De zwangere hoer

De sportschool heeft me al veel verhalen opgeleverd, denk ik als ik een meisje zie schelden tegen haar vriend. Hij zit op het bankje van het bankdrukapparaat met zijn telefoon in de hand en kijkt naar het scherm terwijl hij haar probeert te kalmeren.

                  ‘Ja schat, het is vervelend, maar ze doet het toch niet expres?’
                  ‘O nee? Vorige keer werd ze ook zwanger vlak voordat we op wintersport zouden gaan, en toen gingen we niet.’
                  ‘Zo hard zal het toch niet gaan?’
                  ‘Ik wil godverdomme snowboarden!’
                  ‘We gaan vast nog.’
                  ‘Dat is ‘r geraden! De hoer.’
                  ‘Je hebt het wel over mijn zus hè.’
                  ‘Die de hele tijd zwanger wordt als we op vakantie willen. Twee jaar geleden ging het ook al niet door omdat ze zwanger was. Het jaar daarna konden we niet omdat de baby nog te klein was en nu is ze weer zwanger. En dan gaan we volgend jaar wéér niet, omdat deze baby dan nog te klein is. Wat een hoer!’
                  ‘Ik snap dat je boos bent, maar moet je dat nou hier roepen? Dit is ook gewoon mijn werk hè?’

De man, die hier inderdaad personal trainer is, staat op van het bankje en slaat zijn handdoek om zijn nek. Misschien hoopt hij dat hij, door een andere positie in de ruimte in te nemen, de dynamiek van het gesprek kan veranderen. Misschien dat de woede van zijn vriendin dan gaat liggen.

                  ‘Wat zegt je moeder? Heb je je moeder al gesproken? Ik ga vanavond je moeder bellen,’ vervolgt zijn vriendin.
                  ‘Ik heb mijn moeder nog niet gesproken.’
                  ‘Ik ben benieuwd wat die ervan vindt. Die zal ook niet blij zijn.’

Zonder aankondiging lopen ze beiden weg van het bankdrukapparaat, naar de andere kant van de zaal, waar men benen traint.

                  ‘Anders gaan we alleen met je ouders hoor. Ja, kom op zeg. Ik laat mijn vakantie niet afnemen door die hoer.’
                  ‘Schat…’
                  ‘Wat schat?’
                  ‘Het is mijn zusje.’
                  ‘Moet ze d’r benen maar dicht houden.’
                  ‘Ze doet het toch niet expres?’
                  ‘Nee? Ze wordt toevallig elke keer zwanger als we op wintersport willen? Een hoer is het.’
                  ‘Schat, niet op mijn werk. Zullen het er vanavond verder over hebben?’
                  ‘Ga jij dan je moeder bellen?’
                  ‘Vanavond.’
                  ‘Nee nu.’
                  ‘Maar we zijn aan het sporten.’
                  ‘Ik wil dat je dit nú regelt.’

De man loopt naar de gang – in de sportzaal mag je niet bellen – en zet de telefoon aan zijn oor. Zijn vriendin kijkt hem geïrriteerd na en loopt dan naar een apparaat voor de bovenbenen, waar een vrouw op zit.

                  ‘Heeey Bianc, hoe is het?’ vraagt ze de vrouw.
                  ‘Goedgoed, met jou? Was een mooi feestje hè, afgelopen weekend?’
                  ‘Jaaaa ik was zoooo naar de klote, haha.’
                  ‘Ik ook, haha!’

De man ijsbeert ondertussen door de gang, telefonerend met zijn moeder, die weer oma wordt.

Sushisokken

Ik ging sporten en kwam er in de kleedkamer achter dat ik m’n sportsokken was vergeten. Normaal is dat niet zo erg, want dan sport ik gewoon in de sokken die ik al aan heb, maar dit keer had ik sushisokken aan – sokken met afbeeldingen van verschillende soorten sushi erop. Hoewel, bij nader inzien zijn het alleen ebi nigiri en sake maki, dus het valt wel mee met de diversiteit.

Voor degenen die nog niet zo goed Japans spreken: ebi is garnaal en sake is zalm.

Ik sport bij een sportschool in de Jordaan die niet per se heel hip is en waar je niet schuin aangekeken wordt als je een keer domme kleren aanhebt, maar sporten met sushi op je sokken is toch een ander verhaal.

Zo vroeg Jacques (Sjaak) van 80, die regelmatig zingt over alle poesjes op zijn kerfstok, of hij nou gek was of of ik nou sushi op m’n sokken had. Ik antwoordde het laatste en toen liep hij hoofdschuddend weg. Hij legde zijn handdoek op een apparaat, kwam vervolgens terug en toen ik dacht dat hij zou vragen ‘Waarom?’ zei hij dat hij nooit zou sporten met sushi op z’n sokken, dan nog liever op blote voeten. Ik zei dat ik dat had overwogen, maar dat het niet fijn voelt om met blote voeten in sportschoenen te sporten, omdat het zweet dan niet wordt opgenomen en je voeten gaan schuren tegen de binnenkant van de schoen.

‘Nee, OP BLOTE VOETEN!’ schreeuwde hij toen en hij liep weer naar het apparaat waarop hij zonet zijn kleine, oude, harde, kleurloze handdoekje had gelegd.

Later stapte er een fitnessinstructeur met een ernstige blik op me af om me ‘advies te geven’ over de juiste sportkleding.

‘Wat je ziet, is dat sportsokken een veel groter absorberend vermogen hebben dan normale sokken,’ zei hij.

Ik zei: ‘Weet ik, maar ik ben ze vergeten. Dit absorbeert tenminste nog iets.’

De instructeur keek vervolgens knikkend naar mijn sokken, naar mij, weer naar mijn sokken en vroeg toen met een frons: ‘Is dat sushi?’

‘Ja,’ antwoordde ik.

‘Hou je daar zo van?’

