Black Death 66

De man van Curry66 vraagt me hoe pittig ik mijn saus wil. De Hausesause komt in 4 varianten of ‘levels’ van scherpte, oplopend in kleur van geel naar oranje. 0 is classic, 1 angenehm, 2 mittelscharf en 3 scharf. De man neemt me op en suggereert mittelscharf. Ik ken mezelf en mijn intolerantie voor voedsel dat anderen als ‘gematigd pittig’ bestempelen en weifel een moment. De man ziet mijn weifeling en zegt dan ‘classic ist neutral’. Mijn neiging tot het sluiten van compromissen resulteert in de keuze voor nummer 1.‘Angenehm sounds good,’ zeg ik, maar de man lijkt me niet te verstaan.

Zodra ik de currywurst proef, weet ik dat ik best voor ‘classic’ had kunnen gaan. Maar het is te doen. Mittelscharf was zeker ‘unangenehm’ geweest, en daar hou ik niet van.

Tijdens het eten van de worst, die alle behoeften bevredigt die ik op het moment van eten heb, zie ik, naast de lijst met ‘Housesauce’, nog een lijst af- of oplopend van donkeroranje naar diepdonker bloedstollend rood. Erboven staat ‘Scovillesaus’, afgebakend door de afbeeldingen van een groene (links) en rode (rechts) peper. Nu weet ik dat de Scovilleschaal een lijst is van de heetste chilipepers. De Indian Summer (4), Scharfe Emma (5), Asia Tiger (6), Volle Möhre (7), Dirty Devil (8), Balla Balla (9) en Black Death 66* (10) zullen daar allemaal op staan. Die laatste komt met een veiligheidswaarschuwing: *) nur mit schriftlichem Einverständnis. Met andere, Nederlandse woorden: om die te kunnen eten moet je een schriftelijke overeenkomst sluiten met de currywurstverkoper, zodat hij niet aansprakelijk is als de Black Death je fataal wordt.

Ik vraag hem of iemand die ooit bestelt. Hij antwoordt dat hij zelden scherper dan nummer 5 verkoopt. Als iemand nummer 10 wil, laat hij ze eerst nummer 7 proeven. De meesten komen dan op hun voornemen terug. Om zijn punt kracht bij te zetten haalt hij een papieren bordje uit een klein koelkastje dat verstopt staat onder de toonbank. Hij prikt met een minuscuul plastic vorkje kort in de roodste van de twee sauzen op het bord. Op het vorkje zit nu de kleinst mogelijke hoeveelheid saus – de eerstvolgende stap na een vorkje zonder saus. De man houdt het vorkje voor mijn gezicht. ‘Ist das die Black Death?’ vraag ik voor de zekerheid. ‘Sieben,’ antwoordt hij met een tegelijkertijd ernstige en geruststellende blik.

Met enige huiver breng ik mijn mond naar de vork. Ik laat de saus op me inwerken, met een gezicht alsof ik naar een ingewikkeld kunstwerk kijk. In eerste instantie proef ik niks omdat mijn smaak nog gedomineerd wordt door angenehm. Maar na een seconde of 10 wordt die vakkundig verdreven door een scherpte met de doelgerichtheid van Gerd Müller. Ik kijk de curryman aan, knikkend, overkomen door een nieuw, dieper respect voor de natuur en de wapens die ze groeit.

‘Wer zum Teufel bestellt dann Nummer 10?’ vraag ik. ‘Nur Engländer und Mexikaner,’ antwoordt hij. Ik betaal, bedank de man en vertrek.

Als ik de deur uitloop en het leven enigszins terugkeert in mijn mond, denk ik: Engländer?

511

Treinreizen leent zich goed voor het schrijven van stuckjes. Het vlug voorbijtrekkende landschap zet hersenprocessen in werking die wij scharen onder de noemer ‘inspiratie’. Dit is bewezen door een wetenschapper, maar ik weet niet meer door wie, wanneer en waar ik het heb gelezen of gehoord. Het enige wat ik weet, is dat het zo is, omdat ik het zo ervaar.
 
In de trein waarin ik nu zit, de tweede van vandaag, de snellerd (250 km/u) van Hannover naar Berlijn, zit een man die Duits spreekt alsof hij de voice-over is in een film. Een documentaire. Werner Herzog, maar dan lager, met meer bas. Zijn stem galmt en contrasteert schril met de schrille stemmetjes van kinderen. Ik kan ze niet zien en weet niet of ze van hem zijn.
 
Nu verwachtte ik door het voorbijtrekkende landschap en het opvallende stemgeluid van de man genoeg inspiratie op te doen voor het schrijven van een heel stuckje, maar ik merk dat het stockt. Misschien kan ik verdergaan over de twee jonge vrouwen naast me, die nu (pas?) overleggen over wat ze in Berlijn allemaal willen gaan doen.
 
