Das ist mir Egel

Als freelancer werk ik veel thuis. Ik ben dan alleen en er gaan soms uren voorbij dat ik niet praat. Toegegeven, de laatste maanden was dit zelden aan de hand, met een nieuwe baby en het verlof van mijn vriendin, maar afgelopen week had ik weer eens zo’n dag waarop de stilte slechts wordt verbroken door het getik van mijn vingers op het toetsenbord.

Aan het einde van een thuiswerkdag kom ik er dan achter dat ik mijn stem niet heb gebruikt en maak ik me even zorgen of hij nog wel werkt. Ik werk ook weleens op plekken, zogenaamde werkplekken, en op die plekken zijn ook andere mensen, maar die ken ik niet en dus spreek ik ze niet. Mijn spraak beperkt zich dan tot het bestellen van koffie of een tosti. Te mager bewijs van een volledig stembereik.

Deze thuiswerkdag, die van afgelopen week dus, was ik extra lang alleen omdat mijn vriendin met onze zoontjes bij haar ouders was. Ik werd niet gebeld, was niet buiten geweest en had niemand gezien. Als ik die dag niet had bestaan had niemand het opgemerkt.

Vanwege al deze dingen besloot ik ’s avonds even in de tuin te gaan zitten. Frisse lucht leek een goed idee. Ik trok een biertje open en hoorde wat gescharrel in de bosjes. Niet veel later zag ik een egeltje op het gazon verschijnen. Een dik, klein, waggelend stekeldiertje, op zoek naar eten.

‘Hé egeltje,’ zei ik.

De egel stopte even met scharrelen en stak zijn spitse neus omhoog, alsof hij mijn woorden probeerde te ruiken. Hij knikte, ter erkenning van mijn aanwezigheid, en begroef zijn neus weer in het gras.

‘Zeg, egeltje,’ ging ik verder. ‘Wist je dat je met een jaar lang niet autorijden, geen vlees eten, wel recyclen, lokaal voedsel eten en spaarlampen gebruiken maar ongeveer de helft van de CO2 uitstoot van een retourtje Bali bespaart?’

Het egeltje stopte weer met scharrelen en keek me verbouwereerd aan. Toen schudde hij langzaam zijn hoofd.

‘Wist je niet hè? Zo slecht is vliegen dus voor de wereld.’

‘Pfff…’ deed de egel, die ineens geen zin meer leek te hebben om verder te scharrelen.

‘Wat ik me wel altijd afvraag bij dat soort onderzoeken, egeltje, is of de uitstoot van een vlucht volledig wordt toegeschreven aan één passagier, of dat die eerst door het gemiddeld aantal passagiers van een vlucht naar Bali wordt gedeeld.’

De egel haalde zijn schouders op, mits hij die had.

‘Ik bedoel: ja, je bent als individuele passagier verantwoordelijk voor de uitstoot van je vlucht – het is jouw uitstoot -, maar ook die van 200 anderen, snap je?’

De egel knikte.

‘Fijn dat we het eens zijn, egeltje. Ik zal het eens uitzoeken.’

De egel keek om zich heen, zo van: ‘Kan ik nu weer verder?’.

Ik knikte en hij vervolgde zijn zoektocht.

‘Gelukkig,’ dacht ik. ‘Mijn stem werkt nog.’

Delon:

Bang om te vallen

Waar ga ik heen met mijn kind? Dat is steeds weer de vraag. Waar ga ik in godsnaam met mijn kind naartoe? Als mijn peuterzoontje te lang binnen zit wordt hij namelijk gek. En dan ik ook. Naar buiten dus. Naar iets met gras, ruimte en licht.

Het Twiske heeft al deze dingen. Het heeft ook speeltuigen en andere kinderen die in de speeltuigen hangen, zoals dat ene jongetje van de kinderopvang.

Voor meer context moeten we twee weken terug, toen ik mijn oudste zoontje kwam ophalen van de opvang en een ander jongetje, een paar jaar ouder, de buitendeur gewelddadig voor onze neus dichtsloeg. Hij bleef vervolgens dreigend voor het gewapend glas hangen.

‘Mogen we erlangs?’ vroeg ik.
Het jongetje zette een stap naar achteren, waarop ik de deur rustig weer opende. Hij bleef in ons pad staan.
‘Gaat het goed?’ vroeg ik hem.
‘WIE IS DAT?’ vroeg hij agressief.
‘Dat is mijn zoontje.’
‘BEN JIJ ZIJN VADER?’ vroeg hij stuiterend. 
‘Ja,’ antwoordde ik. ‘Mogen we er nog een keer langs?’

Nu zie ik het jongetje hoog in de klimpiramide (je weet wel, zo’n ding van touw) als de alfa-chimpansee op een plankje zitten, neerkijkend op de kinderen onder hem. Soms roept hij wat naar ze, soms roept iemand wat terug, en niet veel later huilt diegene dan.

Mijn zoontje maakt zandijsjes voor me als er een groepje verstandelijk gehandicapte kinderen het terrein op komt lopen. Ik zie dat ze verstandelijk gehandicapt zijn, want ze hebben hun tong uit hun mond, lopen gebogen, met de voeten en knieën naar binnen, en zijn onder begeleiding van volwassenen. Eén van de jongens, ik schat een jaar of 18, loopt linea recta op de klimpiramide af en pakt een touw vast. Hij zet zijn rechtervoet op een ander touw en probeert zich omhoog te trekken en trekt daarmee de aandacht van het jongetje op de plank boven hem.

‘WAT DOE JE?’ roept het jongetje naar de jongen, die niet antwoord, omdat hij al zijn concentratie nodig heeft.
‘JE DURFT NIET HÈ?’ roept het jongetje, maar hij krijgt weer geen antwoord. 
‘JE HEBT JE TONG UIT JE MOND, DAT BETEKENT DAT JE NIET DURFT.’

Weer terug naar twee weken eerder. Enkele momenten nadat het jongetje de deur voor ons had dichtgegooid zag ik een bonkige, nors kijkende man met een klein rugzakje in zijn hand over de parkeerplaats van de kinderopvang lopen. Tien meter achter hem volgde het jongetje, niet langer stuiterend, maar in een gelijkmatige tred, met hangende schouders. Alle energie van het moment ervoor leek hem te hebben verlaten.

‘Dat is mijn vader,’ zei hij tegen ons, gelaten.
Ik knikte en deed dat toen naar de vader, die keek me kort aan en zette de achterdeur van zijn auto open. Het jongetje klom er zelf in, de vader sloot de deur, stapte in en reed weg, alles zonder een woord te zeggen. De jongen keek nog naar ons door het raam.

Delon:

Inner city dealings

Een ritje naar de stad, je kunt het.

De bevestigingsschroefjes van het slot van onze nieuwe bakfiets zijn afgebroken omdat ik de fiets terwijl-ie op slot stond van de standaard afhaalde. Het ding weegt 800 kilo en daar zijn de schroefjes kennelijk niet tegen bestand. Ik ga naar de fietswinkel op de Prins Hendrikkade voor nieuwe schroefjes. Het is daar druk en dat ben ik niet meer gewend.

Het fietsen gaat goed, evenals de vaart over het IJ. Dan kom ik aan bij de Pontsteiger en neemt de drukte toe. Het tempo is er hoger, de dichtheid van mensen en voertuigen groter. Ik sla linksaf en wordt tegemoet gereden door een groepje zwenkende toeristen. Ik bel tevergeefs. De vader van het groepje kijkt om naar zijn kroost om te checken of ze nog leven. We ontwijken elkaar net. Dat er in Amsterdam niet meer toeristen omkomen op de fiets blijft me verbazen.

De fietsenmaker kan het slot eenvoudig repareren. Het is €2,50 voor de schroefjes, wat me enorm meevalt. Zeker in deze tijd, die zich toch kenmerkt door het continu genaaid worden door elke instantie en ieder individu met een beetje macht. Het is allemaal zo ontransparant, weet je? Ik kan het zelf niet repareren, weet niet wat daarvoor nodig is, en dus kan mij van alles aangesmeerd worden. Zo gaat dat voortdurend, heb ik het idee. Het uitbuiten van de onkunde van de ander.

Op weg naar de bibliotheek, waar ik wil gaan werken, wordt me de weg afgesneden door een taxi, waarvan de knipperlichten kennelijk niet werken. Een oudere vrouw nadert ons uit tegengestelde richting en mompelt een verbeten ‘Ja jezus’ omdat er geen ruimte meer is. Ik aanschouw deze taferelen – pupillen verwijd, hartslag verhoogd – en zie een kale reus over het hoofd die heeft bedacht dat hij moet fietsen waar ik dat doe. ‘Ja hallo,’ zegt hij lui, onverschillig, afgestompt door de nimmer aflatende vuistslag van de stad. Ik zeg niets terug, negeer zijn blik en manoeuvreer mijn tweewielig gevaarte ‘handig’ over de weg, naar het stoplicht, wat op rood staat.

