Opa

Terwijl ik wachtte op mijn take-out broodje kwam een oude man het café binnen en bestelde koffie. Ik was me er bewuster van dan normaal dat ik hem oud vond. Misschien omdat ik mezelf ook steeds ouder begin te vinden, iets wat volledig in overeenstemming is met de realiteit, waarin ik steeds ouder word. Dat de tijd de afgelopen twee jaar niet heeft stilgestaan lees ik af aan mijn verder grijzende bakkebaarden, de diepere groeven in mijn voorhoofd en pigmentvlekken die her en der onaangekondigd opduiken. Mijn ouder worden is ook een cijfermatig gegeven, daar ik inmiddels over minder dan een jaar 40 word. Vroeger duurde dat langer.

De oude man was alsnog een stuk ouder dan ik – vermoedelijk een jaar of 80, twee keer zo oud als ik dus – en in mijn hogere mate van bewustzijn over zijn leeftijd vielen ook zijn bewegingen me meer op. De bewegingen van een ouder mens. Stram. Moei- en langzaam. Misschien deed bewegen hem pijn.

Ik heb het er met anderen weleens over gehad hoe gek het is dat we hele jonge en hele oude mensen als losstaand van de rest van de mensheid zien. Alsof iedereen tussen de 10 en 70 (ofzo) bij de ‘Normalen’ hoort en iedereen jonger of ouder respectievelijk on- of overrijp is. Niet meer maatschappelijk relevant. Meer zorg ontvangend dan dienstverlenend.

Maar nu ik zelf bijna de helft van 80 ben, kan ik me beter voorstellen hoe het is om die leeftijd te bereiken. Dat lijkt misschien melodramatisch, maar mensen van die leeftijd doen me nu minder alienesk voor dan toen ik 20 was. Toen was ik pas op een kwart van hun leeftijd, immers, en had ik bij het aanschouwen van een oud mannetje dat in een optrekkende tram zijn strippenkaart probeerde te stempelen het gevoel dat ik naar een Galapagos-schildpad keek die in een optrekkende tram zijn strippenkaart probeerde te stempelen (deze vergelijking werkt andersom ook prima).

De man in het café had een tasje bij zich zoals mijn opa dat ook altijd had. Zwart leer, zonder hengsel, maar met een rits. Een manbag? Eerder een manclutch. Voor geld, sleutels, pasjes, een zakdoek misschien. Jongere mannen zie ik dergelijke tasjes nooit dragen, behalve zij die getooid met bontkragen op Vespa’s Oud-Zuid ‘onveilig’ maken. Maar ik kom niet meer in Oud-Zuid.

Kort verhaal nog iets korter: de oude man deed me met zijn tasje aan mijn opa denken, de man die ik me herinner als overblijfsel uit een ander tijdperk, niet toebehorend aan een andere soort, maar wel een andere categorie. Een man zoals ze niet meer worden gemaakt: voorkomend, gedistingeerd, plichtsgetrouw, altijd in pak, ook toen het lichaam in het pak niet meer wilde. Een man bovendien, in wie ik me steeds iets beter kan inleven.

100

Gisteren zag ik een filmpje op YouTube getiteld ‘If the world population were only 100 people’. Het maakte de manier waarop de wereld verdeeld is een stuk over- en inzichtelijker.

Als er met de huidige stand van zaken maar 100 mensen op aarde zouden wonen, zouden, bijvoorbeeld, 31 van hen Christen zijn, 23 Moslim en 15 niet-religieus of atheïst. Dat laatste vond ik weinig.

Er zouden 19 Chinezen zijn, 18 Indiërs, 4 Amerikanen, 3 Brazilianen, 2 Russen en 1 Duitser. De overgebleven 53 mensen zouden in de 187 andere landen wonen. Een wereldoorlog tussen Rusland en Amerika zou je dus op een half basketbalveld kunnen uitvechten.

14 mensen zijn analfabeet, 8 mensen hebben geen schoon drinkwater en 1 persoon sterft van honger. Er is er ook 1 dakloos, vermoedelijk dezelfde.

Nog een schokkende: 40 mensen hebben geen eigen wc, en 15 van hen poepen plassen gewoon buiten op straat, als die er is.

9 mensen hebben geen werk. 1 iemand heeft aids. 15 mensen roken tabaksproducten en evenveel mensen hebben een auto (verband?).

10 mensen zijn linkshandig, 80 mensen hebben een smartphone – dat zijn er dus meer dan mensen met een wc, wat betekent dat een aanzienlijk deel van die 80 mensen niet op de telefoon kan kijken tijdens het naar de wc gaan -, maar slechts 42 mensen hebben internet.

De meest schrijnende scheefte zien we natuurlijk in de verdeling van geld. 12 mensen leven van minder dan 2 dollar per dag, terwijl 1 mens 50% van al het geld in de wereld bezit.

Er is 1 vluchteling en alle 100 mensen wonen op de planeet aarde. ‘Within a few years, however, who knows all of this data may be different,’ aldus sluit de verteller het filmpje af.

Vervolgens zag ik op Instagram iemand die in Servië is een ontbijt opgediend krijgen in de vorm van grof afgesneden stukken worst en spek van vermoedelijk slecht gehouden varkens. En hier blijven we de schadelijke gevolgen van onze vleesconsumptie maar benadrukken. Hoe gaan we de wereld ooit sustainable maken? Er wonen hier, in het ‘rijke, ontwikkelde’ Westen maar 10 mensen ofzo! En het merendeel van de rest kunnen we niet eens mailen.

Weer later zag ik bij de persconferentie over het verder versoepelen van de coronamaatregelen een infographic met 100 poppetjes, met kleurtjes toegekend op basis van hun vaccinatiestatus. Daarnaast stonden weer 100 poppetjes, met dezelfde kleurtjes, en hun verdeling over de ziekenhuizen. De verdeling van de kleurtjes was in de twee plaatjes zo’n beetje tegengesteld. Het was een heel duidelijk plaatje, dat ze best eerder hadden mogen delen.

Enfin, het reduceren van de wereld tot 100 mensen is dus heel effectief en maakt dingen begrijpelijk. Toen dacht ik, misschien kun je het ook temporeel toepassen, dus: als je leven uit 100 dagen bestond, hoe zou je die dan vullen? Met welke activiteiten, welke mensen, op welke plekken? En als het 100 uur was? En 100 minuten? In het laatste geval zou ik waarschijnlijk gewoon een film kijken.

Of financieel: je krijgt eenmalig 100 euro, wat zou je ermee doen?

Of 100 klappen: wie zou ze aan je mogen geven?

Of 100 zoenen: Aan wie?

Nog 1 keer seks: met wie?

Die laatste vraag kan een enerverend gesprek opleveren met je partner.

Geschetste verbazing

Ik ging mijn boosterprik halen en toen dacht ik: weet je wat? Ik maak er een tripje van. Mijn afspraak was namelijk in Zaandam (soms voelt het alsof ik daar dichterbij woon dan bij Amsterdam, waar ik daadwerkelijk woon) en op de weg daarnaartoe ligt een tankstation dat als enige in de wijde omtrek tevens als Mondial Relay pakketpunt dient. En laat dat nou net de pakketdienst zijn die veel mijn van mijn Franse Vinted-klanten – met name vanwege de lage verzendkosten – kiezen voor de afhandeling van hun pakketten.
 
Verderop in Zaandam, aan de Pieter Ghijsenlaan, de laan waar een prik op me lag te wachten, ligt ook Boer Geert. Geen letterlijk liggende boer, maar een broodjeszaak met de beste broodjes die ik ooit heb geproefd. Omdat ik in mijn leven veel verschillende broodjes heb geproefd op veel verschillende plekken ben ik van de aan onomwonden zekerheid grenzende overtuiging dat Boer Geert de lekkerste broodjes van de hele wereld maakt. Je hoeft dus geen genie te zijn om te kunnen bedenken dat ik onderweg naar de vaccinlocatie, na het afleveren van het pakket, een broodje zou gaan halen.
 
So far so motherfucking good, zou je zeggen, maar wat schetste mijn verbazing toen ik bij Boer Geert aankwam? Ik was mijn portemonnee vergeten. Dat was nogal bijzonder, want gebeurt me nooit. Toen ik buiten stond om een zielige selfie te maken met op de achtergrond het logo van Boer Geert bedacht ik, terwijl ik naar mijn telefoon keek, dat je ook met je telefoon kunt betalen. En ja hoor, ik had Apple Pay ook daadwerkelijk geactiveerd, maar nog nooit gebruikt. Met een beetje hulp van het jeugdig twinkelende broodjesmeisje, wellicht de dochter of nicht van Geert, lukte het me om te telefoonpinnen en werd het een vrolijke selfie, etend en bevriezend aan het Zaanse deel van het IJ.
 
Gevoed en gevuld fietste ik na de lunch door naar de vaccinlocatie (vind ik een heerlijk woord, overigens) die niet ver verwijderd was van al de plekken waar ik tot nu toe was geweest. Maar wat schetste ten tweeden male mijn verbazing toen ik daar aankwam? Ik was mijn portemonnee vergeten, met daarin mijn rijbewijs. Zonder ID geen prik, luidt het eeuwenoude gezegde, dus moest ik, inmiddels tamelijk onderkoeld, terugfietsen naar huis om legitimatie te halen.
 
Tijdens de terugrit bleek maar weer eens dat ik gestoord ben, want ik werd ik zo kwaad om het zelf vergeten hebben van mijn portemonnee met daarin mijn rijbewijs dat ik de hele vaccinatiecampagne begon te vervloeken en daarmee het coronabeleid, Hugo de Jonge, Ernst Kuipers, Jaap van fucking Dissel, het maatschappelijk toondove OMT en elke vleermuis tussen hier en Shanghai. Ik werd ter plekke, al fietsend, een antivaxxer, met terugwerkende prikspijt. ‘Word wakker, mensen!’ dacht ik, maar schreeuwde ik niet naar voorbijgangers. Fuck de autoriteiten en deze bullshit! Waarom is dit zo slecht geregeld? Waarom kan ik me, als goedwillende, doch vergeetachtige burger zonder identiteitsbewijs niet gewoon laten prikken? Ik heb DigiD (anders zou ik hier niet geregistreerd zijn), tientallen andere pasjes (vooruit, nu niet bij me), een fotokopie van mijn paspoort in mijn mail en een hoofd op een lichaam met een onmisbare en onuitwisbare identiteit. ‘Jullie’ willen deze onzin toch stoppen, dacht ik? Nou, graag of niet!
 
Gelukkig vond ik me na het oversteken van de brug die ons van Zaandam bevrijdt al een flink dwaasje en besloot ik mijn vanuit de Zen-leer geadopteerde skill om het mooie in de mislukking te ontwaren toe te passen. Ik scande mijn omgeving, zag een waterige zon doorklieft door elektriciteitslijnen en bedacht toen dat ik daar een foto van wilde maken. Dan zou mijn vergeefse (deels, want pakket en ziek broodje) trip goedmaken. Maar ik bedacht het te laat, moest keren, en toen was de zon verdwenen achter een vadsige mistwolk.
 
Later zag ik twee paarden, overschaduwd door een enorm reclamebord en de geluidswerende wand van de A8. Dít is de foto die alles de moeite waard maakt, dacht ik toen, wederom te laat, want weer moest ik keren en op het moment dat ik klaarstond voor het Pulitzer-winnende moment draaiden de paarden zich lui, nonchalant en supergemeen om en liepen uit het zicht.
 
Zen.
 
Thuis heb ik de fiets geparkeerd en de auto ongeparkeerd en ben ik weer naar de vaccinlocatie gereden. Daar stond buiten inmiddels een rij tot om de hoek van het zielloze gebouw en bleek dat ik mijn gele boekje was vergeten.

Gevoelsarchief

Vannacht droomde ik dat ik een geschiedenisproefwerk had waarvoor ik niet had geleerd. Dat is ook weleens in het echt gebeurd. In de droom had ik hetzelfde gevoel dat ik toentertijd in de klas had. Bang zijn betrapt te worden omdat je weet wat je niet weet.

Er waren ook kinderen die opschepten over het niet leren van toetsen, zo’n kind was ik niet. Ik maakte mezelf klein achter mijn tafel en hoopte dat het zou meevallen. De blik van de leraar ontweek ik als hij de verse antwoordblaadjes uitdeelde. Die blaadjes kwamen altijd eerst. Dan de toets. Hopen dat het meevalt en dat het dan niet meevalt. De per vraag afbrokkelende hoop. Soms kon ik met mijn schrijfskills om de vraag heen schrijven. Of om het antwoord heen, want dat wist ik niet. Maar vaak lukte dat niet en devolueerde de hoop al gauw tot wanhoop.

De paniek die ik in de droom voelde bij het initiële scannen van de vragen was precies de paniek van vroeger. Dat sla je dus allemaal ergens op. Zou elk gevoel dat je ooit hebt gehad in een mentaal laatje zitten? Is ons lichaam niet alleen dat, een lichaam, maar ook een gevoelsbibliotheek? Een emoseum.

Tijdens therapie kwam dit vaak ter sprake. Gevoelens als angst en verdriet, waar je in je leven ‘tegenaan loopt’, zijn oud. Je reageert dus eigenlijk niet op wat je op dat moment ziet, meemaakt of overkomt, maar op iets van vroeger. Het gevoel is associatief en geeft dus niet per se een waardeoordeel over je leven op dat moment.

Dit is ingewikkeld, want hoe verhoudt je gevoel zich dan tot de actualiteit? Ontstaat de paniekaanval in de lift daar op dat moment door de kleine, afgesloten ruimte waarin je je bevindt, de kwijlende, roodogige poedel en zijn naar rotte kiwi stinkende baasje naast je, of heb je als kind een keer vastgezeten op een wc met daarin een kiwi? (Misschien blafte er ergens een hond.)

Therapie helpt je hier een antwoord op te vinden. Niet op de vraag waarom die kiwi in de wc ligt of waarom de poedel bezeten is door de duivel, maar of je angst oud of nieuw is (spoiler: hij is altijd oud).

Ik maakte het proefwerk, zoals ik dat vroeger in het echt ook altijd deed, naar beste kunnen. Er waren ook leerlingen, weer anderen dan de opscheppers, die ook niet hadden geleerd of het niet snapten en dan gewoon maar niks invulden. Die hun pen neerlegden, het blaadje naar voren schoven en achterover gingen zitten met hun armen pontificaal over elkaar, alsof ze de leraar iets verweten. Die deed ook maar z’n werk.

Ik schreef het blaadje vol, júíst als ik de antwoorden niet wist. Ik schreef tegen de paniek in, in een poging het gevoel te onderdrukken. Misschien doe ik dat nog steeds.

Werkeloze werkelijkheid

Ik zei net tegen mijn vriendin dat ik LinkedIn het domste sociale medium vind en toen keek ze me aan alsof ik dat zelf ben. Dom, (a)sociaal en medium. Maar toen ik mijn uitspraak wat verder onderbouwde kon er toch wel een knikje af.
 
Ik snap best dat het handig kan zijn hoor, wanneer je werk zoekt of de wereld wil laten weten hoe trots, wanhopig of emo je bent over het respectievelijk krijgen, verlangen of verlaten van werk. LinkedIn heeft, in tegenstelling tot andere sociale media, in die zin daadwerkelijk een functie, los van het voeden van het superego, wat alle sociale media doen.
 
Maar toch is het ook het domste – of meest beperkte – sociale medium, omdat het mensen eenzijdig belicht. De mensen die ik ken die ook op LinkedIn zitten, zijn daar het minst zoals ze in het echt zijn. De professionele werkhouding modus staat het verst af van de ontspannen voeten op de bank modus. De biertjes met vrienden of wandelen in het bos modus. De laten we een scheetwedstrijd houden onder het dekbed modus.
 
De versie van mensen op LinkedIn lijkt op de foto’s die standaard in fotolijstjes zitten. Zo’n stockfoto gezin, met een breed lachende, bruinharige, vierkant gekaakte supervader. Altijd vrolijk, slim, scherp en geduldig, met een goede, veeleisende baan, edoch altijd oog en tijd hebbend voor de kinderen.
 
Naast hem de blonde moeder met windmachine wind in haar halflange haar, een glimlach net zo breed als die van haar man, een huid zo soepel en zacht als een perzik, pruim of nectarine; een steenvrucht in ieder geval. Ze lacht omdat ze zelf blij en succesvol is, met haar parttimebaan en haar aan de nanny uitbestede nulurencontract kinderen, maar ook omdat ze zo blij wordt van haar blije man, dat kastanjebruine, bestoppelbaarde specimen van testosteronale perfectie. Goddomme wat een geluk!
 
En dan de kinderen. Moet ik het daar nog over hebben? Een dochter en een zoon, beiden zo blond als de moeder. De een (dochter) lachend als een ontluikende puberale bloem, de ander (zoon) schuchter grijnzend, zijn aanstaande adolescente, masculiene depressie al vermoedend, maar nog verbergend achter dezelfde diepteloze ogen als die van zijn vader.
 
Ze vliegen.
 
Die foto zie ik als ik door LinkedIn scroll. Een continue stroom van opgeblazen neplucht en gepolijste werkblikken. De paradoxale, bescheiden trots: ‘Wauw, ik ben er stil van. Dit had ik echt niet verwacht, na al die banen, opleidingen, stages en professionele foto’s. Na al het netwerken en corporale ladderklimmen. Maar moet je eens kijken wat ik gemaakt heb. Wat mensen over mij zeggen. Wat ik bereikt heb. De lof die mij ten deel valt. Kijk dan. KIJK DAN, VERDOMME!’
 
Nee, dan kijk ik liever werkeloos naar Instagram.

Bloemworst

Wat te doen met of tegen de oudere vrouw met het looprek? De vrouw die tegen mijn zoontje ‘Kijk voor je’ zegt, waardoor hij zich naar de vrouw omdraait en tegen het hek botst waarvoor zij hem juist wilde waarschuwen. Wat als zij niets had gezegd?
 
De situatie doet me denken aan de scène in The Matrix waarin Neo voor het eerst The Oracle ontmoet. Ze zegt ‘Don’t worry about the vase’, Neo vraagt ‘What vase?’, draait zich om en stoot dan een vaas om die op de keukenvloer valt en in scherven uiteenspat. Wat als zij niets had gezegd? Wat als niemand ooit iets zou zeggen?
 
Gisteravond gebeurde er iets van een heel andere orde of grootte. We gingen eten en ik had Beyond Meat worsten gebakken. Worsten dus, niet gemaakt van vlees, maar van (vooral) geëxtraheerd eiwit van de groene spliterwt; een erwt waarmee het door de toegenomen populariteit van vegavlees niet zo goed ging. (Als iemand weet hoe het inmiddels gaat met de erwt: laat het vooral even weten in de comments.)
 
We aten al minder vlees, maar mijn vriendin is sinds een maand of twee vegetariër en sindsdien zijn erwten, bonen, groenten, noten en alles wat je daaruit kunt extraheren of mee kunt injecteren in ons huis dominant. Ik vind het nog moeilijk om buiten de conventies van vlees als essentieel onderdeel van de maaltijd te denken, dus bereid ik voedsel dat geen vlees is in de conventionele vormen van vlees, zoals de worst, hamburger, rul gehakt of in reepjes gesneden.
 
Voor de mensen die nu denken dat dit mij effectief ook vegetariër maakt: het niet eten van vlees geldt alleen binnenshuis en bij aanwezigheid van de eerdergenoemde vriendin. Wanneer zij weg is en/of ik/we niet thuis eet/eten compenseer ik.
 
Bovendien – en dit meen ik, anders zou ik het niet schrijven – zijn de vleesvervangers de laatste jaren zodanig verbeterd dat ik ze echt lekker vind. De Beyond Meat worst is momenteel misschien wel mijn favoriete worst, met de bratwurst van de Vegetarische Slager ergens anders bungelend in de top-5. De Beyond Meat hamburger is ook niet te versmaden, zeker niet met toevoeging van alle ingrediënten (sla, tomaat, augurk, gebakken uit, oude (cheddar)kaas, Hellmann’s mayonaise, ketchup en eventueel nog kimchi) die een hamburger, vlees of geen vlees, niet te versmaden maken.
 
Zoals met wel meer zaken in het leven is het de context die er franje aan ontleent. De franje ís de context. De rest is de basis; onmisbaar, maar ook kaal. Een pauw is zonder zijn kenmerkende staart een tamelijk ordinaire vogel.
 
Maar gisteravond dus, toen ik het eten opdiende en mijn oudste zoon de worsten op tafel zag liggen, zei hij: ‘Oh dit zijn mijn lievelingsworstjes, die van bloemen zijn gemaakt!’
 
Worsten van bloemen. Veel franjevoller wordt het niet.

Olifantasie

Sommige mensen zou je wel gewoon legaal pijn moeten mogen doen, zoals de man die bij het olifantenverblijf in Artis breed grijnzend zijn olifantenleren riem aan omstanders laat zien. Een van de jongere olifanten staat pal achter het hek te grazen. Ook de andere olifanten staan dit keer dichtbij, wat veel mensen, met name kinderen, heel leuk vinden.

De man is met een groep met daarin ook kinderen en trekt z’n shirt omhoog. ‘Moet je kijken,’ zegt hij. ‘Is van olifantenleer.’ Hij wijst met zijn andere hand naar de olifant naast hem, zodat we allemaal weten welk dier hij bedoelt met het woord ‘olifant’ en wat de correlatie is met zijn riem.

Het is een lelijke riem, trouwens.

Niemand lacht echt, misschien gniffelen zijn maten wat. Die schaal ik bij deze hoger in dan hem, misschien onterecht. Ik zoek bondgenoten tegen de man, zodat we hem, als de tijd rijp is, kunnen overmeesteren. Al deze dingen gebeuren in mijn hoofd.

Ik had al gezegd dat er in zijn groep ook kinderen zijn. Die horen wat hij zegt en zien wat hij doet. Zij gniffelen niet, snappen het misschien ook niet echt, de grap, als het dat al is. Misschien denken die kinderen nu dat het logisch is dat je, wanneer je kleding draagt die gemaakt is van dieren, naar dierentuinen gaat, de bij de kledingstukken passende dieren opzoekt en dan, als een soort postmoderne jager, je trofeeën aan het publiek presenteert. Misschien gaat het verder dan kledingstukken en dierentuinen, en kun je ook je ganzendonzen dekbed meenemen naar Schiphol, je bak McNuggets naar de kinderboerderij en met ECHT LEDEREN schoenen in een weiland je middelvinger opsteken naar nietsvermoedende koeien.

Van een vader verwacht je meer, denk ik, maar daarbij ga ik eraan voorbij dat veel vaders dezelfde submoronic kloothommels zijn als ze voor het vaderschap waren. Vermoedelijk waren ze daarvoor nog veel erger, en is het een cynisch grapje van de natuur dat ook een aarsklodder als de man, die nog steeds ‘Ey, ey, kijktan!’ roept naar wie het horen wil, beschikt over werkend zaad en dat diezelfde natuur verantwoordelijk is voor de schepping voor de door de man bespotte en om zijn middel gedragen olifant.

Richard Pryor heeft een leuk stuk over mensen op safari. Dat ze (we) een grote bek durven te hebben op afstand, vanuit de jeep, of vanachter het hek. ‘Hey lion, motherfucker!’ imiteert Pryor een van de toeristen. Oog in oog met de leeuw zingt men vermoedelijk een toonladdertje lager.

Ik stel me nu even voor dat de man voor mij plotseling aan de andere kant van het hek staat om zijn kunstje binnen slurfbereik van de olifant op te voeren. De olifant in de ogen te kijken en zijn riem als een lasso door de lucht te slingeren. ‘Kijktan! Kijktan! Je neef!’ En dat de olifant zijn slurf in de strot van de man steekt, helemaal tot diep in zijn binnenste, en dan heel hard snuit.

Zo blies de olifant het verhaaltje uit.

Redenaties

Het moeilijke aan schrijven is dat je soms liever heel hard wil schreeuwen, maar dat het moeilijk is dat te doen in schrift. Je kunt natuurlijk wel heel veel A’s en H’s achter elkaar zetten, eventueel nog met uitroeptekens erachter, maar daarbij komt lang niet dezelfde energie vrij als wanneer je daadwerkelijk schreeuwt, zo vanuit je strot de stille lucht in.
 
Maar ik ben nu eenmaal een schrijver, geen schreeuwer. Daarnaast is schrijven de veel socialere optie. Het gal dat ik hier spui, blijft voorbehouden aan het toetsenbord, het laptopscherm en de ogen van u, de lezer. De (onderbuik)reacties die mijn woorden oproepen kunnen heftig en uiteenlopend zijn, misschien zelfs aanzetten tot een kreet, maar daar heb ik verder geen controle of zeggenschap over. Die emoties zijn immers van u, nietwaar?
 
Ook over mijn eigen emoties heb ik trouwens niet altijd zeggenschap. Het is bovendien nog maar de vraag hoe ‘eigen’ die emoties zijn, daar ze continu opgeroepen worden door prikkels van buitenaf. Dat brengt me terug bij mijn eigen woorden, en wat die bij anderen oproepen, en zo heb ik mezelf weer eens een cirkel in geredeneerd, wat de behoefte aan schreeuwen alleen maar doet groeien.
 
Net dacht ik: ‘Laat ik het eens proberen’, dus pakte ik het kussen naast mij op de bank, waarop ik al zo’n beetje de hele dag in een zeer onergonomische houding (doe alsof ik) werk, en schreeuwde. Tenminste, dat probeerde ik. Er kwam niet meer dan een halfslachtig, verkrampt gemoffel uit. Ik wil dus wel schreeuwen, maar het lukt me niet. Misschien komt dat doordat ik er een stukje over schrijf en ik me te bewust ben van de impuls. Bewustzijn en impulsen gaan niet goed samen, immers. Behalve misschien voor schrijvers, die hun impulsen proberen om te zetten in afgewogen taal, om zo een reactie los te weken bij de lezer.
 
En ziedaar, cirkelredenatie nummer twee.
 
Laatst vroeg ik me overigens af wat het verschil is tussen ‘redenering’ en ‘redenatie’. Ik stelde de vraag aan Google, belandde op een website vol taalweetjes en las daar dat beide woorden hetzelfde betekenen, maar dat Van Dale aan ‘redenatie’ een ongunstigere gevoelswaarde toekent; ‘redenering’ is de neutralere optie. In dit stuckje lijkt redenatie dan prima op z’n plek.
 
En dan rijst nu de vraag of dit het is. Is dit het hele stuckje? Ja, dit is het. Wat u daar ook van vindt of bij voelt.