Figurant

De laatste tijd heb ik veel last van fantoom trillingen in mijn broek. Of fantoom vibraties, dat was misschien mooier geweest. Ik twijfelde erg voor welke variant ik zou gaan. Het werd dus trillingen, maar ik heb nu al spijt. Die komt tegenwoordig steeds sneller.
 
De trillingen komen van mijn telefoon, dat vergat ik nog te zeggen. Ik hoorde jullie al denken: ‘Heeft hij een kookwekker in zijn broek?’ Noot voor de jongere lezers: vroeger trilden die. Kookwekkers dus. Ja, daar had je een aparte wekker voor, voor het koken. Ze kwamen in allerlei leuke vormen en verschijningen, bijvoorbeeld als ei of koksmuts. Die wond je dan op naar het aantal minuten dat iets moest koken of bakken of garen en dan begon het ding irritant te rinkelen en trillen als de tijd op was.
 
De wekkers kon je ook inzetten bij spelletjes met een tijdelement. Zo speelde ik met mijn oma vaak een spelletje – ik ben de naam kwijt – waarbij je dobbelstenen met letters erop in een bekertje schudde, over de tafel uitwierp en dan binnen een minuut – of twee of drie – zoveel mogelijk woorden met de gedobbelde letters moest maken. Ik won altijd, of ik nu echt won of oma me liet winnen. In beide gevallen voelde het even goed.
 
Anyhoe, ik denk dus voortdurend dat ik word gebeld, wat zelden tot nooit het geval is. De suggestieve trilling resulteert erin dat ik mijn telefoon, die ik dan vaak pas net in mijn broekzak heb gestoken, er weer uithaal om te zien wie me nu weer niet belt. Inmiddels ga ik daar standaard vanuit, maar zeker weten doe ik het nooit. Ik blijf dus opnemen, als een figurant in een computerspel die vastzit in zijn loop.
 
Misschien komt het doordat ik mijn telefoon steeds minder vaak gebruik. Apple vertelt mensen met een iPhone wekelijks over hun hoeveelheid schermtijd. Die was al hoog, zoals vermoedelijk bij 90% van de millennials, die nog steeds niet helemaal bekomen zijn van de intrede van mobiele technologie tijdens hun puberteit, maar liep tijdens de lockdown de spuigaten uit. Online shoppen en gevatte social media posts bedenken gaat immers ook prima vanuit quarantaine.
 
Dus wat ik denk, is dat Apple mijn telefoon soms gewoon even laat trillen, zodat ik hem weer pak, teleurgesteld raak omdat er niemand is die me belt en vanuit mijn inmiddels compleet geconditioneerde non-stop behoefte aan (oppervlakkig) contact met en bevestiging van de buitenwereld alle social media apps ga checken, eventuele prijsdalingen van mijn ge-favorite producten in webshops naloop, nogmaals alle social media check – je weet immers maar nooit of iemand in de tussenliggende minuten iets geniaals heeft gepost! –, de telefoon vervolgens weer wegstop, getril voel, et cetera, enzovoort. Als een figurant in het repetitieve computerspel genaamd Leven.
 
Ik mis mijn oma.

Clint Eastwood

Onze jongste zoon sloeg me laatst meermaals met een speelgoed vuilniswagen in mijn gezicht, maar hij doet ook vaak leuke dingen. Voornamelijk zelfs, zoals wanneer hij zijn speen vliegensvlug in zijn mond laat draaien. Soms maar één kant op, soms de ene kant op en weer terug, en soms een paar keer een kant op, dan weer terug en vice versa, alsof hij een door hemzelf gecodeerde boodschap aan ons probeert door te seinen.

Hoe hij die speen zo soepel heen en weer laat draaien weet niemand, maar het ziet er supercool uit als hij het doet. Hij kijkt er ook heel onaangedaan bij, als een soort baby-Dylan in Beverly Babyhills 90210, of een baby-Fonzie in Happy Babydays. Bij de kinderopvang waren ze er ook van onder de indruk. ‘Hij draait zijn speen in zijn mond, de hele tijd, heen en weer,’ zeiden ze stuiterend van verliefdheid toen ik hem van de week kwam ophalen. ‘We hebben het ook geprobeerd, maar snappen niet hoe hij het doet!’

Jullie hebben het ook geprobeerd? Wat? Anyhoe, het is heel cool ja. ‘Hij lijkt dan een beetje op Clint Eastwood,’ zei ik wel hardop, ‘maar met een speen in plaats van sigaar.’

Ik lachte naar de crècheleidsters om mijn leuk bedachte vergelijking, maar ze reageerden niet, behalve met hun ogen. ‘Clint Eastwood?’ zag ik ze vragen. ‘Clint Eastwood,’ antwoordde ik knipperend. ‘Je weet wel, van Clint Eastwood.’ Dit bleek het einde van ons gesprek.

Het deed me denken aan een situatie van een paar jaar geleden, toen ik nog in het onderwijs werkte, en een leerlinge van me hulp nodig had bij een luisteropdracht voor Engels. Ze moest audiofragmenten beluisteren en er vragen over beantwoorden. Een van de fragmenten was “I’ll be there for you” van The Rembrandts, de titelsong van Friends.

Overvallen door een golf van nostalgie begon ik instinctief mee te zingen. De zang werd vergezeld van hoofdgeknik en vingergeknip en ik besefte, heus, dat ik op dat moment overkwam als een dwaze leraar. Dat had ik mij in die situatie als leerling immers ook gevonden.

Het meisje keek de volle 30 seconden van het fragment – het refrein – roerloos naar het scherm, wellicht ter compensatie van mijn intense beleving.

‘Nou, dat is een makkie,’ zei ik na afloop, nog immer uitgelaten.

‘Ik heb geen idee,’ zei ze.

‘Hoe bedoel je?’ vroeg ik. ‘Het is het liedje van Friends. Dat ken je toch wel?’

Het meisje haalde haar schouders op en keek nog steeds ideeënloos naar het scherm.

‘Friends! Het liedje van Friends! Iedereen kent toch Friends?’ riep ik, nu grenzend aan manisch.

Het meisje zette het liedje weer aan, want aan mij had ze niets. Op dat moment dacht ik aan haar leeftijd en besefte ik dat ze geboren was in 2003, het jaar dat Friends stopte. Zelden heb ik me ouder gevoeld dan op dat moment. Ongeveer zo oud als Clint Eastwood.

Prijsvechten

De kaas is op, ik moet kaas kopen, we eten veel kaas. Dit is geen superkort verhaal over kaas, hoewel ook weer wel, want er zit kaas in, maar had ook ergens anders over kunnen gaan. Kaas is het lijdend voorwerp.

Ons huis bevindt zich in het geometrische en geografische middelpunt van drie supermarkten – ook wel de supermarktdriehoek – te weten een Albert Heijn, Deen en Lidl. Naar de Lidl ben ik nog nooit geweest, want die ligt richting Oostzaan en ik woon al ver genoeg.

De Albert Heijn is de Albert Heijn en ligt in een winkelcentrum. Dit biedt de mogelijkheid om horizontaal boodschappen te doen, bijvoorbeeld bij de Etos, Blokker, lokale bakker of slager, maar wanneer ik maar een paar dingen nodig heb voelt die plek overdadig.

Dat laat één supermarkt over, namelijk de Deen, en daar was ik zonet om kaas te kopen. Waar de aanbiedingen van de Albert Heijn me vaak al via de mail en app hebben bereikt, werkt de Deen nog met op de website ingescande folders die ik nooit lees. Pas als ik er ben zie ik welke producten in de aanbieding zijn, gemarkeerd door een rode sticker met daarop ACTIE in witte letters.

Het lot wilde dat Beemster kaas, een van de betere supermarktkazen, zo’n sticker droeg. Wat de actie precies inhield – m.a.w. hoe hoog de korting was – vertellen ze bij Deen nooit, maar ze zijn prijsvechters en dus kun je ervan uitgaan dat je het voordeel direct in je portemonnee voelt.

Bij het afrekenen viel me op dat er op de kaas geen korting werd aangeslagen.

‘Zit er geen korting op de kaas?’ vroeg ik de caissière nieuwsgierig. ‘Hij heeft immers een sticker.’

De caissière keek naar het stuk kaas, zag de sticker, bestudeerde het overzicht met de door haar gescande boodschappen, zag dat er geen korting was verrekend en besloot de folder erop na te slaan. Ze kon na wat halfslachtig bladeren de aanbieding niet vinden en tikte haar collega aan.

‘Weet jij of deze kaas in de actie is?’

Haar collega draaide zich verveeld om, keek naar de kaas, zag de ACTIE-sticker en besloot in actie te komen. Ze pakte de folder, dezelfde folder die zojuist tevergeefs door haar collega was ‘bestudeerd’, en begon te bladeren. Nauwgezet. Als een detective. Ze stopte, boog zich voorover, legde haar vinger op een bladzijde en draaide zich naar me om alsof ze het sluitende bewijsstuk in een al jaren voortslepende moordzaak had gevonden. Ze hield de folder omhoog, met haar vinger nog steeds op de plek waar de kaasaanbieding zich vermoedelijk bevond, die ik niet kon zien door haar vinger.

‘Het is bij 500 gram kaas.’

Haar collega – mijn caissière – keek me triomfantelijk aan. Zo van ‘Het is alleen bij 500 gram.’

‘Alleen bij 500 gram?’ vroeg ik met onderdrukte verbazing.

‘Ja, 500 gram.’ Om haar triomf te bezegelen hield ze het door mij uitgekozen stuk kaas omhoog en wees naar het gewicht: 514 gram.

‘Geldt de prijs in de folder niet per 500 gram?’ vroeg ik zo redelijk mogelijk.

‘Nee, bij 500 gram,’ zei de collega.

Ik wilde op mijn hoofd krabben, maar deed dat niet.

‘Hebben jullie dan stukken kaas van precies 500 gram?’

‘Het geldt alleen bij 500 gram,’ zei ze nu resoluut, zich ongeduldig terugdraaiend naar haar kassa, waar niemand aan stond.
Ik vroeg me af of ik door moest duwen. Zou ik meer argumenten aandragen, korting afdwingen, met het risico de situatie ongemakkelijk te maken, of inbinden?

‘Wilt u de kaas nog?’ vroeg de caissière, nu ook grenzend aan ongeduld.

‘Sorry?’

‘Of u de kaas nog wilt? Of moet ik hem terugleggen?’

‘Jawel. Ik wil ‘m wel.’

Toen ik nog lichtelijk verbouwereerd thuiskwam besloot ik zelf onderzoek te doen. Ik sloeg mijn laptop open, surfte naar Deen.nl, opende de ingescande folder, bladerde naar de aanbieding en wat bleek? Die gold alleen bij 500 gram. Precies 500 gram. Geen gram meer of minder.

Prijsvechten is een precisiekunst.

Intense interesse

Het zal de oplettende lezer niet zijn ontgaan dat mijn oudste zoon in een tamelijk extreme dino-fase zit. Daar maak ik me inmiddels geen zorgen meer om, want volgens wetenschappers – altijd weer die wetenschappers – heeft een dergelijke ‘intense interesse’ op de lange termijn positieve gevolgen.

De interesse – of het nu om dino’s, helikopters of kiepwagens gaat – is ‘conceptueel’, in tegenstelling tot ‘situationeel’. Met andere woorden, het gaat het kind om dinosauriërs in het algemeen, niet alleen op het moment dat hij een harde brul hoort. Een dergelijke conceptuele interesse bevordert cognitieve processen. Het leert kinderen zich langer te concentreren, grote hoeveelheden informatie te verwerken en draagt bij aan hun kennis. Conceptuele interesses nemen ze mee naar later, als ze naar school gaan en gaan werken, en helpt ze de wereld begrijpen en problemen op te lossen. Tot zover de wetenschap.

In de praktijk betekent het dat we in een dinowereld leven, waarin alles dino is. Boodschappen doen is dus niet gewoon dat, maar een speurtocht naar dinoskeletten. Mijn zoontje wijst me de weg naar de skeletten, vaak in de vorm van hijskranen, en vertelt me dat hij ‘De Meneer’ sprak en dat die zei dat ‘Papa en ik naar het Dinohuis toe moeten. We moeten naar het Dinohuis en daar wonen.’

‘De Meneer’ en ‘De Mevrouw’ zijn door mijn zoontje verzonnen entiteiten met onbeperkte kennis en invloed. Hij raadpleegt ze soms als hij een vraag heeft of als het leven een dilemma opwerpt waar zijn gewone stervelingen van ouders geen antwoord op hebben. ‘Ik vraag het even aan De Mevrouw,’ zegt hij dan, waarop hij naar een hoek van de kamer loopt, in het luchtledige een gesprek voert en terugkomt met een antwoord, conclusie of advies, onomwonden en niet-onderhandelbaar.

Het Dinohuis is in dit geval de ‘This is Holland’-experience achter de EYE bioscoop. We gaan naar binnen, zoals De Meneer heeft geïnstrueerd, worden begroet door liftmuziek en alles Holland, maar zonder ticket kunnen we op een gegeven moment niet meer verder.

De baliemevrouw – niet De Mevrouw – recht alsof ze niet zat te facebooken haar rug en zet een professionele glimlach op. 

‘Hij is op zoek naar dino’s,’ zeg ik zachtjes. ‘En denkt dat hier dino’s zijn.’

De glimlach van de vrouw verandert van professioneel in ongemakkelijk. Ze komt iets omhoog, om mijn zoontje beter kunnen te zien, en zegt nep giechelend: ‘Hier zijn geen dino’s.’

Het verwonderd enthousiasme verdwijnt van zijn gezicht. ‘Oh…’

‘Bedankt hè,’ zeg ik niet sarcastisch genoeg en we lopen terug naar de ingang. Niet iedereen hoeft zijn illusies in stand te houden, denk ik, me ergerend aan haar zuinige mondje en de liftmuziek, waarop en -door je prima zelfmoord zou kunnen plegen.

‘Kom we gaan daar zitten!’ roept mijn zoontje. Hij wijst naar een bankje bekleed met kunstgras.

‘Is dit dinogras?’ vraag ik hem.
‘Nee, gewoon gras.’
‘Oh,’ zeg ik met plaatsvervangende teleurstelling.
‘Maar dat zijn wel dinobotten!’ gilt hij, wijzend naar twee grote witte nepplanten.

De illusie is hersteld.

The Last Dance

Net als de rest van de wereld, maar wel iets later, heb ik The Last Dance gezien, de nietsverhullende 10-delige documentaire over de carrière en het leven van Michael Jordan, aka de beste basketballer aller tijden, aka de GOAT, aka misschien wel de grootste atleet ooit – hoewel ik Roger Federer even hoog inschaal – aka Air Jordan, His Airness, MJ – hoewel ik bij die initialen toch eerst aan Michael Jackson denk -, aka de drijvende kracht achter het succes van de Chicago Bulls in de jaren 90.

Excuus voor de alinealange zin, maar ik lees nu ‘De Verrader’ van Paul Beatty en die trekt zinnen soms paginalang door, bijvoorbeeld wanneer hij een stadsboerderij beschrijft, of wanneer hij uitweidt over hoe zijn vader hem gebruikte als sociaal experiment. Wat ik lees begrijp ik maar half, deels door de stijl, deels door de voortdurende verwijzingen naar (Afro-)Amerikaanse cultuur en geschiedenis, die ik eigenlijk maar oppervlakkig ken. Of ik ben voor sommige boeken gewoon niet slim genoeg. Vroeger was dat iets waar ik me voor kon schamen.

The Last Dance snap ik wel, wat wil zeggen dat ik het kan volgen. Ik ben nooit een basketbalfan geweest, maar Michael Jordan oversteeg de sport. Zijn naam was een begrip, met talloze associaties, ook voor mensen die nog nooit een basketbalwedstrijd hadden gezien. Zijn stijl, de Nikes, de outfits van de Bulls: ze definieerden een tijdperk. Ik werd nostalgisch toen ik de docu keek, ook al heb ik Jordan nooit zien spelen, behalve in Space Jam.

Lang leefde bij mij het kinderlijk naïeve idee dat Jordan zo goed was omdat hij het gewoon was. Dat hij, maar ook Sampras, Van Basten en Schumacher de besten waren in hun sport omdat ze het meeste talent hadden en hun prestaties daar ‘vanzelf’ uit voortkwamen. Alsof het dus ook geen zin heeft om te oefenen of ergens hard voor te werken, want je hebt het nou eenmaal of niet.

The Last Dance toont dat talent een vereiste is, maar de drijvende kracht achter Jordans succes kwam voort uit zijn obsessie de beste te zijn. Om altijd te winnen, tegen elke prijs. Als het moest, stond hij er. Steeds weer. Ja, hij had meer talent dan zijn tegenstanders en medespelers, maar het was zijn competitieve instelling en de drang om zo goed te zijn als hij kón zijn die zijn succes bepaalden.

In aflevering 8 wordt verteld hoe LaBradford Smith, die in een wedstrijd 37 punten tegen de Bulls had gescoord, volgens Jordan na afloop van de wedstrijd cynisch ‘Nice game, Mike’ tegen hem had gezegd. Jordan was daarover zo verbolgen dat hij beloofde in de eerste helft van de return evenveel punten te scoren als Smith in de hele voorgaande wedstrijd. En dat deed hij. Jaren later ging het gerucht dat Smith nooit iets tegen Jordan had gezegd. Toen Jordan ernaar werd gevraagd bleek dat hij het had verzonnen, puur om zich te motiveren voor de wedstrijd. Een beter voorbeeld van zijn competitiedrang is er niet.

De Jordan van nu, die in de docu afgewisseld wordt met een schat aan archiefbeelden, is nog steeds competitief, maar met de blik op een vervlogen verleden. Hij komt kwetsbaar over, met bloeddoorlopen ogen en een vaak trillende stem. Zijn mond lijkt licht verkrampt in een poging voortdurend opborrelend verdriet tegen te houden.

Mist hij de sport? De competitie? De extase van het winnen? Of is het gewoon weemoed? Want als ik er al nostalgisch van word, hoe moet hij zich dan voelen?

Witte schommelstoel

Ik weet dat ze er zijn, de mensen die zich afvragen waarom anderen, zoals ik, op social media ‘nu ineens’ zwarte content plaatsen. En met zwart bedoel ik niet content die letterlijk zwart is, maar die relateert aan zwarte cultuur en de politiek die de belangen van de zwarte mens behartigt. Content die wordt gevoed door het huidige, wereldwijde protest tegen racisme.

Wat ik deel varieert van linkjes naar zwarte muziek tot ‘eye-opening’ citaten van zwarte activisten, nog levend of allang dood. Ik deel muziek die ik al jaren ken, maar waar ik nooit écht naar heb geluisterd. Muziek met lyrics die vertellen over de frustratie en pijn van een levenslang gevecht met scheve kansen.

‘Is dat niet te makkelijk?’ zullen mensen misschien denken. ‘Ben je niet hypocriet, om je als wit kereltje ‘nu ineens’ op te werpen als ambassadeur van de zwarte zaak? Waarom deed je dat eerder niet? Wat maakt jou zo’n lichtend voorbeeld?’

Ik weet zeker dat mensen – mijn witte vrienden op social media – zich dit afvragen, want ik vraag het mezelf ook af.

Er zit een bepaald ongemak bij. Ik twijfelde dan ook om dit stuk te plaatsen, ook omdat ik bang ben fouten te maken als ik me over dit onderwerp uit, maar juist vanwege die twijfel moet ik het doen, denk ik. Het ongemak vertelt me dat ik de confrontatie met mijn eigen overtuigingen moet aangaan.

Dat racisme bestaat, op verschillende manieren, uiteenlopend van expliciet tot subtiel, weet ik. Dat heb ik altijd geweten, opgroeiend in het gemêleerde Den Haag, met een rijk kleurenpalet aan vrienden. Maar pas nu ben ik ervan doordrongen. Van mijn eigen rol in dat proces, hoe onbedoeld en onbewust ook. Van de enorme voorsprong – hij is echt gigantisch – die ik heb op zowat elk ander mens omdat ik een witte man ben. Die ook nog eens geboren is in de gegoede middenstand. In een van de rijkste landen ter wereld. Laat dat kraslot maar achterwege, de loterij heb ik allang gewonnen.

Het is zo’n gigantisch voordeel dat het bijna crimineel is. En wat ik nu besef, is dat je in dat besef niet achterover kunt leunen. Het is niet ‘mijn’ schommelstoel, die ik op basis van merites heb verdiend. Het is een scheve gift, een stoel die schommelt over het gigantische nadeel van anderen heen, die niet geheel toevalligerwijs minder wit zijn dan ik. Dát is privilege en privilege impliceert een disbalans. Waar de één meer heeft, levert de ander in.

Dus deel ik nu, door het ongemak heen, en ondanks het mogelijke oordeel van anderen in vergelijkbare schommelstoelen, inhoud die mij wat leert en dus ook leerzaam kan zijn voor anderen. Dat is het minste wat ik kan doen. Nee, het is te weinig, maar laat het de eerste stap zijn in een hobbelig leerproces.

Ik doe dit niet om mijn morele straatje schoon te vegen, maar omdat ik denk dat we in een veel vrediger en liefdevoller wereld kunnen leven. Die komt met evenwicht en wederzijds begrip, zoals bijna alle geluk, en is buiten bereik als hele bevolkingsgroepen aan het kortste eind blijven trekken.

Snoep is lekker zoet

Mijn zoontje van 3,5 komt naar me toegelopen en ik knijp ‘m al meteen want ik wil niet meer over dinosaurussen praten. Ik kan het niet meer. Hij kan het wel en het is enige wat hij wil. Hij wil vooral steeds over dezelfde dinosaurussen praten, over dezelfde aspecten ervan, de hele tijd. Hij wil er vragen over stellen, dingen over vertellen, verzinnen, ze maken van Duplo, boetseren van klei, tekenen op papier, ze uitknippen en er dan mee spelen, met al die verschillende gemaakte en verzonnen verschijningsvormen van dino’s. En hij wil dat allemaal met mij, of met degene die op dat moment met hem in een ruimte is.

Ik zet me schrap voor zijn vraag of het tegenovergestelde daarvan, wanneer hij begint met ‘Weet je…’ en me dan iets vertelt wat ik wel of nog niet weet. Maar dat maakt verder niet uit, mijn al aanwezige kennis, want vertellen zal hij het me. En dat is natuurlijk ook hartstikke mooi en leuk, maar ook… naja, eentonig. Want ze zijn al heel lang dood hè, die dino’s. Er gebeurt weinig meer mee.

Hoewel, nee, dat is niet waar. Dat is juist de paradox van dino’s, dat ze al heel lang niet meer bestaan, maar nog steeds evolueren omdat wij steeds meer over ze te weten komen. Dat het eigenlijk gewoon uit de klauwen gelopen kalkoenen waren, bijvoorbeeld, met veren. Maar dat zeg ik niet, want dan krijg ik een triceratops in mijn oog.

‘Snoep is lekker zoet,’ zegt hij met een aardbeienschuimpje tussen zijn vingers. Hij neemt er een lik van.
‘Dat komt door de suiker,’ leg ik hem ongevraagd uit, opgelucht dat ik niet voor de 700ste keer hoef te vertellen hoe de dino’s aan hun eind kwamen.
‘Dat is heel lekker,’ reïtereert hij zijn stelling.
‘Ja, maar het is niet zo gezond,’ probeer ik mijn uitleg te verduidelijken, nog steeds ongevraagd, maar vanuit de behoefte hem de keerzijde van lekkere dingen te leren. Dat is het ouderschap vaak; keerzijdes belichten.
‘Nee?’ vraagt hij kinderlijk naïef, waar hij als driejarige volledig mee wegkomt.
‘Ik zal je iets uitleggen,’ zeg ik, tamelijk belerend. ‘Sommige dingen zijn lekker én gezond, zoals aardbei, tomaat en peer. Sommige dingen zijn niet lekker maar wel gezond, zoals spliterwten en witte bonen, en heel veel dingen zijn lekker en niet gezond, zoals snoep, chips en koekjes.’

