In het Verenigd ootje

De ‘outrage’ in het Verenigd Koninkrijk om de strapatsen van Dominic Cummings is te begrijpen. Voor wie het heeft gemist: Vorige week bleek dat Cummings, topadviseur van Boris Johnson, eind maart de mede door hemzelf opgestelde lockdown-regels overschreed door met zijn vrouw en kind naar een familieboerderij in Durham te rijden, 260 mijl van Londen, om zich met zijn gezin te isoleren bij zijn ouders. Zij konden eventueel voor zijn zoontje zorgen, mochten hij en zijn vrouw daar door de ziekte niet meer toe in staat zijn. Later bleek dat hij nog wel vaker op en neer was gereden, en in zijn verweer tegen de storm aan kritiek stelde hij dat een van die ritten een ‘testrit’ was om te kijken of hij wel kón rijden. Covid zou zijn zicht hebben aangetast. Britten die al twee maanden thuiszitten, en van wie velen familieleden zijn verloren die ze niet konden bezoeken of begraven, zijn zwaar over de zeik. En terecht.

De focus ligt vaak op Amerika en het nog steeds verbazingwekkende gedrag van haar politiek leider(s), maar in het VK is het natuurlijk ook al tijden een ‘shitshow’ zonder weerga.  Vooral daar is de afstand tussen de (politieke) elite en ‘het volk’ enorm. Zowat elke politicus komt van een private school – meestal Eton – en de rest van de bevolking heeft geen tanden. Uiteraard een grove overdrijving, maar het punt is dat de Britse volksvertegenwoordigers geen enkele voeling hebben met het volk dat zij vertegenwoordigen.

Het drama rond de Brexit toonde vooral onderlinge wrevel en de complete absentie van saamhorigheid onder politici. Het volk had iets gekozen, zonder goed te weten wat, met jarenlang bekvechten tot gevolg. Nu is er dan een regering, eentje met het mandaat om Brexit door te voeren, en blijkt uit het omgaan met een heel ander soort crisis – een humanitaire – dat die weinig op heeft met haar electoraat. Men voelt zich en masse in het ootje genomen en dat gevoel zou weleens op één lijn kunnen liggen met de realiteit.

Het verschil tussen de VS en het VK is dat Donald Trump zich in ieder geval nog gedraagt zoals hij is: een ongemanierde demagoog zonder stijl of historisch besef. Met name Engeland is het land van de tradities. Van bescheidenheid en beschaving. Maar de ordinaire hufterigheid ligt daar nu al enige tijd in zijn blootje op straat. Dat was voor de buitenwacht ook het amusante aan de Brexit-saga: hoe een natie gebouwd op schone schijn in rap tempo haar mantel van beschaving verloor. Nu maakt die nog immer heersende zweem van voornaamheid de situatie alleen maar potsierlijker.

John Wilson, een man die zijn vrouw eind maart aan Covid-19 verloor, schrijft in een open brief aan een parlementslid dat hij door de lockdown niet bij zijn zieke vrouw kon zijn in de twee weken voordat ze stierf en haar niet meer heeft gezien voordat hij haar as ophaalde. Hij bleef onder zware emotionele omstandigheden thuis, voor het welzijn van zijn medeburgers. Wilson, en velen met hem, vinden het onverteerbaar wat Cummings heeft gedaan. Dat Johnson hem vervolgens in bescherming heeft genomen omdat hij te belangrijk voor hem is maakt ze nog kwader.

Na het lezen van de brief zag ik een fragment van Skynews waarin een parlementslid een vraag van de bisschop van Leeds voorgelegd krijgt: ‘Moeten de mensen in Groot-Brittanië het leugenachtige en manipulatieve gedrag van de premier en de zijnen zomaar accepteren?’

‘I wish him well’, antwoordt de politicus.

 ‘My goodness, is that all you have to say?’ vraagt de presentator met ingehouden verbazing.

‘I wish him well,’ herhaalt de man stoïcijns.

Een bepaalde terughoudendheid en snobisme hebben het Brits-zijn altijd getypeerd, maar in combinatie met de blinde schaamteloosheid van de huidige regering en het dedain voor haar burgers is het niet meer dan gênant.

Vroeg gesmolten

Mijn hart was vanochtend om 9:00u al gesmolten. Dat is vroeg, meestal gebeurt het pas aan het einde van de middag, als ik mijn kinderen na een lange dag op de kinderopvang weer zie. Het verneukeratieve aan kinderen is dat je soms niet kunt wachten tot ze weg zijn, zodat je een moment voor jezelf hebt, maar ze vervolgens bijna direct gaat missen. Het gebeurt weleens dat ze gaan logeren en mijn vriendin en ik het hele vrije weekend praten over hoe leuk ze wel niet zijn en hoe graag we ze willen knuffelen. Ik zou dan meer van die vrijheid willen genieten, maar dat lijkt niet meer te kunnen. Kinderen zijn er altijd, als niet in je gezichtsveld, dan wel in een kamer van je gedachten. Soms heel prominent, soms meer op de achtergrond, maar het volume staat nooit op 0.

Over het missen van onze kinderen hadden we de afgelopen maanden niet te klagen, want ze waren er altijd. De kinderopvang was er alleen voor de kroost van ouders met vitaal werk en opa en oma moesten worden ontzien. Er vielen in totaal drie opvangdagen weg, die mijn vriendin en ik samen moesten opvangen. Onze kinderen hebben continu aandacht en/of zorg nodig. De peuter vooral het eerste, de baby het tweede, hoewel zorg en aandacht vaak inwisselbare termen zijn. Het ging, maar het kraakte. De aankondiging van Rutte dat de kinderopvanginstellingen en basisscholen weer (deels) open zouden gaan werd met ten hemel geheven gebalde vuistjes ontvangen.

Onze oudste had er geen zin in, die vond het wel prima, elke dag thuis, met al z’n speelgoed, films, series en ouders. De baby vond het ook prima, maar kon dat niet verwoorden. Hij leek er minder moeite mee te hebben weer naar de crèche te gaan, zeker omdat zijn grote broer de eerste twee weken bij hem op de groep zat, omdat kinderen uit hetzelfde gezin bij elkaar werden geplaatst.

De grote broer wilde al niet, maar zat nu ook nog eens in een andere klas, zonder zijn vriendjes, met voornamelijk baby’s die hij niet kende en met wie hij geen interesses deelde. Op de foto’s die via de kinderopvang-app met ons werden gedeeld zagen we hem steeds alleen in een hoekje zitten, plastic dieren ordenend, een neurotische handeling die ik herken van mezelf als kind; alle autootjes moesten in formatie van de ene kant van de tafel verplaatst worden naar de andere kant, en vice versa. Gelukkig heb ik vandaag de dag geen last meer van dergelijke dwangmatigheden.

Per vandaag zouden kinderen weer op hun eigen groep worden opgevangen. We konden dus weer zwaaien voor het raam waar we vroeger, in het oude normaal, altijd zwaaiden. Eerst zag ik een blond jongetje hevig lachend en wuivend voor het raam verschijnen. Toen verscheen mijn zoon naast het jongetje, net zo blij. Hij keek naar zijn vriendje, naar mij, enzovoort, en zwaaide, lachend. Toen begon het smelten.

Maar ik houd echt heel veel van pizza

Om nog maar eens aan te geven hoeveel ik van pizza houd: de droom van vannacht waarin de eigenaresse van mijn favoriete pizzeria naar Den Haag ging verhuizen beschouw ik als een nachtmerrie. Ik werd echt geshockeerd en verdrietig wakker, zat vol onbegrip en vragen, zoals ‘waarom?’ en ‘nee!’. Lichte paniek voelde ik ook. Mijn brein zocht naar een uitweg, naar alternatieven, maar ik wist al bij aanvang van het denkproces dat die er helemaal niet zijn.

Ik wil of kan eigenlijk altijd wel pizza eten. Dat onderdruk ik, want ik vrees dat mensen me anders banaal vinden. De pizza is, zeker in Amsterdam, natuurlijk allang een ‘gourmet’ gerecht, niet zelden belegd met geïmporteerde mozzarella van gemasseerde buffels, tot op de perfectie gedroogde bresaola en tong beplassende kalamata olijven, maar het ding blijft banaal, al was het maar vanwege de vorm.

