiering rond, verhuisdozen ingepakt, maar als de ‘coop’ je niet ziet zitten gaat het feest niet door.

De man zei verder dat veel Amerikanen sinds Trump president is weer met de borst vooruit lopen en dat de verkiezingen in 2020 ‘exciting’ worden. Had hij op Trump gestemd, vroeg ik hem. Nee, op een ‘third party’. Welke zei hij niet.

Ik moest gaan, want ik zou met iemand anders wat gaan drinken (wat uiteindelijk mislukte omdat ik veel te veel had gefietst en uitgeput, onderkoeld, hongerig en aangeschoten verdwaalde in Bushwick). De man en ik hadden weinig tot niets met elkaar gemeen, en dat wisten we, maar het was toch – en misschien wel juist daardoor – een fijn gesprek geweest.

‘I’m Remco, by the way,’ zei ik, terwijl ik mijn hand uitstak. ‘Jack,’ antwoordde hij met een grijns.
———-
Deel 1 van dit verhaal staat hieronder. 👇🏼

Delon:

Brooklyn (1/2)

Gisteren besloot ik een toertje te maken door Brooklyn. Eerst met een bus naar Dumbo, om te schrijven in een van de 100.000 koffietenten hier, en dan een beetje wandelen door Brooklyn Heights, zo was het plan (die plannen worden elke dag aanzienlijk opgerekt).

Dumbo was 12 jaar geleden al compleet gegentrificeerd, maar het is nu nog cleaner. Alle oude haven- en fabrieksgebouwen zijn gerestaureerd en huizen nu reclamebureaus, vastgoedontwikkelaars, galerieën en onbetaalbare lofts. Maar het blijft een fijne plek, hier aan het water, onder de bruggen, waar zowaar ook jonge kinderen rondlopen. Die zie je, net als oude mensen, in grote delen van New York bijna niet. Zowat iedereen in deze stad is tussen de 25 en 45 jaar oud. De stad herbergt alles wat je op de wereld kunt vinden, op elk moment van de dag, maar het is tegelijkertijd een monocultuur, weinig tolerant voor hen zonder fysiek of financieel kapitaal.

In Brooklyn Heights gaat de leeftijd omhoog, maar is het niet veel diverser. Oude witte mannen en vrouwen met grote zonnebrillen en kleine honden. Maar het is er zo mooi. Eerst lopen over de promenade, dan linksaf slaan naar een van de fruitstraten (Cranberry, Orange, Pineapple) die je hardop in jezelf doen afvragen wat ervoor nodig is om ooit in zo’n huis te wonen. (Toch maar omscholen tot hedgefonds-beheerder? Een Wolf of Wallstreet worden? Bevriend raken met een paar van die bejaarden en dan iemand een keer een duw geven, zo het trapje van z’n statige brownstone af?)

Omdat ik hier elke dag veel loop en doe heb ik elke dag veel honger. Dat komt goed uit, want het is wat mij betreft de voedselhemel. Toen ik hier naartoe ging was ik benieuwd hoe vaak ik het op zou kunnen, pizza en/of hamburger. ‘Elke dag’, blijkt het antwoord.

De pizza van Dellarocco gaf me energie om verder te lopen naar Cobble Hill, waar ik nog nooit was geweest. Daar besloot ik een citibike te huren om naar Red Hook te fietsen, een wijk waarvan ik me voorstelde dat die gevuld is met piraten met rode baarden en haken in plaats van handen. Eenmaal daar bleek dat de mannen wel baarden hadden, maar ook ronde brilletjes en Canada Goose jassen.

Het was bijna 16:00u en ik kreeg trek in bier. Via Carroll Gardens fietste ik naar Park Slope en van daar naar Fort Greene, waar ik ooit woonde en wat een metamorfose heeft ondergaan. Ik snap het, gentrification enzo, maar toch. Op de plekken waar 12 jaar geleden een wasserette, Domino’s Pizza en muffe deli zaten, vond ik nu respectievelijk een biergarten, café en, uiteraard, koffietentje. Nostalgie overmeesterde me, en ik besloot hem te verdrinken in een van de kroegen waar ik toen nooit zat, omdat ik er niet kon zitten, omdat ze niet bestonden.

Wordt vervolgd…

Delon: