Enterquarantainment

Het wordt steeds gekker. Een goede reden om nog kleren aan te trekken hebben we natuurlijk al niet meer, zeker niet met het warme weer van de afgelopen week. Maar ook andere gebruiken en vormen van etiquette zijn tanende. Zo at ik gisteren een enchilada van vijf dagen oud. Om 14:00u. Als ontbijt. Naakt.
 
Tijdens het eten van de, overigens heerlijke, doch kleffe, van kaas doordrenkte wrap maakten mijn gedachten allerlei hupjes en salto’s, zoals dat gaat wanneer je veel met jezelf op dezelfde plek bivakkeert. Ik was me er heus wel bewust van dat ik geen kleren aan had en iets at waar ik de rest van de middag spijt van zou hebben, maar er was verder geen externe noodzaak om mijn gedrag aan te passen. Dat doen we dus voor anderen en als we naar door andere mensen ingerichte werk- of uitgaansplekken gaan. Ons op een bepaalde manier aankleden en gedragen is tribaal, een manier om soortgenoten te herkennen. Jij en ik delen deze waarden, voelen we dan onbewust, we zijn hetzelfde. Maar het slaat eigenlijk nergens op, want naakt zijn we dat allemaal.
 
Nu heb ik sowieso een liefde voor woordgrappen, maar met ‘quarantenchilada’ was ik extra verguld. Ik keek om me heen, om het met iemand te delen, maar ik was dus alleen en naakt en aangewezen op Instagram. Daar reageerde vervolgens niemand erop. Ik vond dat dat me niets kon schelen en bezigde ‘Idontcarantaine’, een neologisme dat ik voortaan zal gebruiken voor zaken waar ik niets om geef, maar door het constant binnen zitten toch aandacht aan besteed. Ik moet denken aan Tom Hanks die in Cast Away tegen een volleybal praat. Hij is geen volleyballer, maar op een onbewoond eiland is niemand dat en maakt het dus ook niets meer uit. Je kunt dan net zo goed tegen die volleybal praten, snap je? Volleybal bestaat niet meer.
 
Waarom ik dit allemaal vertel? Omdat te illustreren dat het rare dingen doet met je brein, thuiszitten onder de latente hoogspanning van een pandemie; het niet of nauwelijks zien van vrienden en familie; het creëren van een micro-samenleving binnen de muren van je eigen woning. Een wandeling naar de keuken is een uitje naar een doe-het-zelfrestaurant. De slaapkamer is een hotel waar je je eigen bed op moet maken en je niet wordt verwelkomd met een fles wijn, boeket of chocolaatje op je kussen. ‘Die badjas en handdoeken was je zelf maar,’ roept je partner je geïrriteerd na als je bij hem of haar informeert naar bezienswaardigheden in een straal van anderhalve meter rond het huis.
 
Die partner is overigens het resultaat van een geslaagde date. Een one night stand, elke nacht weer. Spannend hoor, een beetje onwennig misschien ook wel. Maar wat een cadeautje om haar de volgende ochtend weer te zien. Elke ochtend. En middag. En avond.
 
En dan vergeet ik nog de kinderen. De kinderen! Het restaurant annex hotel annex museum is ook een school, waar met passie, gebroken glazen en gebarsten kastdeurtjes wordt gewerkt aan de toekomst van de jeugd. Je partner en jij zijn niet alleen thuiswerkende horeca-managers, maar ook ongekwalificeerde docenten, kinderpsychologen en schoonmakers.
 
Hoewel de bewegingsruimte en het sociaal contact beperkt zijn tot een minimum wordt er nu meer dan ooit een beroep gedaan op onze veelzijdigheid. Het is multitasken op de vierkante anderhalve meter. Maar we worden er steeds beter in. Straks, als ‘de dingen’ stapsgewijs terugkeren naar een nieuw soort normaal, weten we van gekheid niet meer wat we met al die ruimte en kleren aan moeten.

Ex Amsterdam

De film Vanilla Sky (2001) maakte al voor de release furore met een shot van een verwarde Tom Cruise, rennend over een leeg Times Square. Dat shot was de ultieme teaser van een toen moeilijk te begrijpen film die mijn cinefiele vrienden en ik briljant vonden, ondanks dat we hem dus niet echt snapten. De film was laatst op tv en heeft de tand des tijds niet doorstaan, maar ik moest er wel aan denken toen ik zaterdagmiddag, normaal de piekdrukte, een rondje door Amsterdam fietste met de camera over mijn schouder.
 
Zo vaak maken we dit natuurlijk niet mee. Dat is maar goed ook, wilde ik eraan toevoegen, maar ik zie ook de merites van een geforceerde stap terug. Daarbij houd ik er rekening mee dat dit in de toekomst misschien nog wel vaker gaat gebeuren. Dit virus ‘is here to stay’, melden de kenners, en wie weet is dit nog maar het kleine broertje uit het gezin en stuurt hij binnenkort zijn grote broer op ons af omdat we zo onaardig tegen hem waren. Dat hoeft trouwens niet zoveel te zeggen. Het kleine broertje in ons gezin heeft al een sloop- en actieradius die zijn grote broer af en toe tot wanhoop drijft.
 
Omdat ik in Amsterdam-Noord woon moet ik tegenwoordig altijd naar de stad tóe, terwijl ik er voorheen middenin zat. Tussen mijn huis en het NDSM-gebied is het altijd rustig, maar tijdens de vaart met de pont bekroop me het naargeestige gevoel dat we naar een dode stad voeren. Een plek waar de mensen zich niet verschuilen, maar verdwenen zijn. Eenmaal aangemeerd bij Amsterdam-Centraal verdween dat gevoel niet helemaal en toen ik de verlaten bouwput voor het station zag werd het zelfs versterkt.
 
Het Damrak lag erbij als op een autovrije 1 januari, maar dan in de ontkiemende lente, en nog in het tijdperk voorafgaand aan vergaande globalisatie. Op De Dam stonden wel wat mensen, maar die leken meer op de kruimels in een afvoerput dan op toeristen met een doel. ‘Alles is dicht,’ riep een jongen met Amsterdamse tong tegen zijn vriend. Ook de inheemse bevolking liep er verdwaasd bij.
 
Op de naargeestigheid volgde een soort liefdesverdriet. Alsof ik na een niet goed afgesloten relatie mijn ex opzocht in de hoop iets van de oude magie te hervinden, maar erachter kwam dat ze al over me heen was, of er niet meer was. Het stemde melancholisch, alsof er echt iets voorbij is, terwijl ik ook weet – en hoop – dat dit niet voor altijd zal blijven duren. Maar zelfs met die wetenschap voelt het alsof er iets weg is wat niet terug zal keren, althans, niet in de vorm die het had.
 
Deze crisis gaat ons veranderen, dat doet het al. Op welke wijze kunnen we nog niet overzien, zoals de rups in de cocon nog niet weet dat hij als een vlinder zal herrijzen. Maar herrijzen zullen we, hoe groot Covids broer ook is. Daarvan verzekerde het in de zon glinsterende grachtenwater me, de in de wind wiegende bomen rond het Museumplein. Maar dit viel ook luguberder te interpreteren; als de natuur die ons uitzwaaide.
 
Om toch positief/humorvol af te sluiten wilde ik, naast een selectie van de foto’s die ik heb gemaakt, nog een paar observaties delen.
– Het is stil in de stad, waardoor sommige geluiden extra opvallen. Zo is het getik van stoplichten, om mensen met een zichtbeperking te helpen oversteken, loeihard.
– Er zijn nog veel meer duiven in Amsterdam dan ik dacht. Door de stilte hoorde ik ze voorbereidingen treffen voor het plegen van een coup.
– De muzikanten op de Dam spelen vals. In ieder geval degenen die er nog staan.
– Niet alleen het heelal dijt uit, ook de bouwputten in de stad. Zelfs nu er niemand is kun je bijna nergens langs.
– Een stad is niets zonder mensen.

Apocalyptische regenballen

Ik wilde dit stuckje beginnen door te stellen dat ik niet bang ben aangelegd, maar besefte op tijd dat dat totaal niet waar is. Ik heb er zelfs een heel boek over geschreven, die angst, dus het zou gek zijn als ik nu iets anders ga beweren. Ik doe alsnog veel dingen die ik eng vind en ben in sommige situaties misschien helemaal niet zo bevreesd als ik denk, maar de angst is er, verhinderend of latent. Ook/juist nu zowel zieke als niet zieke mensen in de greep zijn van een virus.

Het was gisteren papadag en te midden van de kinderkakafonie besloot ik de persco van Rutte toch maar even aan te zetten. Terwijl hij uitsprak dat evenementen met meer dan 100 mensen worden afgelast en iedereen aanraadde vooral thuis te blijven barstte de hemel open. Druppels als kauwgomballen spatten uiteen op onze ruit, misschien was het wel hagel. Ik dacht aan alle stormen van de afgelopen maanden, de opwarmende aarde, stijgende zeespiegel, onuitroeibaar racisme, geweld en alles MH17 – wat door de start van het proces tegen de vier verdachten deze week weer naar de oppervlakte van het bewustzijn drijft – en kon me niet aan de indruk onttrekken dat de Apocalyps nabij is.

Dit was tevens het moment waarop ik besefte dat ik in mijn leven te veel films heb gezien waarin de wereld aan haar einde komt, maar verdomd, nu zou het nog gaan gebeuren ook. ‘De mensheid verdient dit,’ sprak ik hardop uit, terwijl mijn zoontjes aan mijn broekspijpen trokken. Het is het gevolg van onze arrogantie, ons gebrek aan respect voor de natuur en voor elkaar en het tanende besef dat wij zelf deel uitmaken van die natuur, waaraan we nu op hardhandige wijze worden herinnerd.

Maar deze noodlottige gedachtes ontwikkelden zich vervolgens tot iets hoopvollers, naar: ‘Dit is wat de mensheid nodig heeft.’ Omdat de hele wereld op het moment in de ban is van hetzelfde fenomeen is er meer eenheid dan ooit, zo ervaar ik dat tenminste. Verbondenheid in zorgen om de toekomst, al is het maar om één van de vele prangende zaken waar we ons collectief zorgen om zouden moeten maken.

Er zijn mensen die zeggen dat het tot stilstand komen van de wereld, of van het krioelen van de mens over die wereld, ons een moment van bezinning kan bieden. Het afbuigen van de besmettingscurve is de grote oefening in mindfulness waar we als soort zo aan toe zijn. Ik betwijfel dat. Niet de behoefte aan pauze, maar aan het heilzame effect van gedwongen mindfulness. De mensen die al mindful leven of daarvoor openstaan zullen inderdaad nog ‘mindfuller’ worden. Maar de mensen wie dat vreemd is, zij die over lijken gaan om hun doel te bereiken, zullen de crisis als gevolg van het virus slechts uitbuiten. Kijk maar naar Trump, die de uitbraak in de VS aangrijpt om Europa te dissen met een politiek symbolisch inreisverbod. Ondertussen neemt het land nauwelijks maatregelen om het virus binnenshuis in te dammen en is het voor de meeste Amerikanen onbetaalbaar om zich te laten testen op corona, of om zich te laten behandelen indien ze het hebben.

Dagelijkse persconferenties en uit de lucht vallende regenballen ten spijt wil ik niet doemdenken, maar je gaat er wel van denken. Verschillende scenario’s schieten door mijn hoofd, van wel en nog niet bestaande films. Ik voel eenheid, saamhorigheid misschien wel, vanwege het gemeenschappelijke belang, maar beweeg me voorlopig op microniveau: thuis, met de kinderen dansend aan mijn broekspijpen, met een rationele hoeveelheid wc-papier, paracetamol en pasta in de voorraadkast. Genoeg om mijn angsten te bedwingen en anderen die mogelijkheid niet te ontnemen.

In de taart

Een heel blok kaas was het, Parmezaanse. Een heel blok, waar kan het in godsnaam zijn gebleven? Het lag hier, op het plankje op ooghoogte in de koelkast. Ik weet nog dat ik het zag liggen en dacht: ‘Een heel blok Parmezaanse kaas, daar ga ik iets mee maken.’ Nu is het zover. Nu is het moment dat ik gehaktballetjes wil draaien naar Italo-New Yorks recept – balletjes zo lekker dat het kwijl ervan uit je oksels loopt -, maar is het blok weg.

Waar kan het toch zijn? Op een ander plankje? In de groentela? Verstopt achter andere producten die het zicht blokkeren? Onze koelkast is goedgevuld, immers. Wij zijn geëvolueerd van een op de bonnefooi levend stel naar een gezin met een uitpuilende voorraadkast. Gepland wordt niet meer in dagen of weken, maar maanden, soms jaren. Hierin zijn we niet uniek.

Terwijl ik me nog eens goed en krachtig onder de kin krab om het verdwenen stuk kaas zie ik aan de overkant van de straat twee mannen staan die recht bij ons naar binnen kijken. Ze lijken op IT-ers en staan voor een klein autootje met daarop de letters ‘IT’ en dan nog wat onduidelijke cursieve letters die er niet meer toe doen. Hoewel ik me niet kan voorstellen dat deze IT’ers in hun vrije tijd huizen scouten om bij in te kunnen breken vind ik het toch verdacht en tamelijk irritant hoe ze onafgebroken ons huis in staren. Misschien is dat hele IT wel een dekmantel, denk ik te midden van inslaande paranoia, en ik besluit polshoogte te nemen.

‘Kan ik jullie ergens mee helpen?’ vraag ik de mannen die me met hun ogen volgen vanaf het moment dat ik de voordeur uitloop.
‘Nee hoor,’ zegt de rechter, een kale slungel met een sigaret tussen zijn vingers.
‘Nee? Het valt me op dat jullie wel heel geïnteresseerd bij me naar binnen kijken.’
‘Is dat zo?’
‘Ja. Er wordt hier in de buurt regelmatig ingebroken, vandaar.’
‘Nou, maak je maar geen zorgen hoor. Wij wachten op een klant.’

Sceptisch knikkend bestudeer ik het autootje. Waar kan dat stuk kaas nou toch zijn? Mijn vriendin heeft laatst wel een bloemkooltaart gemaakt, maar daar gaat toch geen heel stuk Parmezaan in? Dat bestaat toch niet?

‘Zijn jullie IT’ers?’
De kale man neemt een hijs van de sigaret.
‘What gave it away?’ vraagt hij cynisch.

Ik maak een wegwerpgebaar en loop weer naar binnen. Ik sms mijn vriendin – wij sms’en nog, als enigen in dit universum – en vraag haar of ze weet waar het stuk Parmezaanse kaas is. Heeft ze het ergens verstopt, of is wat ik niet voor mogelijk hield toch gebeurd en is het in zijn geheel verdwenen in de bloemkooltaart?

Wachtend op antwoord kijk ik nog eens naar buiten, weer krabbend onder mijn kin. De mannen zijn weg, ik moet me scheren. Na 30 seconden krijg ik een berichtje.

*PING*

‘In de taart.’

Hoppetossend door Berlijn

Klaas en ik gaan eens in het jaar naar Berlijn. Tenminste, dat proberen we. In de praktijk is het eens in de 1,2 jaar. We zijn immers vaders.
 
We leren de stad iedere keer beter kennen, voelen ons er steeds meer thuis. We verrassen onszelf en anderen met de groei van ons Duits. ‘Es is schön das du Deutsch spricht,’ zei een grote bebaarde kerel op de MS Hoppetosse afgelopen zaterdag, alvorens hij ons high fivede. De MS Hoppetosse is een boot, behorend bij Club der Visionäre, een van de ruim honderd clubs in Berlijn. Het zijn er vermoedelijk nog veel meer, maar sommige bestaan maar heel even of bestaan zo ‘off the grid’ dat je er alleen via via (in) kunt komen.
 