Het blijft even stil. Mijn zoon kijkt me niet aan, want hij kijkt naar zijn schuimpje. Hij concentreert zich volledig op de volgende lik. Hij laat de artificiële aardbeiensmaak nogmaals goed op zich inwerken, kijkt naar me op en heft zijn nog vrije vinger waarschuwend in de lucht.
‘En nu zal ik JOU iets uitleggen,’ zegt hij krachtig. ‘Ik ben DOL op snoep en ik vind het SUPERlekker!’

Hij stopt het hele schuimpje in zijn mond en beent weg. Volgende keer hebben we het wel weer over de lokroep van de parasaurolophus.

Dit, maar ook dat

Omdat de traditionele (nieuws)media tegenwoordig vaak hopeloos achterlopen op de actualiteit – zeker wanneer die actualiteit zich supersnel ontwikkelt, zoals nu – haal ik mijn informatie uit social media. Daar is een (oneindige) veelheid aan bronnen die de zaak vanuit meerdere hoeken belichten, oneindige hoeken, wat op zijn beurt ook weer problemen met zich meebrengt.
 
Opgejut door de megasnel morfende actualiteit heb ik behoefte aan duiding, houvast. Ik wil het weten, alles, zodat ik op basis van alle voorhanden zijnde kennis een mening kan formuleren. Maar wat ik merk, is dat de mensen op sociale media actuele en niet-actuele zaken wel vanuit meerdere hoeken belichten, maar dat vaak helemaal niet genuanceerd doen. Als het dan om een onderwerp gaat waar ik nog (te) weinig van weet, kan het zomaar gebeuren dat ik me door een post laat beïnvloeden en naar een uiterste van het meningenspectrum geslingerd wordt. Maar ik scroll verder en lees dan iets anders wat me heel erg aanspreekt, iets wat misschien wel haaks staat op wat ik daarvoor nog las en waarmee ik het zo eens was. Zo slinger ik de andere kant op, en later weer terug, enzovoort.
 
Na het lezen van al die uit de context gescheurde meningen, vaak vergezeld van schokkende filmpjes of grafieken, blijft de pendulum ergens in het midden hangen, waar ik ongeveer begon, met als voornaamste verschil dat ik uitgeput ben, zuchtend onder een hoofd zwaar van contrasterende gedachten.
 
Over de anti-racisme demonstratie, en dan met name het handelen van Femke Halsema, verschenen de volgende dag veel meningen, zowel in kranten als online. Veel mensen, die vermoedelijk sowieso geen fan zijn van Femke, vonden dat ze weg moest. Anderen prezen de moedige burgemeester. Sommigen vonden het onverantwoordelijk van al die mensen op De Dam, anderen staken verbaal de vuist omhoog voor de getoonde solidariteit. Voor beide stellingen over beide onderwerpen bestonden goede argumenten, vaak overtuigend verwoord. Maar het leek wel of de middenweg – vinden dat de reden van demonstreren juist was, maar de manier waarop onverantwoordelijk – niet kon of mocht worden bewandeld.
 
Tijdens het lezen van alle extreme stellingnames, voor of tegen Femke en de demonstratie, begon ik me bijna schuldig te voelen over mijn eigen mening: ‘Goede demonstratie, onhandig uitgevoerd.’ Alsof wat ik vond niet sterk genoeg was. ‘Ja dit, maar ook dat’ is geen optie. Je moet kiezen, anders heb je geen ruggengraat. Misschien heb ik die ook niet, want ik twijfel heel vaak aan heel veel dingen. In de belichting van verschillende kanten zie ik de goede kanten van de belichte kant, omdat die op dat moment zo helder is. Dan denk ik misschien negatief over de onbelichte kant, en al het onzichtbare wat zich daar bevindt. Maar zet het spotje op een andere plek en alles is anders. Voor wordt tegen, ja wordt nee, en de kluwen aan opinies steeds minder goed te ontwarren. Misschien kan ik het spotje beter helemaal uitdoen.