De rechter (maakt verder niet uit) zegt iets over clubs in Berlijn. Dat er zoveel van zijn en dat ze zo gaaf zijn. Het linkermeisje knikt halfslachtig en haast zich dan om te zeggen dat ze ‘op zich’ wel één of twee keer uit wil gaan, maar ‘echt niet’ elke avond op stap hoeft. Hierop zwijgt het rechtermeisje, die andere verwachtingen lijkt te hebben. Misschien hadden ze dit van tevoren moeten bespreken, denk ik, en denken zij nu wellicht ook.
 
Traditiegetrouw gaan mijn vriend René en ik elke anderhalf á twee jaar naar Berlijn. Nee, we bespreken dan niet wat we van dag tot dag gaan doen, maar we hebben wel een globaal idee op basis van onze aan elkaar uitgesproken doelen en wensen. Of daar vervolgens wat van terechtkomt is een tweede, maar deze gang van zaken leidt in de trein in ieder geval niet tot ongemakkelijke momenten zoals de vriendinnen (ga ik maar even vanuit) naast me nu ervaren.
 
Nu dan, heb ik nu genoeg voor een stuckje? 356 woorden pas, mijn god. 360 nu.
 
Rijdt de trein niet hard genoeg? Is het voorbijtrekkende landschap te saai? Er hangt wel zonwering voor. Desondanks is het trouwens alsnog heel warm in de trein. Misschien is dat het. Ja, dat is het! De warmte! Daarin gedij ik niet. Sterker, het werkt contraproductief. Contra-alles, eigenlijk, behalve voor mijn zweet.
 
Ja, het is de hitte. Daardoor stockt de inspiratiemachine. De warmte – zeg maar gerust benauwdheid – legt mijn creatieve synapsen lam. En niet alleen die van mij hè, ik zie niemand in de coupé iets creëren. Die Duitse voice-over man maakt niets, het is gewoon hoe hij praat. De vriendinnen naast me weten niet eens wat ze in Berlijn gaan doen. Er komt nog bij dat de man achter me zijn telefoon niet op stil heeft gezet en constant berichtjes krijgt. Dat is het gewoon, de berichtjes, de hitte, de voice-over stem en de besluiteloze vriendinnen.
 
Hoppa, 510 woorden. 511.

Scheve loop

Ik heb gesport en probeer, voordat ik mijn kinderen moet ophalen van de opvang, en nadat ik een broodje haring heb gegeten, nog even te werken in de OBA in Molenwijk. Er is plek aan de leestafel en dus ga ik daar zitten, al is dat technisch gezien niet wat ik ga doen, lezen. Ik ga schrijven, en als ik schrijf lees ik wel de tekst die ik schrijf, soort van achter de letters aan, maar het is toch iets heel anders. Dat hoef ik verder niet uit te leggen.
 
Mijn tijd is spaarzaam – drie kwartier heb ik – en wil ik goed benutten. Efficiënt. Ik open het betreffende document en probeer mijn inner Mr. Miyagi te channelen om direct in de goede concentratie te zitten, en me niet teveel af te laten leiden door het feit dat ik in deze vestiging van de OBA nog nooit heb zitten werken, dat het gek is dat ik hier 3 minuten lopen vandaan woon en dat werken hoegenaamd niet iets is wat mensen hier doen. Je bent nu eenmaal een pionier of niet.
 
Mijn hoop wordt tenietgedaan door de binnenkomst van drie oudere vrouwen, die, uiteraard, zo ongeveer naast mij aan de leestafel komen zitten. Er wordt met veel kabaal een extra stoel gehaald en vervolgens met veel kabaal geconverseerd in plaats van gelezen. De aanleiding en inhoud van het gesprek zijn begrijpelijk, want ze praten over de oorlog in Oekraïne, hoe afschuwelijk ze het vinden en hoe kwaadaardig Poetin is. Hoe kan iemand zo slecht zijn, vragen ze zich af.
 
Van de oorlog verschuift het zwaartepunt van het gesprek kortstondig naar corona. Iemand die ze kennen heeft het, zij willen het niet. Ze passen wel op. De vrouw die het verst van mij zit zegt dat ze ‘haar’ zag bij de Voedselbank. ‘Ik bleef wel uit haar buurt!’ De andere vrouwen snappen het volkomen en gaan dan weer verder over de oorlog. ‘Ik vind het zo erg voor de kinderen.’
 
Dan vraagt de vrouw die het dichtst bij mij in de buurt zit of ze me storen.
 
‘We storen u toch niet meneer?
 
‘Neu…’ zeg ik, met een liegrimpel in mijn voorhoofd. Wat hier ontbreekt, denk ik, is een buurthuis. Een café. Vooruit, een theehuis dan.
 
‘We storen u toch niet?’
 
Nee hoor, lieg ik weer, nu rimpelloos. Huid went snel. Wat moet ik dan, ze wegsturen? Zelf weggaan? Dat vind ik zo melodramatisch. Dus blijf ik zitten, verbijt me een beetje en probeer verder te tikken terwijl de vrouwen niet echt zachtjes doorpraten.
 
‘Sorry hoor, we storen u toch niet?’ vraagt de vrouw nu voor de derde keer, vermoedelijk omdat ze zich ervan bewust is dat ze me wel degelijk storen.
 
‘Nee hoor.’
‘Ik moet even mijn ei kwijt,’ zegt ze. ‘Het is zo verschrikkelijk. Ik moet echt even mijn ei kwijt.’
 
Er is geen ei te bekennen.
 
‘Ja, het is ongekend wat we zien,’ draag ik mijn ei bij, werken lukt zo toch niet. ‘Ongekend voor mij dan. Onvoorstelbaar. En ik wil het me ook niet voorstellen.’
 
De vrouw knikt en schudt haar hoofd op de juiste momenten.
 
‘Mensen zijn op de vlucht, hebben alles achtergelaten. Alles is kapot. Dat hebben we op deze schaal in Europa al 70 jaar niet gezien. Maar ik ben van na de oorlog,’ zegt ze.
 
‘Ik ook,’ antwoord ik. Ze glimlacht. Zo jong ben ik nog wel.
 
‘Mijn vader is in de oorlog verraden,’ zegt ze dan. ‘Hij moest toen in een Duitse munitiefabriek werken, geweerlopen recht maken. Maar mijn vader was handig, dus maakte hij ze allemaal scheef.’
 
Ze maakt er een gebaar bij.
 
‘Is hij teruggekomen?’ vraag ik.
‘Ja, anders was ik niet geboren,’ antwoordt ze met een glimlach.
‘O nee…’
 
De vrouw draait zich weer naar haar vriendinnen. Ik probeer me terug naar mijn werk te Miyagi’en, maar dan kijk ik naar de klok: de tijd is op.

Stück

Een week of drie geleden ontving ik een mailtje van een journalist van Süddeutsche Zeitung. Hij had mijn artikel in de Volkskrant gelezen, over de effecten van de oorlog in Oekraïne op de nabestaanden van de MH17-ramp, alsmede de reactie op dat stuk van Sheila Sitalsing. 

Hij werkte aan een verhaal over de ‘Retraumatisering’ (een prachtig woord, ondanks de negatieve lading) van de nabestaanden van de ramp door alles wat er momenteel in Oekraïne gebeurt, en de herstart van het proces tegen de verdachten van het neerhalen van MH17.

We spraken af, dronken ginger ale, en hadden een ruim twee uur durend gesprek over al het bovenstaande, plus nog een hoop andere zaken.

Zijn stuk is inmiddels gepubliceerd, maar zit achter een onverbiddelijke Duitse paywall. Hij heeft me de tekst gestuurd, die heb ik hieronder geplakt voor wie geïnteresseerd is in zulks.

Wel in profi-Duits dus, waar Google Translate geen recht aan doet. Zie het als een korte opfriscursus.

(der, des, dem, den, die, der, der, die, das, der, dem, das… und so weiter.)

Das Stück:

Abschuss von Flug MH17: Eine Retraumatisierung, acht Jahre danach

25. März 2022

Die Bilder vom Krieg in der Ukraine wühlen bei den Menschen, die 2014 beim Abschuss von MH17 Angehörige verloren haben, alles wieder auf. Und in Amsterdam läuft der Prozess gegen die mutmaßlich Verantwortlichen aus Russland – doch er kann das Leid kaum mildern.

Von Thomas Kirchner, Amsterdam

Als MH17 im Juli 2014 im Osten der Ukraine vom Himmel geschossen wurde, verlor Remco de Ridder seine Halbschwester, deren Mann und die zwei Kinder. Fast acht Jahre ist das nun her. Wenn man ihn fragt, ob er das einigermaßen bewältigt hat, sagt er: “Jedes Mal, wenn ich ein Flugzeug sehe, denke ich an MH17. Und ich sehe viele Flugzeuge hier in Amsterdam. Ich hatte nie Flugangst, aber jetzt ist Fliegen eine schreckliche Erfahrung für mich.”

Der russische Einmarsch in die Ukraine rührt alles wieder auf in ihm. “Ich schlafe schlechter, wegen eines Krieges, an dem ich nicht beteiligt bin.” Die eiskalten Lügen aus dem Kreml, das bewusste Verdrehen der Wahrheit, das Verbreiten von Desinformation: De Ridder, 39, gelernter Journalist, kennt das, so war das damals auch, als man Russland für den Absturz des Flugzeugs und den Tod von 298 Menschen verantwortlich machte. Was Moskau bis heute zurückweist. “Wie viel Wut da nun sein muss in der Ukraine!” Er selbst habe, “obwohl ich kein gewalttätiger Mensch bin”, ein paar Mal davon geträumt, Wladimir Putin zu verprügeln. Das werde immer schlimmer, sagt er leise. “Ich will wirklich, dass er stirbt.”

Jos de Keijser ist klinischer Psychologe an der Universität Groningen und Experte für “komplexe Trauer”. Er untersucht die Leiden der MH17-Angehörigen seit 2014 und hat viele von ihnen als Psychotherapeut begleitet. Sie erlebten gerade eine “Retraumatisierung”, sagt er: “Durch die Bilder, die sie täglich sehen, kommt die Vergangenheit wieder hoch. Sie fühlen sich machtlos, unsicher – mit den üblichen Folgen wie Schlafstörungen oder Konzentrationsproblemen.” So schmerzlich die Bilder seien, könnten sie doch nicht wegschauen, “es ist wie eine Obsession”. Eine Patientin sei gerade eine Woche wandern gegangen, ohne Telefon. Dieses Wegsehen sei “harte Arbeit”. Wirklich helfen könne er den Menschen nicht.

Die Ermittler sammelten jeden Splitter ein. Am Ende hatten sie keinen Zweifel mehr
Der Absturz von MH17 war nicht nur eine Tragödie für die Familien der 196 Niederländer, die damals starben. Er war ein nationales Trauma. Als die Maschine mit den Überresten der Opfer auf dem Flughafen Eindhoven aufsetzte, stand das ganze Land still. Die Flügel der Windmühlen wurden in “Trauerstellung” versetzt, leicht schräg. Die Kaltschnäuzigkeit, mit der der Kreml seine Schuld verleugnete, tat nicht nur den Angehörigen weh, sie sorgte für kollektive Empörung, die das gesamte Verhältnis der Niederlande zu Russland umkrempelte. Es war mal besonders gut, hatte sich aber schon seit 2013 nach diversen diplomatischen Hakeleien eingetrübt. Heute sind die Niederländer laut einer Umfrage unter allen Europäern am kritischsten eingestellt gegenüber der Invasion Russlands.

Das einzige, was sie Putins Lügen damals entgegensetzen konnten, war der Rechtsstaat. Feststellen, wie es wirklich war, und wer es war: Das wünschen sich wohl alle Angehörigen von Verbrechensopfern, es hilft ihnen, den Schmerz zu verarbeiten. Ein internationales Ermittlerteam sammelte an der Absturzstelle jeden Splitter ein, und am Ende einer äußerst aufwendigen forensischen Untersuchung, die untermauert wurde von Erkenntnissen der Recherchegruppe Bellingcat, blieb kein Zweifel an der Schuld Russlands, das die ostukrainischen Rebellen militärisch stützt: Die Rakete, die das Flugzeug traf, wurde von einem Flugabwehrsystem des Modells Buk-M1 Telar abgefeuert. Es war kurz zuvor von Russlands 53. Luftabwehrbrigade im russischen Kursk in die Nähe des ostukrainischen Ortes Snischne gebracht worden, wo zu dieser Zeit heftig gekämpft wurde. Bedient wurde die Buk wohl von russischen Soldaten, von wem genau, ist nicht bekannt.

Wohl aber glaubt man zu wissen, wer das Gerät in seine Position brachte und letztlich für den Abschuss verantwortlich war: Igor Girkin, Leonid Chartschenko, Oleg Pulatow und Sergej Dubinskij, die den pro-russischen Rebellen in der Ostukraine angehörten. Weil alle Versuche, den Fall vor ein internationales Gericht zu bringen, am Widerstand des Kreml scheiterten, blieb den Niederlanden nur, im eigenen Land einen Strafprozess gegen diese Männer zu eröffnen.

Nach fast sechsjährigen Vorarbeiten begann das Verfahren im März 2020 im Justitieel Complex Schiphol (JCS), am Rande des Flughafens Amsterdam. Der JCS ist eigentlich ein Abschiebegefängnis mit Gerichtssaal. Stacheldraht und Elektrozäune sichern den größten Teil des flachen, langgezogenen Quaders. Vor Jahren verteidigte sich der Rechtspopulist Geert Wilders hier gegen den Vorwurf, Hass auf Marokkaner geschürt zu haben.

Keiner der vier Angeklagten sitzt im Gerichtssaal. Russland liefert sie nicht aus
Der Sicherheitsaufwand wirkt überflüssig, denn keiner der Angeklagten nimmt an dem Verfahren teil. Russland liefert sie nicht aus, erkennt das Verfahren nicht an. Aber die niederländische Justiz will fernab aller Störfaktoren arbeiten. Die Staatsanwaltschaft stützt sich auf die internationalen Ermittlungen und eigene Untersuchungen, alle anderen Szenarien hat sie ausgeschlossen. Sie wirft den Männern 298-fachen Mord vor und fordert für jeden von ihnen eine lebenslange Freiheitsstrafe. Man habe sich viel Mühe gegeben mit der Anklageschrift, sagte Digna van Boetzelaer, die das Team der Staatsanwaltschaft leitet, in einem Interview. “Du sitzt im Glashaus, die ganze Welt schaut zu. Es darf nichts schiefgehen.” Etwas zu wissen heiße noch lange nicht, es auch strafrechtlich beweisen zu können. “Man kann sagen, es gibt ein Foto derBuk-Rakete im Internet. Dann kommt die nächste Frage: Wer hat das Foto gemacht? Wo kommt die Person her? Ist sie verlässlich?”

Die Ankläger gingen laut Boetzelaer davon aus, dass es ohne Angeklagte auch keine Verteidigung geben werde, weshalb sie denkbare Einwände in ihr Plädoyer einschlossen – ein zusätzlicher Aufwand. Dass sich einer der Männer, Pulatow, dann doch verteidigen ließ, hat den Charakter des Verfahrens stark verändert. Seine beiden niederländischen Anwälte äußern sich gerade in der laufenden Sitzungsperiode.

An einem Tag der vergangenen Woche kann man erleben, wie sie argumentieren. Wegen eines Corona-Falls ist der Anwalt nur per Video zugeschaltet. Stundenlang reitet er auf angeblichen Schwächen der Ermittlung herum. Man habe nicht genügend gesucht, sagt er, verlasse sich auf “Wahrscheinlichkeit” statt “Sicherheit”, als Explosionsquelle komme auch anderes infrage als eine Buk-Rakete. Es wird sehr technisch, er präsentiert diverse Fragmente, die man “anders deuten” könne als die Staatsanwälte. Es habe damals viele Buks gegeben im Abschussgebiet, auch ukrainische. Es spreche viel dafür, dass die Rakete von einem Ort abgefeuert worden sei, der unter Kontrolle der ukrainischen Armee stand.

Die Anwälte agieren also exakt, wie es Marieke de Hoon, Juristin an der Freien Universität Amsterdam, erwartet hatte: “Zweifel sähen”, alternative Theorien ins Spiel bringen, das Bild eines “unehrlichen Prozesses” entstehen lassen. Es sei ein ukrainisches Kampfflugzeug gewesen, hatte Moskau schon 2014 behauptet. Die “Beweise”, die man präsentierte, waren offensichtlich gefälscht; daneben lancierte Russland vor Prozessbeginn eine massive Desinformations- und Sabotagekampagne, an der der Geheimdienst GRU ebenso beteiligt war wie einige niederländische Helfer.

Für die Angehörigen war und ist das schwierig zu ertragen. Im vergangenen Herbst durften sie sich selbst äußern vor Gericht. “Die Verantwortlichen leugnen einfach alles, sie lügen. Das ist das Schlimmste”, sagte Rob Frederiks, der seinen 23-jährigen Sohn verlor. “Was ihr uns angetan habt! Die Folgen sind unbeschreiblich.”

Frühestens für September wird das Urteil erwartet. Eine Genugtuung wird das kaum für die Angehörigen; die mutmaßlichen Täter sitzen in Russland und können nicht belangt werden. Ein Schuldspruch wird den Hass auf Putin nicht mindern, den Remco de Ridder empfindet. Und doch sieht er einen Sinn in dem Verfahren, sagt er, und zitiert aus einer Zeitungskolumne: “Es scheint ganz wenig zu sein, und es ist doch ganz viel.”

Averechts

Nu de mondkapjes af zijn beland ik vaker in gesprekken. Vaker dan toen we nog mondkapjes droegen, maar ook vaker dan daarvóór. De monden zijn bevrijd en lijken die hernieuwde vrijheid te willen vieren door zich te openen. Ik merk dit niet alleen bij anderen. Er is geen voorbijganger die ik niet groet. En elke voorbijganger die een gesprek wil aangaan ontvang ik met open armen. Figuurlijk dan.

Iemand die nergens van bevrijd hoeft te worden is mijn jongste zoon. De staat van de pandemie is niet van invloed op het gebruik van zijn stembanden en ledematen. Dat de grote mensen nu niet langer met een half bedekt gezicht geforceerd afstand houden, betekent niet dat hij bij de bakker nu méér breakdancet dan voorheen. De hoeveelheid breakdancing, geneurie en gezang is gelijk. Geen pandemie die de intrinsieke energie van een kind kan aantasten. Dat is geruststellend.

Nee, dan appelsap. Dat heeft wél de macht zijn energie te sturen. De belofte van appelsap maakt hem doelgericht en meegaand. Het laat hem luisteren en houdt hem stil. Voor even dan, want ook de appelsap raakt op, en daarmee zijn stilte. Hij schreeuwt dat hij méér appelsap wil. Hij rent door de bakkerswinkel en eist taart. Alles met chocola. Hij houdt zo van chocola geef me chocola, schreeuwt hij. Ik zeg hem dat schreeuwen geen zin heeft. Sterker nog, het werkt averechts.

‘Wat is aawfrets?’ vraagt hij.

‘Nou…’ zeg ik, twijfelend over hoe ik dit ga uitleggen.

De oude man schuin tegenover ons aan de lange bakkerstafel bespeurt mijn twijfel.

‘Ik ben benieuwd hoe je dat gaat uitleggen,’ zegt hij grijnzend.

‘Jaha,’ zeg ik, even benieuwd. Tegen mijn zoontje begin ik vervolgens een ingewikkeld verhaal over hoe sommige acties een tegengesteld effect kunnen hebben. Vervolgens probeer ik ‘tegengesteld’ en ‘effect’ uit te leggen en vervolgens stop ik omdat het me niet lukt en hij toch al niet meer luistert. Hij breakdancet nu tussen de stroopwafels en krentenbollen.

‘Het is een breisteek,’ zegt de man dan.

‘O?’ zeg ik.

‘Recht en averecht. Een steek in de tegenovergestelde richting. Veel mensen weten dat helemaal niet.’

‘Daar behoor ik toe.’

‘Jaha, zo zie je maar.’

‘Inderdaad zeg. Maar dat is met veel woorden hè, dat we de oorsprong zijn vergeten. En ze te pas en te onpas maar voor andere zaken gebruiken. Jammer is dat.’

De man kantelt zijn hoofd en klikt met zijn tong, alsof hij wil aangeven dat hij niet weet of dat wel zo jammer is. Het is gewoon hoe het gaat, weet hij uit ervaring.

De man staat op en loopt naar de uitgang van de winkel. Hij zegt nog wat dingen over taal en over breien, die ik niet helemaal hoor en waar ik niet op reageer omdat ik op het woord ‘etymologie’ probeer te komen. Dat lukt me pas tijdens het schrijven van dit stuckje.

Cancelmok

Wanneer er sprake is van een situatie die zich kenmerkt door groot onrecht fantaseer ik vaak dat ik over superkrachten beschik waarmee ik het onrecht recht kan trekken. Voorbeelden van dergelijke krachten zijn onzichtbaarheid, onsterfelijkheid en de mogelijkheid door de tijd te reizen. Vooral die laatste prikkelt mijn verbeelding, wellicht ingegeven door de grote hoeveelheid films die ik heb gezien met een tijdreiselement.
 
Eén van die films is het matige Timecop uit 1994. Jean-Claude van Damme speelt een agent in de toekomst die, inderdaad, gebruikmaakt van tijdreistechnologie om misdaden op te lossen. Er is met name één scène die me is bijgebleven, waarin een crimineel met een automatisch pistool terugreist naar een tijd zonder automatische pistolen en hij zodoende in het verleden rondloopt met een soort superkracht waarmee hij zijn doelen snel bereikt.
 
Nu, bijvoorbeeld, zou ik wel in een toekomst willen leven waarin we niet alleen de technologie van tijdreizen beheersen, maar ook die van teleportatie en ik mezelf zo op de schoot van Poetin zou kunnen teleporteren teneinde hem uit te schakelen. Een wapen zou ik daarvoor niet eens nodig hebben, want ik ben hartstikke zwaar. Ik zou hem knuffelen en ons samen terugteleporteren naar mijn tijd, waarin Rusland, onder leiding van de achterachteracherkleindochter van Alexei Navalny, net verkozen is tot ‘gezelligste democratie ter wereld,’ met Noord-Korea als runner-up.
 
Vooralsnog blijft het bij een fantasie en moeten we mee blijven doen aan deze met de dag grimmiger lijkende realiteit. Informatie delen, geld doneren, kleding verzamelen, stuckjes schrijven – die mogelijkheden heb ik nú, afgezien van bijdragen aan de grootschalige cancelling van alles Russisch.
 
De economische sancties, het weglopen van diplomaten bij een videotoespraak van de Russische premier Lavrov, het uit internationale competities weren van Russische sportteams, Apple dat in heel Rusland zijn deuren sluit; wat we zien is de grootste uiting van cancel culture tot nu toe. Het is de cancelling van een heel land.
 
Ik cancel Rusland al een jaar of acht en merk dat ik mijn gewoontes niet hoef aan te passen, maar vanochtend kwam ik tot het besef dat ik al jaren koffie drink uit een Russische beker. In 1993 was ik met het Haags Matrozenkoor in het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS), de sexy benaming voor de uiteengevallen Sovjet-Unie. Ik was destijds 10 en herinner me flarden die de afgelopen dagen steeds scherper in de poel van mijn geheugen naar boven komen drijven.
 
Zo herinner ik me dat de eerste McDonald’s van Rusland toen net was geopend in Moskou, en Moskovieten op straat massaal naar de gele M stonden te staren. Een sterker beeld van infiltrerend kapitalisme heb ik daarna niet meer gezien.
 
Ik herinner me het enorme pak roebels in mijn portemonnee, en hoe mijn neef en ik tijdens een uitje met onze gastmoeder en haar zoon alleen onszelf trakteerden op nog een rondje hotdogs en cola. De enkele, door haar voor ons gekochte hotdog hadden we moeten delen en vulde niet genoeg. Tienjarigen kun je een dergelijke verwende horkerigheid nog niet verwijten, toch?
 
En ik herinner me de winkel waarin ik souvenirtjes kocht voor mijn ouders: een boekensteun in de vorm van een beer gemaakt van prachtig houtsnijwerk en vier mokken met oranje print. De, voor zover ik weet, laatste van de vier mokken nam ik mee toen ik op mijn 18e op kamers ging. Het ding overleefde mijn studententijd, negen verhuizingen en honderden afwasbeurten. De oranje print is geheel vervaagd en het aardewerk vertoont her en der butsen, maar de mok heeft alle schermutselingen van drie decennia tijdreizen doorstaan.
 
Deze oorlog zou hem weleens fataal kunnen worden.

Laatste strohalm

De beelden uit Oekraïne zijn huiveringwekkend: een vliegende raket; een brandend flatgebouw; vluchtfiles op de snelweg; schuilende gezinnen in de metro. Het meest schokkende beeld was dat van een automobilist die doelgericht werd platgewalst door een Russische tank. Uit die actie sprak puur sadisme en duivelse agressie, ontsproten uit een geïndoctrineerd, narcistisch verlangen naar een vergane tijd.

Weten de Russische soldaten hoe het hun vroegere collega’s is vergaan? Hoe de Russische krijgsgevangenen van de Tweede Wereldoorlog door het moederland werden gezien als landverraders en na de oorlog naar de Goelag werden verbannen, soms voor wel 15 jaar? Slechts de meest ontzagwekkende propagandamachine kan een volk het leed van haar grootouders doen vergeten.

Een beeld dat voor de nabestaanden van de ramp met MH17 al jaren huivering opwekt, is het gezicht van Vladimir Poetin. Ik denk dat ik niet overdrijf als ik zeg dat hij voor ons de personificatie van het kwaad is. Ik ben geen gewelddadig mens, maar ik durf hier best toe te geven dat ik vaak heb gefantaseerd over zijn dood. Sterker nog, hoe het zou zijn hem te wurgen. Die fantasie is de verbeelding van een primitieve impuls, opgeroepen door gevoelens van verdriet, woede, frustratie en onmacht die al te lang vastgehaakt zitten in een mens.

Door de ramp met MH17, een incident dat voortvloeide uit de Russisch-Oekraïense oorlog die in 2014 rondom Donetsk woedde, krijgen de huidige beelden uit Oekraïne een extra huiveringwekkend laagje. Nee, dat dekt de lading niet. De beelden zijn letterlijk ziek- en misselijkmakend, want ze brengen alles weer naar boven. De Russische invasie van Oekraïne voelt als de aanvang van Poetins eindspel. Het is datgene waar hij in zijn decennialange politieke carrière naartoe heeft gewerkt, de giftige kers op zijn autocratische presidentschap.

Op social media bestempelen sommigen Poetin als ‘seniel’, ‘paranoïde’ of ‘megalomaan’. Wie weet speelt het wel een rol dat hij inmiddels 70 is, hoezeer hij zijn leeftijd met Botox ook probeert te verhullen. Misschien leeft bij hem de behoefte om als president van een vervallen natie nog één groots statement te maken, teneinde zijn perverse en utopiaanse droom van een hersteld machtig Sovjetrijk te verwezenlijken.