Bovendien getuigt het niet per se van een avontuurlijke instelling en rijk ontwikkeld smaakpalet om altijd hetzelfde te willen eten, hoewel de pizzavariatiemogelijkheden natuurlijk zowat onbeperkt zijn.

Soms opper ik het gemaakt casual, als we nog niet bedacht hebben wat we gaan eten, of het moeilijk vinden iets te bedenken, moe zijn of weinig tijd hebben. ‘We kunnen een pizzaatje halen?’ zeg ik dan met een minimale schouderophaling en schuin opgetrokken wenkbrauw, bijna mompelend. Soms kijk ik terwijl ik het zeg weg van mijn metgezel – vaak mijn vriendin -, alsof een tegen de muur op dansend vliegje plots mijn aandacht trekt. Misschien lach ik vertederd naar onze baby, alsof die op dat moment iets bijzonders of nieuws doet. Zo koppel ik de suggestie van het gerecht – pizza – aan een moment van gemeenschappelijke liefde en verwondering. Ik probeer een associatie te bewerkstelligen waardoor mijn metgezel – mijn vriendin dus – bij het horen van het woord ‘pizza’ aan de eerste glimlach, het eerste woordje of de eerste stapjes van ons kind denkt, en er dan naar gaat verlangen. Dat probeer ik op zo’n moment allemaal voor elkaar te krijgen, denk ik.

Weten doe ik het niet zeker, omdat deze processen zich goeddeels onbewust voltrekken. Met het schrijven van deze stuckjes probeer ik die processen bloot te leggen, maar ook dat weet ik niet zeker; zoals gezegd gebeurt het onbewust. Ik schrijf dus vooral voor mezelf, kan ik hieruit concluderen, maar dat geldt voor alle schrijvers. Of ze het nu doen om geld te verdienen, de eigen psyche uit te diepen of inzichten te delen met de wereld, de grondmotivatie ligt in het vervullen van de individuele behoefte om woorden te geven aan gevoelens en gedachten en die te delen met de wereld. Een ander uit zich met verf, voedsel of vernis.

Over voedsel gesproken: pizza. Het wordt mij – mezelf – allemaal een beetje te hoogdravend en dus sla ik het plat met mijn favoriete banale gerecht, banaal als in plat als in een pizza is platgeslagen deeg met beleg. De vorm is plat, net als de wereld dat ooit was. Dat waren simpeler tijden.

Einde.

Dicht van elkaar

Nu ik weer wat heb geschreven is het makkelijker weer wat te schrijven. Zo gaat dat met schrijven, en met heel veel andere dingen ook trouwens. Als je iets doet, doe je het meer. Denk aan sporten, drinken en knuffelen. Regelmaat brengt momentum en met momentum hou je het makkelijker vol. Het begin is lastig, want dan moet je van 0 naar alles. Je moet dan vooral een mentale heuvel op, hoewel mijn lichaam ook flink tegenstribbelde toen ik vorige week voor het eerst in ruim twee maanden een stukje ging hardlopen.

Ik ben geen hardloper, noch een drager van spandex. Die twee houden verband en hebben invloed op elkaar. Ik ga graag (niet graag, maar het is iets wat ik op eigen voorwaarden (alleen, moment, interval) kan doen) naar de sportschool, maar die is dicht en ik moet wat. Met wat bedoel ik bewegen. Anders slib ik dicht. Ik voel het al, de verzadiging. De verkleving van mijn binnenkant, de vergrauwing van mijn buitenkant. Niet alleen bloed moet stromen.

Snaaien doe ik, de hele dag. We zijn allebei bijna non-stop thuis, de koelkast en ik. Hij en de voorraadkast liggen vol met lekkers dat mij roept. Ik reageer op die roep door de kastdeur te openen en eten te pakken. De kasten met voedsel veroordelen mij niet. Ze hebben me in de greep zoals ik hun handvatten grijp in de zoektocht naar eten.