Wij hadden de mazzel dat we vrijdagavond in een cocktailbar zaten en aan de praat raakten met een Nederlandse serveerster, al zeven jaar wonend in Berlijn en mede-organisator van feesten op de voorgenoemde boot, met een bekende dj als vriend die daar zou draaien. ‘Ik kan jullie wel op de lijst zetten,’ bood ze ons aan. Wij knikten dankbaar ja.
 
Een boot aan de rand van de stad, in de Spree. ‘Rand van de stad’ is een vreemd iets om te zeggen over Berlijn. De stad is uitgestrekt en heeft niet echt een centrum. Het is een aaneenschakeling van dorpjes, ieder met hun eigen subcultuur. Een beetje zoals Los Angeles, maar met U- en S-bahnen, en minder palmbomen en zon. Maar met meer mensen van vlees en bloed.
 
Zaterdag hosten we op de Hoppetosse. We zagen de Nederlandse daar, bedankten haar nogmaals, en praatten kort over onze levens. ‘Je lijkt me iemand die veel heeft meegemaakt,’ zei ik. ‘Waarom denk je dat?’ vroeg ze. ‘Soms krijg je dat gevoel bij mensen.’
 
Ze knikte, gaf me een samenvatting en bevestigde mijn vermoeden.
‘Ik denk er al een tijdje over na om het op te schrijven. Ik ben nu op een punt in mijn leven dat ik dat kan.’
Ze vroeg me wat ik deed. ‘Ik ben schrijver,’ zei ik. Ze zette ongelovig een stap naar achteren en gaf me toen lachend een high five, de tweede van de avond.
 
We lieten ons verder meevoeren op de aangemeerde boot. We zagen de volgende dag (gisteren) een vriend van ons uit Amsterdam, die al een paar jaar als een heuse troubadour door Europa trekt. Een leven zonder plan, maar met restricties, tegengesteld aan die van onze levens. We dronken samen bier en lieten ons meevoeren naar Friedrichshain, Neukölln en terug naar Schöneberg. Vanavond gaan we naar een concert van de Noorse Jenny Hval in Kreuzberg, morgen naar het Stasi-Museum in Lichtenberg, dan, weer in Friedrichshain, de nieuwe plaat van Tame Impala ophalen, meer bier drinken, meer eten, woensdag terug met de trein en, wie weet, daarna wel beginnen aan een boek over het roerige leven van een Amsterdamse oma in Berlijn. We laten ons meevoeren door de stad. Iedere 1,2 jaar stappen we weer op.

The Sopranos

The Sopranos is een van de beste, zo niet de beste televisieserie ooit gemaakt. Mijn voorkeur voor die eretitel gaat naar The Wire of Breaking Bad, maar The Sopranos ‘is up there’, en de rol van James Gandolfini als Tony Soprano, een door psychische demonen geteisterde maffiabaas en vader, is een legendarische. Tot zover niets nieuws.
 
Pas een paar jaar geleden begon ik aan de serie, lang nadat de hype was gaan liggen. Hypes hebben vaak een averechtse werking op me. Als iedereen iets wil, wil ik het juist niet, of pas als de honger van de massa gestild is. Dan kan ik er in relatieve anonimiteit van genieten, alsof de serie, film of muziek speciaal voor mij is gemaakt. Misschien een tikje megalomaan, maar pas dan is er de ruimte om een persoonlijke relatie aan te gaan met het werk.
 
Hoe persoonlijk zo’n relatie kan worden bleek vannacht, toen ik droomde dat ik The Sopranos opnieuw zou gaan kijken. De serie stond inmiddels op Netflix, dus het was makkelijk, en stelde me in de gelegenheid om mensen die de serie nog niet hadden gezien ervan te overtuigen hem ook te gaan kijken. Het voelde alsof ik de eerste en enige was die het ooit gezien had. Alsof ik het had ontdekt en mijn kennis gul wilde delen met de wereld, misschien wel om een hype te creëren, ironisch genoeg.
 
Het was een genot om Tony Soprano weer te zien. Ik hoopte dat hij me zou herkennen, dat hij zich bewust zou zijn van onze persoonlijke band, en dat het herkijken van de serie daarmee een diepere ervaring zou worden. Ik keek hem aan, de veel te vroeg overleden James Gandolfini, en gebaarde met mijn wenkbrauwen ‘Ik ben terug’. James reageerde niet. Hij speelde zijn scène, als Tony, als werk, wat het voor James ook was.
 
Ik hoopte op een later moment, in een andere scène, weer een moment van herkenning met hem te beleven, maar het kwam er niet. Het was gewoon ik die The Sopranos keek, voor de tweede keer, zonder enige erkenning van de cast of crew, die ik ook dit keer niet ontmoette. Ik had geen backstage pass, geen toegang tot hidden content. Het was gewoon The Sopranos, maar dan fragmentarisch, in een onbevredigende droom, zoals dromen vaak zijn.
 
En nu loop ik vast. Ik zie het punt van mijn schrijven niet. Wat probeer ik over te brengen? Waarom voel ik de drang dit te delen? Is het omdat ik de droom beter wil begrijpen, of omdat ik in mijn leven te veel beelden tot me heb genomen en ze me op latere momenten meevoeren naar de door hen verbeelde wereld, waarin ik misschien wel zou willen bestaan? Leven in vleesgeworden fictie, of juist in de gescripte realiteit – een controleerbare wereld.
 
Of misschien – misschien wel sowieso – werd ik eraan herinnerd hoe goed The Sopranos was. Is. James is weg, maar de beelden blijven. Gaat dat zien, juist nu niemand het er meer over heeft.

In Spongebobs wiel

Er gebeuren natuurlijk overal de hele tijd irritante dingen, zo ook in mijn persoonlijke sfeer, en één daarvan wil ik graag even uitlichten. Het gaat om fietsers die vlak achter je gaan fietsen. Misschien moet ik in plaats van ‘je’ ‘me’ zeggen, want ik weet niet of dit anderen ook overkomt. Het is in de afgelopen weken nu al twee keer gebeurd dat iemand ‘in mijn wiel’ ging zitten, zoals dat in wielerjargon heet. Ik noem het ‘in mijn slipstream zitten’, omdat de eikel die het de eerste keer deed het ook zo noemde toen hij op zijn verroeste racefiets na een paar honderd meter naar links afboog.
 
‘Effe lekker stukje slipstream meepakken ja toch,’ riep hij over zijn schouder naar me, grijnzend. Ik hoopte dat hij een gat in of steen op de weg zou missen – we fietsten immers over het ruige (maar niet zo ruig meer als vroeger) NDSM-terrein -, over de kop zou vliegen en zijn voortanden zou breken op een betonnen plaat. Maar dat gebeurde niet. In plaats daarvan bleef ik geïrriteerd op mijn zadeltje zitten en schudde ik met mijn hoofd de woorden ‘Nee, niet effe lekker in mijn slipstream zitten’ naar hem toe, maar de man bleek, zoals wel meer mensen, doof/blind voor mijn hoofdwoordschudderij.
 
Nu vraag ik me af: is dit normaal gedrag? Gebeurt dit anderen ook, of ligt het aan de omvang en vorm van mijn lichaam en de vaart van mijn nieuwe elektrische fiets? ‘Je bent ook zo lekker vierkant. Een soort fietsende Spongebob,’ zei een vriend van me toen ik mijn frustratie met hem deelde. Bovenop de frustratie kwam vervolgens de verwarring over zijn opmerking. Was het een compliment? Of een belediging, zo bijdragend aan de frustratie, daar hij ook een wielerfanaat is?
 
Het gaat er geloof ik vooral om dat ik, als wel-vierkante niet-wielrenner op een snelle elektrische fiets door niet-vierkante wel-wielrenners kan worden gebruikt als windscherm. ‘In mijn wiel’ blijven ze immers ‘uit de wind’ en dat scheelt toch weer wat zweetdruppels (die ik tegenwoordig dankzij de e-bike weet te vermijden).
 