Hoe het ook zij, zolang Poetin de touwtjes in handen heeft, is het naïef om te hopen op beterschap. En dat is precies het verneukeratieve: de hoop. De families van de inzittenden van MH17 hopen al jaren op een vorm van genoegdoening. Nee, die bestaat niet, maar de rechterlijke processen zijn, ondanks alle dwarsboompogingen vanuit Rusland, al een tijdje onderweg. Onder begeleiding van volhardende advocatenteams en met de steun van de Nederlandse staat is er een uitputtend juridisch traject opgestart dat moet leiden tot de erkenning van de feiten van die noodlottige 17e juli in 2014. We eisen een vorm van verantwoording, maar die lijkt door deze nieuwste oorlogsmisdaad verder weg dan ooit.

Genoegdoening, erkenning, verantwoording; het zijn mooie woorden, maar ergens beseffen we – en dan spreek ik even voor alle nabestaanden van de ramp – dat die nooit zal komen. Niet van een land met een leider die liegt en manipuleert zoals hij ademt en eet. Een voormalige spion, die, uit zijn eigen frustratie, woede en onmacht over de bijrol van zijn moederland op het wereldtoneel, als een tank over een democratisch buurland walst, over de levens heen van mensen die slechts één wens hebben: in vrijheid kunnen leven.

En de rest van de wereld? Die huivert bij de beelden, maar kijkt toe. Oekraïne is geen NAVO-lid, het belang is niet groot genoeg om een nieuwe wereldoorlog te riskeren. Hetzelfde gold na het neerhalen van vlucht MH17. Poetin houdt de wereld in een wurggreep, zoals ik weleens fantaseer bij hem te doen. Nu weet ik dat die fantasie de laatste strohalm is van een wanhopig mens.

Lees het artikel 0p de website van de Volkskrant

Maart

De geur van de lente bereikte mijn neusgaten door het half openstaande raam. Januari en februari zijn donker, koud en kut. Nog even en ze zijn voorbij. Maart is de maand van vooruitkijken. De maand van ontluikende bloemen en de aanvang van vogelgetjilp. Het is de maand waarin je op een avond denkt: ‘Hé het is nog steeds licht’. Maart geeft de aanzet tot het seizoen van de wederopstanding van de natuur en daarmee de mens. Want hoezeer we onszelf ook wijs maken dat we losstaan van de natuur en haar beheersen maken we er wel degelijk deel van uit. Sterker nog, we zijn onderworpen aan haar grillen en kansloos wanneer de Moeder Alles zich op een dag tegen ons keert, een proces dat vermoedelijk al lang en breed in gang is.
 
De eerste geur van lente in de lucht doet me altijd denken aan mijn schooltijd, en die ochtend van het jaar dat ik over de lange Laan van Meerdervoort naar het Haganum fietste en voor de schoolpoort tegen mijn vrienden zei: ‘De lente hangt in de lucht’, en dat ze dan opgewekt knikten omdat ze het ook hadden geroken, of er op dat moment achter kwamen dat het zo was. Trouwens, is die geur wat mensen bedoelen met pollen? In dat geval is dit ook de dag dat mijn hart uitgaat naar de astmatigen en hooikoortsigen.
 
Door mijn neusvleugels te openen voor de aankondiging van de lente wil ik echter niet mijn ogen sluiten voor de misère in de wereld, hoewel het soms misschien beter is dat wel te doen. Hoeveel invloed heeft het individu nu helemaal? Heeft het echt zin om elkaars analyses en beschouwingen over de grillen van Poetin te lezen? Zeker daar zijn naam en aanblik me altijd doen denken aan die noodlottige dag in 2014 en de nog immer voortslepende nasleep ervan.
 
Wil ik echt de motieven van de gijzelnemer van de Apple Store weten? Is het zaak om de gijzelaar de komende week voor elke talkshow uit te nodigen en uit de eerste hand te horen welke doodsangst hij heeft doorstaan en hoe hij zijn kans schoon zag te ontsnappen toen de gijzelnemer een flesje water van een robot aannam? Hoe vaak heb ik het filmpje waarin de gijzelnemer wordt aangereden en uitgeschakeld nu gezien? Is mijn leven met die beelden verrijkt? Brengt de opiniepagina van de Volkskrant mij verder? Of vergroten de meningen van ‘kenners’ slechts mijn zorgen en dragen ze bij aan het latente stressgevoel dat wij moderne burgers altijd hebben door de overvloed aan informatie die dagelijks tot ons komt. De vragen stellen is ze beantwoorden.
 
Waarvoor ik geen opinie of analyse of social media nodig heb is om te weten dat het weer lente wordt. Dat ruik ik nu alleen niet alleen, maar hoor en zie ik ook. Eigenlijk vertellen je zintuigen je alles wat je moet weten.