Ik probeer dus af en toe een stukje te rennen of op en neer te springen in de kamer. Daarbij denk ik aan de filemelders van de ANWB, wiens werk is gereduceerd tot de zin ‘Er staan geen files.’

Tijdens het doen van squats denk ik aan de kappers, die weer open mogen, en hoe we nu – naast het weer – nog een voor iedereen geldend ding hebben waarover we met ze kunnen praten. Dat is pure zuurstof. Het bericht over de kappers besloot ik overigens nog even te negeren. Ik had bedacht tijdens de lockdown mijn hoofd te scheren, niet alleen uit noodzaak, daaraan zou geen exitstrategie kunnen tornen.

Bij de pont werden vrijdag de passagiers geteld. Daar kwam ik pas tijdens het opstappen achter, maar na een kleine inhaalslag mocht ik als laatste nog mee. Het meisje naast me, dat het ook net op tijd door had gehad, keek schuldbewust naar de beteuterde mensen die op de kade werden tegengehouden. De volgende pont zou pas over een halfuur komen.

‘Ik voel me wel schuldig,’ zei ze.

‘Omdat je doorhad dat ze telden?’

‘Ik liep volgens mij achter die mensen.’

‘Nog niet iedereen heeft zich aangepast aan de nieuwe realiteit.’

Op die wat botte conclusie van mij kwam ze met een willekeurig verhaal over een Ikea-bank, dat die was geleverd zonder kussens, dat het zes weken zou duren voor ze kwamen en dat ze er nog voor moest betalen ook omdat ze dat kennelijk nog niet had gedaan. Ik knikte halfslachtig en dacht nu ook aan het verdwijnen van sociale barrières in crisistijd en de paradox van afstand die mensen samenbrengt.

Geen tijd

Al dagen probeer ik een stuckje te schrijven over tijd, maar ironisch genoeg kom ik er niet aan toe. De notities ervoor zijn al een week oud, gemaakt op de dag dat mijn vriendin en ik negen jaar samen waren (bedankt voor de felicitaties), volgend op een notitie over onze klok, die kapotviel toen diezelfde vriendin een snijplank pakte, volgend op een notitie over de dino-fase van mijn zoon. Dieren die – inderdaad – in een andere tijd leefden.

Het thema ‘Tijd’ kwam de afgelopen tijd – met name de week voor de afgelopen week – dus veelvuldig terug, los van de rode draad die het vormt voor alles wat leeft, of niet leeft. Ook standbeelden vergaan.

Negen jaar samen. Dat is ongeveer een kwart van mijn leven. Het is nog altijd maar de helft van de tijd die ik bij mijn ouders woonde, maar drie keer zo lang als de gehele levensduur van onze oudste zoon en lang genoeg om de afgelopen maanden van quarantaine als een fractie te kunnen beschouwen in het grotere geheel van ons samenzijn.

In het kapotgaan van de klok zag ik symboliek. Mijn vriendin en ik waren beiden bezig met de verjaring van onze relatie. Ik zat heel erg op die negen (9!) jaar, zij vooral op de viering an sich. Ze zal boos worden als ze dit leest, maar zij was het die de klok liet vallen. Zij zal beweren dat het komt door de te volle plank waar de klok op staat, nee, waar ik hem op heb gezet, zonder hem aan de muur te bevestigen. Hoe het ook zij, de klok mist nu de 2 en 3, of de gedesignede hoeken die die uren symboliseren. Wanneer de wijzer daar nu staat, lijkt het alsof de tijd afbrokkelt. Misschien is het einde der tijden er pas als er geen klokken meer zijn.

De dino’s kunnen hier niet over meepraten. In hun tijd bestonden er geen klokken. Bovendien konden ze, voor zover we nu weten, niet praten. Ze brulden vermoedelijk niet eens. Het kan zomaar dat de T. rex siste als een slang en dat veel andere dino’s helemaal geen geluid maakten. De parasaurolophus had een hoorn op zijn hoofd die verbonden was met zijn luchtwegen. Als hij daar lucht doorheen blies klonk het misschien wel als een trombone.

Voor paleontologen is alles ‘misschien’, ‘vermoedelijk’ of in het beste geval ‘waarschijnlijk’. Dat lijkt me lastig, je leven wijden aan iets waarvan je nooit zeker zult zijn. Al is tijd relatief, ik weet zeker dat mijn relatie nu negen jaar (en een week) duurt, dat mijn oudste zoon drie is en ik achttien jaar bij mijn ouders heb gewoond. Dat behoeft slechts een opgraving in mijn geheugen.

Onze klok is stuk, maar de tijd tikt door. Hoe langer hij tikt, hoe dichter we in de buurt komen van een tijdmachine. Dan reis ik terug naar ruim een week geleden, voor de klok brak, en hang ik ‘m stevig aan de muur.

17 april

Afgelopen vrijdag gebeurden er twee mooie dingen die niets met elkaar te maken hadden. Maar omdat ze op dezelfde dag plaatsvonden koppel ik ze toch aan elkaar. Daar is verder niets mis mee, lijkt me.

Beide zaken zag ik overigens wel aankomen. Het eerste was de verjaardag van mijn vader, die al zolang ik leef – en al veel langer (zal niet zeggen hoe lang) – op dezelfde datum plaatsvindt: 17 april. Het eigenaardige aan deze verjaardag was dat hij plaatsvond tijdens de intelligente lockdown. Ik denk dat ze dat goed in de markt hebben gezet. Nu heeft iedereen die eraan meedoet (we doen dit samen!) het gevoel dat hij/zij behoorlijk slim is, maar daar gaat dit stuckje verder niet over. Het gaat over mijn vader, en moeder, die mijn zusje en ik al zes weken niet hadden gezien.

We zaten in de tuin, want het was warm, op afstand maar niet afstandelijk (er zijn mensen die de twee verwarren) en aten taart. Ik nam een stuk slagroomtaart, waar ik mijn moeder mee verraste en die vervolgens werd opgezadeld met de oneetbare moorkop. Die mogen we zo niet meer noemen, maar ik weet de politiek gecorrigeerde naam even niet.

Onze kinderen waren niet mee, want die zijn niet goed te beteugelen. Er was een videocall, mijn ouders’ oudste en meest levensbewuste kleindochter huilde, mijn moeder ook, en de krankzinnige situatie waarin we leven vatte ons plotseling weer in de nek. Alles went, immers. Ook een in slaap gesuste wereld achter gesloten deuren.

’s Avonds herinnerde Het Internet me aan het andere ding wat ik al wist maar door de taart was vergeten: de release van Fiona Apple’s nieuwe album. Voor wie haar niet kent: Apple zingt en speelt piano. Ze debuteerde in 1996 als achttienjarige met ‘Tidal’ en bracht vrijdag na een pauze van acht jaar haar vijfde album uit, ‘Fetch the Bolt Cutters’.

Op het album, waaraan ze vijf jaar lang voornamelijk thuis heeft gewerkt, blijkt dat ze het predicaat zangeres/pianist is ontgroeid. Ze zingt niet alleen, ze gromt, fluistert en hijgt; slaat op pannen, muren en een doosje met de botten van haar gecremeerde hond. De muziek is losgezongen van haar eigen werk, wat al heel vrij en creatief was, en lijkt in een individuele ruimte te bestaan waar wij het mogen bewonderen.

Vooral vroeger strooide ik graag met superlatieven (dit is de grappigste film ooit! De lekkerste pizza sinds Italië!), maar dit is, met enige afstand, het beste album dat ik de afgelopen vijf jaar heb gehoord. Dat komt ook door het moment waarop het verschijnt: tijdens een pandemie en de daaruit volgende globale quarantaine. Een album over innerlijke en externe demonen, gemaakt door een kluizenaar. ‘Fetch the bolt cutters,’ zingt ze op het titelnummer, ‘I’ve been in here too long.’ Is er een zin die het huidige sentiment beter verwoordt?

Mijn vader was overigens blij met het overlevingspakket dat mijn zusje en ik voor hem hadden samengesteld. Geen Fiona Apple, maar wel boeken, bier, knutselwerkjes van zijn kleinkinderen en hele oude kaas.

Kortom, het was een goede dag.
———-
Fetch the Bolt Cutters kun je hier luisteren:

Enterquarantainment

Het wordt steeds gekker. Een goede reden om nog kleren aan te trekken hebben we natuurlijk al niet meer, zeker niet met het warme weer van de afgelopen week. Maar ook andere gebruiken en vormen van etiquette zijn tanende. Zo at ik gisteren een enchilada van vijf dagen oud. Om 14:00u. Als ontbijt. Naakt.
 
Tijdens het eten van de, overigens heerlijke, doch kleffe, van kaas doordrenkte wrap maakten mijn gedachten allerlei hupjes en salto’s, zoals dat gaat wanneer je veel met jezelf op dezelfde plek bivakkeert. Ik was me er heus wel bewust van dat ik geen kleren aan had en iets at waar ik de rest van de middag spijt van zou hebben, maar er was verder geen externe noodzaak om mijn gedrag aan te passen. Dat doen we dus voor anderen en als we naar door andere mensen ingerichte werk- of uitgaansplekken gaan. Ons op een bepaalde manier aankleden en gedragen is tribaal, een manier om soortgenoten te herkennen. Jij en ik delen deze waarden, voelen we dan onbewust, we zijn hetzelfde. Maar het slaat eigenlijk nergens op, want naakt zijn we dat allemaal.
 
Nu heb ik sowieso een liefde voor woordgrappen, maar met ‘quarantenchilada’ was ik extra verguld. Ik keek om me heen, om het met iemand te delen, maar ik was dus alleen en naakt en aangewezen op Instagram. Daar reageerde vervolgens niemand erop. Ik vond dat dat me niets kon schelen en bezigde ‘Idontcarantaine’, een neologisme dat ik voortaan zal gebruiken voor zaken waar ik niets om geef, maar door het constant binnen zitten toch aandacht aan besteed. Ik moet denken aan Tom Hanks die in Cast Away tegen een volleybal praat. Hij is geen volleyballer, maar op een onbewoond eiland is niemand dat en maakt het dus ook niets meer uit. Je kunt dan net zo goed tegen die volleybal praten, snap je? Volleybal bestaat niet meer.
 
Waarom ik dit allemaal vertel? Omdat te illustreren dat het rare dingen doet met je brein, thuiszitten onder de latente hoogspanning van een pandemie; het niet of nauwelijks zien van vrienden en familie; het creëren van een micro-samenleving binnen de muren van je eigen woning. Een wandeling naar de keuken is een uitje naar een doe-het-zelfrestaurant. De slaapkamer is een hotel waar je je eigen bed op moet maken en je niet wordt verwelkomd met een fles wijn, boeket of chocolaatje op je kussen. ‘Die badjas en handdoeken was je zelf maar,’ roept je partner je geïrriteerd na als je bij hem of haar informeert naar bezienswaardigheden in een straal van anderhalve meter rond het huis.
 
Die partner is overigens het resultaat van een geslaagde date. Een one night stand, elke nacht weer. Spannend hoor, een beetje onwennig misschien ook wel. Maar wat een cadeautje om haar de volgende ochtend weer te zien. Elke ochtend. En middag. En avond.
 
En dan vergeet ik nog de kinderen. De kinderen! Het restaurant annex hotel annex museum is ook een school, waar met passie, gebroken glazen en gebarsten kastdeurtjes wordt gewerkt aan de toekomst van de jeugd. Je partner en jij zijn niet alleen thuiswerkende horeca-managers, maar ook ongekwalificeerde docenten, kinderpsychologen en schoonmakers.
 
Hoewel de bewegingsruimte en het sociaal contact beperkt zijn tot een minimum wordt er nu meer dan ooit een beroep gedaan op onze veelzijdigheid. Het is multitasken op de vierkante anderhalve meter. Maar we worden er steeds beter in. Straks, als ‘de dingen’ stapsgewijs terugkeren naar een nieuw soort normaal, weten we van gekheid niet meer wat we met al die ruimte en kleren aan moeten.