De tweede keer, afgelopen week, gebeurde het weer. Dit keer was het een pubermeisje, maar ook haar vond ik een eikel – voor wielrenners en slipstream-meepakkers maak ik geen uitzondering op basis van geslacht en leeftijd. Het gebeurde trouwens nog een derde keer, bedenk ik nu. Dat was een enorme eikel op een ratelende herenfiets die zich achter mij – IN MIJN FUCKING WIEL JA – het schompes fietste om me bij te houden en me een paar keer zelfs bijna inhaalde. Hij probeerde een punt te maken, zo leek het. ‘Je bent zélf een eikel, op je elektrische fiets. Om het je te laten voelen zal ik je wel even inhalen op mijn brakke, gestolen stinkfiets.’
 
Maar zover liet Spongebob het niet komen. Ik ben misschien wel vierkant, maar ik ben niet gek. Of langzaam.
 

Co be

De eerste aanblik van de man, die met zijn fiets aan de hand over de weg loopt, belooft al weinig goeds. Het is direct duidelijk dat hij iets van me wil, of zal willen op het moment dat hij me gezien heeft. Hij kijkt niet mijn kant op, maar ik voel mezelf op zijn radar verschijnen. Omdat hij met een fiets loopt vermoed ik dat hij me om een fietspomp zal vragen, of om de weg naar de dichtstbijzijnde fietsenmaker. Deze man is niet op de hoogte van Google Maps.
 
Ik loop over de stoep richting onze auto die aan de overkant van de weg geparkeerd staat en kruis daarbij het pad van de man, die ik groet met een knik, hopende dat dat afdoende is. Maar dat is het natuurlijk niet.
 
‘Voert u weleens gesprekken over de zin van het leven?’ vraagt hij me. Door het bewegen van zijn mond valt me pas op hoe los zijn huid zit. Hij is spierwit, doorzichtig bijna, alsof hij urenlang in een bad heeft liggen weken. Maanden. Zijn ogen liggen diep in die drassige huid, onder zijn zwarte hoed. Hij is helemaal donker gekleed, zelfs zijn fiets is zwart.
 
‘Non-stop,’ antwoord ik de man, in de hoop dat het afdoende is, maar dat is het natuurlijk niet. De man wil zijn mond weer openen maar ik kan het niet aan en ben hem voor.
 
‘Non-stop,’ herhaal ik, ‘met mijn vrienden, familie. Met mijn vriendin en kinderen. Intern, in voor de buitenwereld verstopte monologen. Ik voer geen andere gesprekken. Het is het enige dat me bezighoudt, ik kom nergens anders aan toe. Het heeft me in de houdgreep. Ik leef in een gevangenis van existentiële verwondering.’
 
De man kijkt voor zich uit, richting het einde van het nooit stoppende Zuideinde, en knikt. Is mijn antwoord genoeg? Ik hoop het. Maar het is niet zo. De man knikt niet meer en bereidt zich voor op een vervolgvraag. De havermelk witte huid van de man moet nooit zon gevoeld hebben. Hij zit altijd binnen, in deze kleren, met de fiets aan zijn hand.
 
‘En wat is volgens u de zin van het leven?’
‘Mijn kinderen,’ zeg ik zonder aarzeling. ‘Die ik nu moet ophalen.’
Ik wil doorlopen naar de auto maar houd in.
‘En liefde,’ voeg ik eraan toe.
 
De man staart nog steeds naar het niet bestaande einde van de straat. Hij knikt niet, heeft vermoedelijk geen kinderen. Nu begrijp ik waarom hij anderen deze vragen moet stellen.
 
‘Succes verder en een fijne dag,’ zeg ik tegen de man, die nu wel weer knikt en me hetzelfde wenst.
 
Ik stap in de auto en kijk de man na. Hij praat inmiddels met mijn buurman, die met de handen in zijn zakken nee schudt in een poging het gesprek voortijdig af te kappen, met spijt dat hij de deur heeft geopend.

Wegrijdend besef ik dat alles wat ik zei waar is, behalve dat ik mijn kinderen moet ophalen. Dat was een leugen.