‘Ik vind het lekker, maar het is geen obsessie ofzo.’

‘Maar je draagt wel sushisokken?’

‘Ja.’

De instructeur was even stil en krabde onder zijn kin.

‘Heb je al nagedacht over sporten zonder sokken?’

‘Nou, wat ik net zei, dan gaan mijn voeten schuren in…’

‘Jaja dan gaat het schuren. Goed, je moet het zelf weten.’

En toen liep hij schouderophalend weg.

Na nog wat moeilijke blikken en vragen besloot ik de work-out dit keer kort te houden. Gewoon even een rondje spiergroepen om de boel te activeren, douchen, aankleden en dan boodschappen doen. Wat zullen we vanavond eten? Iets met vlees, me dunkt.

Lees een (ingekorte versie van) het stuk via Blendle. (Kost wel geld, terwijl het hier gratis is en je het nu vermoedelijk al hebt gelezen.)

Heronbekend

Als je de man zo zag, leek er niet veel met hem aan de hand. Hij zat daar gewoon, z’n best te doen, zich voor te bereiden op de volgende oefening, zoals alle andere mannen in de zaal. Maar zodra hij zich enigszins inspande, veranderde zijn gezicht. Het schoot volledig in de plooi of in andere plooien dan waarin het zich reeds bevond. Want een geplooid gezicht was het sowieso, inspanning of niet.

Als de man opstond, trokken zijn mondspieren omlaag. Zodra hij bukte om twee gewichten te pakken keek hij scheel en wanneer hij op het bankje ging liggen voor de borstoefeningen verscheen er een soort manische lach op zijn gezicht. Hij was in ieder moment steeds compleet anders. Hij was bijna onnavolgbaar, deze man. Puur door hem constant te bekijken wist je dat hij het was. Ook aan zijn kleding en postuur kon je hem herkennen, maar gezichtsmatig was hij een kameleon. Een man met een gezicht voor elke situatie.

Mijn fascinatie voor deze man was zo groot dat ik hem na het sporten vroeg of hij iets met me wilde drinken. Zoiets doe ik nooit, ook niet bij mooie vrouwen of beroemdheden. Juist dan niet, denk ik. Hem vroeg ik het wel en hij zei ja. Om misverstanden te voorkomen besloot ik mijn sessie vroegtijdig af te kappen zodat ik niet met hem onder de douche zou staan. Hij ging nog even door, dus zou ik hem zien in de bar om de hoek. Ook een plek waar ik nooit kom, maar daarom wel passend bij de situatie.

Een klein half uur later zaten we aan een tafeltje bij het raam. Hij met een fruitshake en ik met bier. Ik weet dat dat eigenlijk niet slim is na het sporten, maar ik had er zin in. In sporten niet en dat had ik ook gedaan. Het was bovendien witbier, met citroen.

Wanneer de man dronk leek zijn hoofd op dat van een vleermuis. Wanneer hij niet dronk zag hij eruit als een 18e eeuwse Nepalese monnik. Ik zat daar met een man die voortdurend een totaal ander aura had. Niet door een verandering in zijn gemoed, maar door fysieke veranderingen in zijn gezicht die hem voortdurend tot een vreemdeling maakten. Net als ik dacht een beetje gewend te zijn geraakt aan zijn verschijning had ik te maken met een nieuw persoon. ‘Gaat dat de hele dag zo?’ dacht ik. ‘Past een mens zich continu aan aan alle mensen en dingen die hij voorbij ziet komen?’ Ja, natuurlijk pas je je wel aan, aan het verkeer en de werkplek enzo, maar zou elk ander gezicht dat je ziet onbewust enorme impact op je maken? Zoveel verschillende versies zien van jezelf, een mens, dat moet toch verwarren? Het lijkt me een energieslurpend proces, maar ik vrees dat dat al zo lang gaande is dat de meeste mensen erdoor en –voor zijn afgestompt. Hypergevoelige mensen alleen misschien niet. Mensen met psychische klachten; angsten; paranoia; burn-out. Het is voor sommigen gewoon te veel, al die variaties op zichzelf. Voor mij op dit moment ook.

Het was onder de omstandigheden onmogelijk om over koetjes en kalfjes te praten, dus vroeg ik de man recht op de man af wat er aan de hand was met zijn gezicht. De man keek me in eerste instantie vragend aan, een beetje als een kip, en nam nog een vleermuizenslok van zijn shake. Hij zei niets en maakte de stilte onmiddellijk pijnlijk. Er was geen buffer. Het was allemaal al veel te zot voor enige speling. Ik begon te draaien op mijn stoel en vroeg nog eens, en concreter: ‘Begrijp me niet verkeerd, ik wil u niet beledigen. Maar uw gezicht verandert steeds.’

Nu keek de man niet vragend als een kip, maar verontwaardigd als Mario Balotelli. Echt, hij was daar op dat moment Mario Balotelli. Afgezien van zijn huidskleur veranderde zijn gezicht in dat van de spits van Liverpool, het vermeende supertalent wiens voetballuiheid een grootse carrière in de weg zit (hoewel ik niet geloof dat hij zo goed is).

Mijn fascinatie begon om te slaan in angst. Ik zat tegenover een witte Balotelli met een fruitshake. Ik probeerde een slok van mijn bier te nemen, maar kreeg het niet weg. Ik keek om me heen om te zien of iemand anders het zag, maar de drie mensen in het café waren verzonken in respectievelijk een krant en een fluistergesprek. Ik keek Mario weer aan, maar hij was alweer weg. Tegenover me zat nu een kangoeroe/sprinkhaan-mix met zijn armen over elkaar. Ik nam toch maar een slokje bier. Trillend. Ook de zweetdruppels kon ik niet langer verhullen.

‘Luister, ik weet niet zo goed wat er allemaal aan de hand is, maar het lijkt me dat je een probleem hebt.’

Het hybridedier had gesproken, voor het eerst sinds we in het café zaten. Op mijn vraag of hij wat wilde drinken had hij geknikt met een gezicht als een volle maan en een ‘jahoorprima’ gemompeld.

‘Een probleem?’ vroeg ik. ‘Nee hoor, ik zoek geen problemen.’
‘Kun je me dan vertellen wat er aan de hand is?’ vroeg hij terug.
‘Nou, en nogmaals, dit moet u niet verkeerd opvatten…’
‘Zeg maar ‘je’ hoor,’ onderbrak hij me.
‘O, je. Ja, nee je moet het dus niet verkeerd opvatten. Maar ik zag je zo sporten, eerder, en toen viel het me op dat je er steeds anders uitzag. Het klinkt misschien heel gek, maar je zag er steeds heel anders uit. Meer anders dan andere mensen, zeg maar.’

De man legde zijn armen op tafel en schoof zijn stoel een stukje naar voren. Zijn gezicht leek nu op een wiel. Of liever, een rad, zoals van het Rad van Fortuin, die spelshow met Hans van der Togt en zijn assistent Leontien (toen nog) Ruijters. Een rad dat, als je er aan draaide, een hard tikkend geluid maakte door de wijzer die langs de prijsvakken tikte. Daar leek zijn gezicht op. De verleiding was groot om er niet een hengst aan te geven, maar ondanks de verwarring over de situatie besefte ik nog steeds wel degelijk met een mens te maken te hebben. Dit besef werd mede gecreëerd door het feit dat hij sprak.

‘Ik weet niet zo goed wat je wil horen, maar ja, mijn gezicht zal er zo nu en dan best anders uitzien. Doet het dat niet bij iedereen?’
‘Ja, daar heeft u een punt…’
‘Je.’
‘Sorry, ja, daar heb je een punt. Maar bij u, bij jou, is het erger. Heftiger. Extremer. Uw gezicht wordt steeds echt totaal anders.’

Het rad bleef me stil aankijken. ‘Nogmaals, vat het niet verkeerd op,’ probeerde ik vooral mezelf gerust te stellen.

De man schoof weer naar achteren en sloot zijn armen over elkaar. Hij zuchtte flink, waarbij zijn gezicht letterlijk een leeglopende ballon werd, en schraapte zijn keel. Na deze handeling keek hij me geruststellend aan, als een rijpe grapefruit.

‘Hoeveel van die dingen heb je al op?’ knikte hij naar mijn bier.
‘Dit is mijn eerste,’ schudde ik ontkennend mijn hoofd.
‘Ooooo…’ zei hij, met een hoofd als een O. ‘Je bent van de rokerijen. Vind je dat lekker? Een stickie na het sporten?’

Ik kon me niet herinneren wanneer ik voor het laatst het woord ‘stickie’ had gehoord. Zo noemde men het vroeger, dat wist ik wel. Mijn vader had het er weleens over, wanneer hij viste naar wat ik allemaal wel niet uitspookte na en tijdens school. Meestal was ik te stoned om echt naar hem te luisteren, maar nu niet. Ik blowde eigenlijk nooit meer. Ja, heel soms, met een paar vrienden die daar in zijn blijven hangen. Ten bate van het levellen van de conversatie wil ik dan nog weleens meepaffen. Maar stickie?

‘Nee, ik blow niet. Tenminste, soms wel, maar nu niet.’

De man schoof weer naar voren en legde zijn armen op tafel. Er verschenen diepe wallen onder zijn ogen en zijn voorhoofd nam een lange, bolle vorm aan.

‘Dan weet ik het ook niet,’ zei hij gelaten. Hij nam nog een slok en keek daarbij uit het raam.

Hij wist het niet. Ik ook niet. Wat moest ik doen? Verder vragen? Foto’s van hem maken en die aan hem laten zien? Hem er op wat voor manier dan ook van zien te overtuigen dat zijn gezicht een soort menselijke lavalamp was? Maar dan met concretere vormen? Nee, ik wist het ook niet meer. En dus was het stil, totdat de man weer sprak.

‘Ik ga zo, als je het niet erg vindt.’
Ik keek de man niet aan. Ik wilde niet weten wie of wat dit tegen me zei.
‘Sorry,’ mompelde ik.
‘Sorry?’ vroeg hij.
‘Ja, sorry hiervoor. Dat ik u lastig heb gevallen. Je.’

De man stond op. Hij gooide een 5-eurobiljet op tafel en trok zijn jas aan. Terwijl hij het deed, keek ik hem aan. Hij had een snavel. Hij stond daar verdomme met een snavel zo groot als een banaan zijn jas aan te trekken. De rest van zijn gezicht leek om de snavel heen te smelten. Ik schudde mijn hoofd.

‘Wat?’ vroeg hij.
‘Ehh… hier. Ik betaal.’ Ik pakte het geld en reikte het hem aan.
‘Die is voor jou. Drink er nog maar een paar biertjes van. Je zult ze nodig hebben.’ De man gaf me een knipoog, klapperde zijn snavel een paar keer op elkaar en draaide zich om. Ik kon hem door de ramen buiten nog een stukje volgen en zag dat zijn snavel weer was verdwenen. Er zat nu een neus, een gewone neus, zonder opvallende kenmerken.

Ik wist het niet meer. Ik voelde me verslagen en dronk mijn biertje op. Het zweten was gestopt. Ik moest plassen. Ik stond op en liep naar de wc. De urinoirs roken alsof ze er nog niet klaar voor waren. Pas tegen het weekend, wanneer het café genoeg was opgewarmd door bulderende stemmen en hunkerende lijven, was het in zijn element. Pas dan, grote hoeveelheden urine verwerkend, kwam het tot leven. Nu was het een schrale, doodse bedoening. Zo rook het ook.

Na het plassen waste ik mijn handen. Dat doe ik altijd. Er was nu wel een verschil, want toen ik in de spiegel keek, zag ik niet mezelf. Het aangezicht van een wat bolle, grijzende versie van Christian Bale keek me indringend aan. Ik wist niet wat te doen. Ik wreef in mijn ogen, dronk wat water, gooide het in mijn gezicht, wreef nog eens en keek toen weer. Bale was weg. Wat overbleef was mijn gezicht, maar slechts vaag herkenbaar, gehuld in een lichtgele nevel. Ik voelde een golf van paniek opkomen, daar in het slecht verlichte, doodse toilet. Ik besloot de ruimte te verlaten en liep terug naar mijn tafel. Daar zag alles er hetzelfde uit. Ik pakte de vijf euro van de man en bestelde twee biertjes. Ik dronk ze op en ging weer naar het toilet. Enerzijds omdat ik weer moest plassen, anderzijds omdat ik wilde zien hoe ik er nu uitzag. ‘Je zult ze nodig hebben,’ echode zijn stem in mijn hoofd.

Ze hadden niets veranderd aan de situatie. Nog steeds zag ik er niet uit als mezelf. Deze man, die ik in de spiegel aankeek, had ik nog nooit gezien. Dat hij zijn mond opende op het moment dat ik het deed, of de spiegel aanraakte op het moment dat ik er mijn vinger oplegde, was toeval. Een unieke samenloop van omstandigheden. Dit was niet ik. Maar ik wist het niet meer. Ik wist nog maar heel weinig. Om bevestiging te krijgen van mijn mutatie leek het goed om naar huis te gaan. Mijn vriendin zou me zonder enige twijfel kunnen herkennen als ik mezelf was en me niet herkennen als ik mezelf niet was. Haar herkenning of ontkenning zou bevestigen wie ik wel of niet was en dan zou ik het weten. Wat ik vervolgens met die wetenschap aan zou moeten, na deze volslagen belachelijke middag, viel dan pas te bezien.

Het huis was leeg. Ik nam plaats op de bank en zou daar blijven zitten, in bewegingsloze stilte, totdat mijn vriendin thuiskwam. Toen dat eenmaal gebeurde, liep ze naar me toe en gaf ze mee een zoen alsof er niets aan de hand was. Mijn statische houding deed haar vragen of alles oké was. ‘Ja hoor,’ antwoordde ik met een zucht. ‘Nu wel.’

Het was gewoon het gesprek geweest. Het contact met die man had me verward. Hij had extreem soepele gezichtsspieren en deed daar dingen mee. Verwarrende dingen. Ik had het overdreven in mijn hoofd. Het was niet zo extreem. Misschien had ik wel te hard gesport, te weinig gedronken, zoiets. Dat hoor je weleens, dat mensen dan gaan hallucineren. Het bier zal ook niet geholpen hebben. Nee, dat was het gewoon. Het was de uitputting, -droging en alcohol. Een slechte combinatie! Voortaan ga ik ook aan de fruitshake, dacht ik.

Mijn vriendin kookte die avond. Het was een ovenkip met aardappeltjes en witlof. Heerlijk. Zij kan dat, koken. Ik ook wel, maar minder uitgebreid en verfijnd. Na het eten keken we een serie af – wat altijd een fijn gevoel is, ook al is het soms moeilijk afscheid nemen van de karakters; vooral bij het langdurig volgen van een serie bouw je immers een band met ze op – hadden we seks op de bank en gingen we naar bed. Voor het slapen gaan, liep ik nog even de badkamer in voor het stoken van mijn tanden en het vullen van mijn glas. Tot mijn godsgruwelijke verbazing zag ik, toen ik in de spiegel keek, een hyena-achtige, schuimbekkende kop. ‘Een fucking hyena,’ sprak de hyena in de spiegel. Het tanden stoken kreeg in een klap een heel andere dimensie.

Ik liep terug de slaapkamer in. Mijn vriendin was al bezig de slaap te vatten.
‘Schat,’ zei ik. ‘Kijk eens naar me.’
‘Hmm?’ kreunde ze van onder de dekens.
‘Kijk me eens aan.’
Ze draaide zich langzaam om.
‘Wat is er?’
‘Dat is de vraag. Wat er is. Is er iets?’
‘Vraag je dat nu aan mij?’ zei ze met toegeknepen ogen.
‘Is er iets met mij? Is er iets anders?’
‘Los van het feit dat je dit nu aan me vraagt, niks bijzonders.’
‘O,’ zei ik bijna teleurgesteld.
‘Mag ik nu weer gaan slapen?’
‘Uhu.’

Ik ging naast haar liggen en deed het licht uit. Ik was te moe. Slechts de herkenning door mijn vriendin deed me nog beseffen wie ik was. Wat restte, waren vragen waarop ik het antwoord nu niet zou krijgen.

De volgende ochtend ging ik naar mijn werk. Mijn gezicht had nu de vorm van een eekhoornstaart, of zo’n stoffer waarmee je goed de boeken kunt schoonmaken op de bovenste plank van de boekenkast. Tijdens het fietsen keek ik iedereen aan om te zien of ze naar me keken. En ja, soms keken mensen naar me. Er waren een paar meisjes, een paar jongens, wat brakke toeristen; ze keken me allemaal voor een kortere of langere periode aan, maar ik wist niet of ze dat deden omdat ze me zo knap vonden of omdat ze nog nooit een fietsende eekhoornstaart hadden gezien. Ik wist het niet, nog steeds niet. Maar misschien waren deze mensen ook geen goede test, ze hadden me immers nog nooit gezien. Hoe moesten zij weten of ik er nu anders uitzag dan normaal? Maar mijn vriendin wist dat natuurlijk wel en haar viel ook niets op. ‘Maakt liefde dan echt blind?’ dacht ik. Even zwijmelde ik weg bij de gedachte, want het betekende dat ze na al die jaren nog steeds van me hield, maar het gaf me geen enkele garantie of geruststelling dat ik er normaal uitzag. Normaal zoals eerst. Zoals mezelf.

De echte test zou komen op mijn werk. Hoewel mijn collega’s best gevoelens van affectie voor me koesterden, vermoedde ik dat die collegialiteit ze niet zou verblinden voor de bizarre vormen van mijn gelaat. Bij binnenkomst zag ik in de reflectie van de schuifdeuren dat mijn gezicht de vorm had aangenomen van een kistje wijn. Niet een fles, maar een kistje, met flessen erin. Als een dronkenman met een houten kop liep ik het kantoor binnen. De receptioniste groette me vriendelijk, hoewel zij nog nooit had opgekeken van haar telefoon en me dus niet kon zien. Bij het kopieerapparaat stond Freek. Freek keek wel op en begon breed naar me te grijnzen. Ik hield mijn pas in en keek afwachtend terug. Zou hij het zien? Zou hij met zijn hand naar mijn rechteroog reiken en een flesje opentrekken? Zijn mond opende en hij produceerde een overenthousiast ‘Goedemorgen!’. Hij pakte zijn kopietjes uit de machine, gaf er een tikje tegen, sloeg me op de schouder en passeerde me met een zangerig ‘De week is weer door midden!’.

Niemand op het kantoor zag wat. Ja, ze zagen mij, zoals ze mij kenden. Ook toen mijn gezicht de vorm van achtereenvolgens een eikenblad, een halve fietspomp, twee donuts en een jonge versie van Al Pacino aannam, zagen ze het niet. Dat ze het wel zagen en niet zeiden, leek me hoogst onwaarschijnlijk. Niemand zag het, behalve ik.

En zo bleef het. In de maanden die volgden, deed ik al de dingen die ik altijd deed, zonder dat iemand iets over de vorm van mijn gezicht zei, afgezien van ‘hé, je bent naar de kapper geweest,’ en ‘je ziet een beetje pips.’ Ik zag altijd pips en ging iedere zes weken naar de kapper.

Ik leidde mijn leven zoals ik dat daarvoor had gedaan, met het verschil dat ik mezelf niet meer herkende. Eerst noteerde ik de soorten vormen die mijn gezicht in die tijd had aangenomen in een schriftje. Door de hoge frequentie waarmee mijn gezicht transformeerde, hield ik het op een gegeven moment niet meer bij. Toen mijn vriendin op een dag vroeg waarom ik met een schrift vol willekeurige woorden onder mijn kussen sliep, besloot ik het schriftje maar weg te gooien. Het maakte toch niet uit. Dit was mijn vloek en dat zou ik moeten accepteren.

Om niet gek te worden keek ik maar niet meer in spiegels of reflecterende ramen. Bij het betreden van een draaideur wendde ik steevast mijn blik tot de grond. Ik zag mezelf nooit meer en had daarmee mijn transformaties kunnen ontkennen. Ik vergat hoe ik eruitzag en hoe ik eruit had gezien. Mijn bestaan werd slechts nog bevestigd door de herkenning door anderen. Mijn zijn vertrouwde volledig op hun blik. Totdat er op een dag een jonge man verbouwereerd naar me toe kwam in de sportschool, met de vraag of ik wat met hem wilde drinken.

Kees II

Er staan twee oude, kleine mannetjes onder de douche. Ze zijn zo oud dat ze geen kont meer hebben. Beiden hebben een spits gezicht, met ogen die verraden dat ze niets aan scherpte hebben ingeboet.

Kees komt de kleedkamer binnen. Eén van de mannetjes stopt met douchen en droogt zich af. Ze groeten elkaar. ‘Ben je bijna klaar?’ roept Kees naar de ander. ‘Dan kan je me rug nog even inzepen!’

Kees buldert van het lachen. Hoewel, hij heeft inmiddels ook een leeftijd waarop de longinhoud iets als ‘bulderen’ niet meer toestaat. Maar hij lacht wel. En hard ook.

Het mannetje verlaat de douche, pakt zijn handdoek en snelt naar de andere kant van de kleedkamer, zonder echt te antwoorden. Tussen het achtergebleven, zich afdrogende mannetje en Kees ontstaat een gesprek.

‘Je bent inmiddels een soort ere-homo,’ zegt het mannetje.
‘Ja, maar hij duikt meteen weg als ik eraan kom!’ antwoordt Kees.
‘Vind je het gek met zulke opmerkingen?’

Kees mompelt iets over een grapje en fluit één van de kortste liedjes ooit.

‘Die familie van Els heeft ook geen humor,’ zegt Kees dan.
‘O nee? En Els zelf?’ vraagt het kleine, oude homootje.
‘Jaaahh die wel. Die wel. Neeeejj, die wel. Jaaahhh, Els heeft humor hoor. Maar haar familie niet. Neeeejj, met Els kan je wel lachen.’

‘Gaat wel goed zo toch? Tussen jullie.’
‘Jaaaahhh gaat goed. Gaat goed. Is echt een topwijf.’
‘Dus het bevalt je wel, zo’n latrelatie?’
‘Jaaahh zeker. Zeker. Nee we hebben het hartstikke leuk hoor. Echt. Maar als ik dan twee dagen bij haar ben geweest wil ik weer lekker terug naar de Jordaan!’

Ze lachen.

‘Nou, dat is goed toch? Toch fijn dat je iemand hebt die voor je zorgt?’
‘Jaaahh, zeker. Dat is zeker fijn. Het is echt een topwijf.’

‘Enne wanneer ga je nou weg? Volgend jaar?’ vraagt Kees het mannetje, dat kennelijk weggaat.
‘December.’
‘Ooohh december. December. Ooohh… Jaja, en gaan jullie dan weer zo ver?’
‘We gaan naar Spanje.’
‘Oooohh dat valt wel mee. Dat valt wel mee. Je wil ook niet zo ver meer? Jullie gingen toch altijd zo ver?’
‘En daarna gaan we nog naar Singapore en Canada.’
‘O ja, Canada. Canada.’
‘En Nieuw-Zeeland.’
‘Oké, o ja.’

Het gesprek valt stil. Kees is inmiddels naakt. Het kleine, oude, kontloze mannetje niet meer. Het andere kontloze mannetje is fanatiek zijn haar aan het kammen. Aan de andere kant van de kleedkamer, waar Kees hem niet ziet.

Ik heb hier geen (negativi)tijd voor

Ik probeer het. Ik probeer het echt. Ik probeer positiever te zijn. Minder negatief. Want dat noemen mensen me weleens, negatief. Pessimistisch. Doemdenker. Zwaarmoedig. Zeikerd. Luie klootzak. Wacht… Dat is iets anders. Het gaat hier om negatief zijn of zaken op een negatieve manier zien. Beren op de weg. Valkuilen in diezelfde weg, met beren erin. Glas half leeg. Of gewoon helemaal leeg. Of erger nog, een kapot glas. Geen glas. Mijn glas is gestolen, iemand heeft er in gepist en het vervolgens kapot gegooid op mijn nieuwe Playstation. Dát is mijn glas. Zo ziet mijn glas er ongeveer uit. Kapot en met pis en gestolen en op mijn Playstation. Niet dat ik een Playstation heb, maar het gaat om het idee. Ik heb overigens wel een Playstation te leen, maar dat is een ander verhaal.

Ik wil me hier richten op de negativiteit. Op mijn negativiteit, die zich als een virus overal verspreidt. Overal waar ik ben. En ik denk altijd nog dat het wel cute is of leuk bedoeld ofzo. Noem mezelf liever ironisch, sarcastisch, cynisch. In die volgorde heb ik ze op school geleerd. Ik koos heel lang de middelste, sarcastisch, maar ben inmiddels wel in de categorie cynisch terechtgekomen, vermoed ik. Maar misschien ben ik dan weer te negatief. Het is zo moeilijk om te herkennen wat wat is en wanneer! Maar ik doe mijn best, echt, heus.

Ik doe mijn best. Maar soms… Soms is het wel echt héél moeilijk om niet negatief te zijn. Om zaken niet als negatief te zien. Om niet te vervallen in cynische observaties. Om mijn kwetsbaarheid niet te hullen in het leveren van onverhulde kritiek op een verschijnsel of een handeling of een mens. De lucht is blauw en mooi, de bomen groen, zelfs in het loslaten van de blaadjes ten teken van de rentree der herfst herken ik zo nu en dan een poëtische schoonheid. En dat terwijl ik zelden gedichten lees! Echt, ik waardeer al die shit, en meer. Maar soms… Soms jonge. Soms!

Soms staat er bijvoorbeeld een jonge man zijn balzak te föhnen. Soms doet hij dat in de kleedkamer van de sportschool, terwijl ik mij daar probeer om te kleden. Of het specifiek de balzak of zijn anus is, kan ik moeilijk beoordelen. Een föhn is geen precisie-instrument en dus zal de hele scrotale regio zich wel schrap zetten in de warme wind. Maar op zo’n moment dus, vind ik het moeilijk om te denken ‘ach, die jongen föhnt z’n balzak, wat poëtisch.’ Dat denk ik dan helemaal niet. Ik denk dan aan mijn kapotte glas met pis en mijn kapotte Playstation met pis en zijn droge, warme balzak en wat ik het toch jammer vind dat ik dit op twee meter afstand moet meemaken.

Misschien geldt ook hier: veel te negatief. Kan. Maar het houdt hier niet op. Als diezelfde jonge man zich, wanneer hij zijn kruis droog genoeg acht, begint te scheren en ter aanvang van dit proces de kraan volledig opendraait zonder daadwerkelijk water te gebruiken, word ik steeds negatiever. Ik weet het! Ik weet! Focus op blaadjes en baby’s en blauwe lucht…

Maar het heeft geen zin. Waterverspilling doet iets met me. Iets negatiefs. Ik kan er niet tegen. Ik vind het zonde. Ik vind het zonde om de kraan open te zetten terwijl ik mijn gezicht insmeer met scheerschuim, zeker wanneer dat met een geriatrisch tempo gebeurt. Ik vind het asociaal en onverantwoord en onduurzaam om gedurende de gehele scheerpartij, die al gauw zo’n zes minuten in beslag neemt, de kraan te laten lopen, terwijl ik het water welgeteld TWEE keer gebruik om mijn mesje schoon te spoelen. Ik vind dat echt heel moeilijk. Helemaal als er ondertussen iemand op twee meter van mij staat die heel graag en heel nodig de kraan wil gebruiken om zich een beetje op te frissen alvorens hij weer op de fiets stapt en thuis gaat douchen (dat was dit keer handiger), de impressie van ik die mijn balzak föhnt nog verwerkend. Dat vind ik echt allemaal ontzettend moeilijk en ontzettend zonde en vervelend en ik zou willen dat die mensen net als mijn hypothetische ik niet zouden bestaan en dat dit soort dingen niet gebeurt en dat ik altijd glimlachend en rozenblaadjes uitscheidend naar poëtisch witte wolkenstrepen in de magisch blauwe lucht zou kunnen staren MAAR DAT KAN IK NIET. Ik kan het niet, want ik ben te negatief. Ik ben te negatief en sommige mensen en de dingen die ze doen zijn gewoon te ergerlijk, te verschrikkelijk, te slecht. En mijn negativiteit en die slechtheid heffen elkaar niet op, zoals in de wiskunde, maar versterken elkaar. Hoewel, het is meer eenrichtingsverkeer. De slechtheid katalyseert mijn negativiteit. En wie zit er uiteindelijk mee? Precies, ik. Niet de balzakföhnende warerverspillerscheerder. Ik. Ik word boos, kijk hem boos aan, word genegeerd, loop boos weg, fiets boos weg, kom boos thuis, zit boos op de bank en ga boos werken.

De lucht is supermooi blauw (soms, vandaag niet bijvoorbeeld. Nee echt! Echt waar! Hij is gewoon niet blauw. Het is bewolkt en je ziet geen blauwe lucht. Dat ligt echt niet aan mijn negativiteit maar aan de meteorologische omstandigheden!), baby’s zijn een wonder (als ze niet alleen maar liggen te krijsen en schijten. Ja kom op, dat doen ze toch? Het is echt niet alleen maar schattig en lief en mooi en zacht en roze. Nee hoor, vraag maar aan mijn zusje. Dat ligt echt niet aan mijn negativiteit!) en september is mijn favoriete maand (nee echt! Wacht… Dat is niet negatief… Oké, ga door). Weet je waarom? Omdat het een soort bonusmaand is. In juli en augustus verwachten mensen te veel. Het is zomer, het moet lekker weer zijn, en als het dat dan is, wat het zelden is, moeten we massaal naar buiten en genieten. Liefst op een terras of in een bootje of op een festival. Iedere zonnestraal is er een te weinig. Maar in september, als we collectief gedesillusioneerd weer richting de herfst kruipen, is elke mooie dag mooi meegenomen. In september hebben we geen verwachtingen meer. September kan alleen maar meevallen. April trouwens ook.

Het is vandaag 1 oktober. Is dat even balen.

Context

De grijzende Surinamer komt de kleedkamer binnen, iets wat niet voorbijgaat aan de kalende Jordanees in het veel te strakke hemd. Er volgt een conversatie.

‘Hoe is ’t met de zaken?’ vraagt de kalende Jordanees.
‘Ja gaat goed,’ antwoordt de grijzende Surinamer. ‘Ditjes datjes, wisjes wasjes. Ik zag laatst nog een paar maten van je. Tony en hoe heet-ie ook alweer? Die andere met een T?’
‘Tony 2.’
‘Heet-ie ook Tony?’
‘Nee, Tony 2. Hij is ook zo’n kereltje weet je wel. Die zitten allemaal in de confectie. Je weet wel, van die confectiegasten.’
‘Ja, die ken ik.’

De kalende Jordanees strikt de veters van één van zijn sportschoenen, iets wat zijn volledige aandacht vereist.

‘Hé, hoe is het nou met je broertje?’ vraagt hij.
‘Ja, niet goed. Niet goed…’ antwoordt de grijzende Surinamer hoofdschuddend.
‘Nee? Ik weet nog wel dat ik dat toen las. Godallemachtig. Ik las dat toen zo in de krant en dacht van Jeeeee-mig.’
‘Ja, nee, daar is hij niet goed uitgekomen.’
‘Meen je dat nou? Godver… Want dat was me wat hé.’
‘Ja, zeg dat wel,’ bevestigt de grijzende Surinamer.

De kalende Jordanees wil uit een soort automatisme de veters van zijn andere schoen gaan strikken, maar komt daar door een oprispende vraag niet aan toe.

‘En die andere jongens dan? Die andere waarmee ie daarin zat?’
‘Ja, nee, da’s geen mooi verhaal hoor. Die gasten hebben het allemaal heel zwaar gehad. Veel hebben zelfmoord gepleegd. Veel van die vrouwen ook.
‘Meen je dat nou?’
‘Ja, schuldgevoel hè. Waarom zij wel en ik niet. Had mijn broertje ook enorme last van. Waarom niet ik? Kon-ie niet mee leven. En nog steeds niet echt dus.’
‘Meen je dat nou?’
‘Ja, hij probeert het wel. Ik bedoel, het is al bijna 20 jaar geleden hè, maar het blijft een strijd.’
‘Godsamme hé…’
‘Ja, hij ziet ze nog weleens hè. Ze komen dan allemaal bij elkaar en praten erover. Hij organiseert dat. Dat helpt hem wel. Maar verder is het nog steeds allemaal heel moeilijk. Kan ook geen baan vasthouden. Wilde er heel lang niet over praten. Nog steeds niet graag. En dan kruipt hij weg. Zien we ‘m soms maanden niet.’
‘Godsamme.’

Er komt iemand de kleedkamer in die beide mannen kent.

‘Heren,’ zegt hij.
‘Hé jongen,’ zeggen de grijzende Surninamer en de kalende Jordanees.

Er valt een stilte. De kalende Jordanees kijkt nog eens naar zijn schoenen. Beide zijn nu gestrikt. Hij is klaar voor de training. De grijzende Surinamer is allang klaar. Die heeft genoeg gezweet voor vandaag. De kalende Jordanees staat op, pakt zijn handdoek en maakt aanstalten de kleedkamer te verlaten.

‘Nou, dan ga ik maar eens naar binnen. Heb een afspraak weet je.’
‘O heb je een date?’
‘Nou, een date… Een date… Met een van die gasten die hier werken.’
‘Word je lekker afgebeuld haha.’
‘Ja precies. Daar ben ik ook bang voor! Haha!’
‘Oké sterkte man.’
‘Bedankt hè, joe!’
‘Hoi.’

De kalende Jordanees verlaat de kleedkamer. De grijzende Surinamer staat er nog middenin. Hij kijkt om zich heen en legt zijn handdoek, die hij al de hele tijd vasthoudt, op een bankje. Hij besluit zich om te kleden, daarna een douche. Hij heeft genoeg gezweet voor vandaag.

De man die alleen maar foute dingen zei

In de sportschool verandert over het algemeen niet zoveel. Ja soms, iets kleins. Zoals de deurknop van de mannenkleedkamer. Dat was eerst gewoon een klink en nu is dat een knop. Die klink was toch lam, dus praktisch verandert er niets. Soms staat het omkleedbankje ergens anders, een halve meter naar rechts of links, maar dat is meestal niet van lange duur. Mensen in mijn sportschool houden dingen graag hetzelfde, allicht één van de redenen dat ik er al vijf jaar lid ben.

Laatst was er ineens wel allemaal heisa. Grote kerels met grote schoenen en vuile overalls probeerden een airconditioning te installeren, maar dat ging niet al te soepel. De ventilator hing prima, maar de motor haperde en moest worden afgedekt met een zeil, zodat er geen water van de wasbak in terecht zou kunnen komen. Waarom dat ding precies náást/onder de wasbak geplaatst moest worden, was me niet helemaal duidelijk, maar het was al gebeurd en verder niet mijn project of initiatief dus hield ik me op de vlakte.

Nee echt, sorry, ik ga dan niet tegen die gasten zeggen ‘Hé, waarom plaatsen jullie de airco schuin onder de wasbak? Dan kan er toch allemaal water in komen? Da’s toch niet handig? Kan je ‘m niet beter ergens anders…’ Dat vertik ik. Misschien dat anderen dat wel doen, dat overenthousiaste, oversociale slag mensen, maar ik ben en doe dat niet, klaar.

Maar nu is er dus een airco, een afzichtelijk ding met een KOMO-zak eroverheen. En een loeien dat het doet! Het loeit enorm.

Van de week was ik er weer. Er was één andere man in de kleedkamer die ik wel vaker zie. Hij kijkt altijd heel erg naar mij, wat ik daar regelmatig heb (niet per se een eer), maar is verder prima aardig, dacht ik. Hij heeft me nog een keer uitgelegd hoe ik een oefening moest doen, omdat ik kennelijk alles aan het ‘compenseren’ was met mijn armspieren en de kracht moest komen uit mijn ‘core’ want het is een oefening voor je ‘core’ en niet voor je armspieren. Ik schiet meestal in de instant haatmodus als iemand zich met mijn work-out bemoeit, maar hij bedoelde het goed en bracht het sympathiek, dus liet ik een vernietigende blik achterwege.

We stonden daar dus, omringd door artificieel geloei. Hij was al helemaal trainklaar, maar wilde alleen nog even zijn flesje vullen. Nadat hij dit had gedaan, was er een duidelijk gekletter hoorbaar. Ik kleedde me om alsof mijn neus bloedde (een uitdrukking die ik nooit heb begrepen. Als mijn neus bloedt, is er toch juist wél iets aan de hand?) en vermeed zijn poging tot oogcontact. Hij mompelde wat in zichzelf en toen keek ik maar op naar de wasbak. Er druppelde water uit de afvoerleiding, iets wat volledig in overeenstemming was met mijn auditieve waarneming. De man keek me schouderophalend aan. Ik besloot iets te zeggen.

‘Het is er niet echt op vooruitgegaan hè?’
– ‘Nee!’ lachte hij. ‘Zo laat zelfs een stel Polen het niet achter.’

Ik glimlachte geforceerd. Ander onderwerp.

‘De constructie met die vuilniszak en die airco is ook een beetje vaag.’
– ‘Ja! Dat doe je normaal alleen als je seks hebt met lelijke mensen.’

Mijn glimlach liet zich niet meer forceren. Het ongemak was te groot, het onderwerp kennelijk niet anders genoeg. Of zou hij op alles een fout antwoord geven? De man liep breed lachend en quasi stuiterend op zijn mintgroene, fluoriserende gelzolen de kleedkamer uit, op weg naar de apparatuur.

In de sportzaal zag ik hem nog een paar keer grijnzend naar me loeren, vast genietend van de KOMO-zak die hij zich in zijn fantasie bespaarde.

Vergeten voorwerpen

De vrouw achter de balie telefoneert. Ze heeft me gezien, maar praat door. Haar nagels zijn zo lang dat ik niet begrijp hoe ze het telefoonnummer heeft kunnen intoetsen. Wellicht heeft ze dat niet gedaan en is ze gebeld. Misschien wordt zij alleen maar gebeld en belt ze nooit. Ik zie in ieder geval niet in hoe ze dat zou kunnen met zulke nagels. Hoe dan ook, ze is aan het bellen.

‘Ok, dahag.’
Ze legt de telefoon op de haak en kijkt me aan.
‘Waar bewaren jullie de gevonden voorwerpen?’
‘Daar in die kast.’
‘Kan ik gewoon gaan kijken?’
‘Ja hoor.’

De kast bevat een bak waar kleren in, naast en op liggen. De kleren die erop liggen, liggen eigenlijk niet meer in de bak, maar op andere kleren, omdat de bak zo vol zit dat ze er niet meer in kunnen. De kleren naast de bak, de schipbreukelingen, lijken te hebben opgegeven ooit nog gered te zullen worden. Ze zijn vergeten en waren waarschijnlijk al lange tijd voor hun vermissing niet meer liefgehad.

De bak bevat uiteenlopende kledingstukken. Veel shirts, broekjes en onherkenbare nylon en polyester borduursels. Er zit ook een jas in. Een jas. Iemand kwam hier met een jas aan en ging zonder jas weg. Mis je dan niet iets? Werd het in anderhalf uur tijd zomer?

Ik vind ook een hele sporttas vol kleren. Een ander (of wellicht dezelfde) kwam hier naartoe om te sporten, heeft zich vervolgens omgekleed en is zonder spullen weer vertrokken. ‘Waar ben ik? Wat doe ik hier? Wat zijn dit voor spullen?’ en dan schouderophalend, als door geheugenverlies getroffen, het pand verlaten.

Mijn handschoen is niet te vinden. Ik was eraan gehecht. Hij paste goed, hield warm, maar niet té warm en had een leuk motief. Ik heb de linker nog als aandenken.

Ik kan nieuwe handschoenen kopen, maar dan speel ik de kou in de kaart.

Het is tijd voor lente.