Ex Amsterdam

De film Vanilla Sky (2001) maakte al voor de release furore met een shot van een verwarde Tom Cruise, rennend over een leeg Times Square. Dat shot was de ultieme teaser van een toen moeilijk te begrijpen film die mijn cinefiele vrienden en ik briljant vonden, ondanks dat we hem dus niet echt snapten. De film was laatst op tv en heeft de tand des tijds niet doorstaan, maar ik moest er wel aan denken toen ik zaterdagmiddag, normaal de piekdrukte, een rondje door Amsterdam fietste met de camera over mijn schouder.
 
Zo vaak maken we dit natuurlijk niet mee. Dat is maar goed ook, wilde ik eraan toevoegen, maar ik zie ook de merites van een geforceerde stap terug. Daarbij houd ik er rekening mee dat dit in de toekomst misschien nog wel vaker gaat gebeuren. Dit virus ‘is here to stay’, melden de kenners, en wie weet is dit nog maar het kleine broertje uit het gezin en stuurt hij binnenkort zijn grote broer op ons af omdat we zo onaardig tegen hem waren. Dat hoeft trouwens niet zoveel te zeggen. Het kleine broertje in ons gezin heeft al een sloop- en actieradius die zijn grote broer af en toe tot wanhoop drijft.
 
Omdat ik in Amsterdam-Noord woon moet ik tegenwoordig altijd naar de stad tóe, terwijl ik er voorheen middenin zat. Tussen mijn huis en het NDSM-gebied is het altijd rustig, maar tijdens de vaart met de pont bekroop me het naargeestige gevoel dat we naar een dode stad voeren. Een plek waar de mensen zich niet verschuilen, maar verdwenen zijn. Eenmaal aangemeerd bij Amsterdam-Centraal verdween dat gevoel niet helemaal en toen ik de verlaten bouwput voor het station zag werd het zelfs versterkt.
 
Het Damrak lag erbij als op een autovrije 1 januari, maar dan in de ontkiemende lente, en nog in het tijdperk voorafgaand aan vergaande globalisatie. Op De Dam stonden wel wat mensen, maar die leken meer op de kruimels in een afvoerput dan op toeristen met een doel. ‘Alles is dicht,’ riep een jongen met Amsterdamse tong tegen zijn vriend. Ook de inheemse bevolking liep er verdwaasd bij.
 
Op de naargeestigheid volgde een soort liefdesverdriet. Alsof ik na een niet goed afgesloten relatie mijn ex opzocht in de hoop iets van de oude magie te hervinden, maar erachter kwam dat ze al over me heen was, of er niet meer was. Het stemde melancholisch, alsof er echt iets voorbij is, terwijl ik ook weet – en hoop – dat dit niet voor altijd zal blijven duren. Maar zelfs met die wetenschap voelt het alsof er iets weg is wat niet terug zal keren, althans, niet in de vorm die het had.
 
Deze crisis gaat ons veranderen, dat doet het al. Op welke wijze kunnen we nog niet overzien, zoals de rups in de cocon nog niet weet dat hij als een vlinder zal herrijzen. Maar herrijzen zullen we, hoe groot Covids broer ook is. Daarvan verzekerde het in de zon glinsterende grachtenwater me, de in de wind wiegende bomen rond het Museumplein. Maar dit viel ook luguberder te interpreteren; als de natuur die ons uitzwaaide.
 
Om toch positief/humorvol af te sluiten wilde ik, naast een selectie van de foto’s die ik heb gemaakt, nog een paar observaties delen.
– Het is stil in de stad, waardoor sommige geluiden extra opvallen. Zo is het getik van stoplichten, om mensen met een zichtbeperking te helpen oversteken, loeihard.
– Er zijn nog veel meer duiven in Amsterdam dan ik dacht. Door de stilte hoorde ik ze voorbereidingen treffen voor het plegen van een coup.
– De muzikanten op de Dam spelen vals. In ieder geval degenen die er nog staan.
– Niet alleen het heelal dijt uit, ook de bouwputten in de stad. Zelfs nu er niemand is kun je bijna nergens langs.
– Een stad is niets zonder mensen.