Er staat zweet op mijn handen. Ik voel me (op)gejaagd, agressief. Maar dat komt door hen, toch? Door al die anderen die me opjagen en agressief zijn. Het is hun schuld, zij beginnen. Ik laat niet over me heen lopen. Als het tot een confrontatie komt, zal ik er staan. Dan zal ik zegevieren.

In de OBA is het rustig. Er zijn boeken, dat helpt. Ik vind een stoel met uitzicht over het Oosterdok en klap mijn laptop open. Naast me neemt een oude, Aziatische man met een lange, draderige sik plaats. Hij begraaft zijn neus in een manga comic en scant grommend de plaatjes. Aan de andere kant van me zit een Spaanse toerist te whatsappen met het geluid aan. Maar daar kan ik nu allemaal prima mee dealen.

Delon:

Knagende dieren

Voor een van mijn schoolexamens Latijn moest ik teksten van Cicero vertalen. Ik herinner me er weinig van, behalve hoe hij uitweidde over verschillende dieren en betoogde dat ze op aarde waren ten behoeve van mensen. De koe, bijvoorbeeld, kan gegeten worden, zijn huid gedragen en zijn melk gedronken. De investering is daarentegen klein, want het dier eet alleen maar gras en staat de hele dag stil. Superefficiënt dus.

Over de kip had hij ook zo’n verhaal, met betrekking tot de eieren en het vlees. Varkens, paarden, ezels; Cicero ging zo de dieren af en bracht hun nut voor de mensen in kaart. De dieren zijn voor ons gemaakt, concludeerde hij steeds, en we moesten maar tot op het bot van ze genieten.

Ik weet nog dat ik het toen las als een pamflet voor carnivoren. Het is oké om dieren te eten, en wel hierom en daarom. Ik wilde het graag op die manier lezen en geloven, want Cicero leek me een intelligente kerel, en ik hield van vlees.

Dat doe ik nog steeds trouwens, maar ik ben me inmiddels bewust van de last die de vleesconsumptie op het milieu legt. Ik zit ook regelmatig in de auto, en soms in vliegtuigen, en voel me dan een beetje schuldig. Een klein knaagdiertje van schuld is het, dat aan mijn gedachten knabbelt.

Dat knaagdiertje loopt vooral rond in Amsterdam, heb ik gemerkt. Het is inheems aan de bubbel waarin ik leef. Heel veel, misschien wel de meeste mensen in het land, houden zich niet met deze zaken bezig en maken zich er al helemaal niet druk om. Die hoppen van topdeal naar euroknaller, van plofkip naar megasale. Het gaat om letten op de centen en willen kunnen genieten, zonder knabbelende knaagdieren in de buurt.

Het bewustzijn en daaruit voortvloeiende schuldgevoel heeft invloed op mijn handelen. Vroeger at ik zes dagen per week vlees, nu zijn dat er drie. Zo at ik gisteren nog een Beyond Burger. Ik hoef daar geen prijs voor, maar zie het wel als vooruitgang. Misschien omdat ik het niet leuk vind als mensen boos op me zijn en ik denk de antivleeslobby zo een beetje te kunnen sussen. En anders wel het knaagdiertje. Hoewel, de gele spliterwt is door de populariteit van de plantburger op aan het raken. Het zal vermoedelijk niet lang duren voor er een heuse spliterwtoorlog losbarst. Ik zie de krantenkoppen al voor me: ‘SPLITERWTBOER MOET SUCCES VEGABURGER MET LEVEN BEKOPEN’ en ‘SPLITERWTMILJARDAIR KOOPT AJAX’. Een nieuwe knaagdiersoort dient zich aan.

Van de week liep ik langs een weiland en zag ik ze staan, de koeien. Doodstil, grazend, naast andere koeien, zonder ook maar een iota aan conversatie. Zonder ook maar enige affectie te tonen aan elkaar of wie of wat dan ook. Met een frons probeerde ik de lege blik van een van de koeien te vangen, maar er was geen contact, geen erkenning. Als ik nu een dubbelloops shotgun tussen haar ogen zou zetten, dacht ik, zou ze zich niet verroeren, afgezien van het uiteindelijk weer omlaag steken van de kop. Niet om de kogel te ontwijken, maar voor nog een hap gras.

Ik dacht terug aan Cicero en zijn betoog echode met hernieuwde overtuiging door een achterkamer van mijn brein. Luid genoeg om het knaagdiertje te overstemmen. Althans, voor even.

Delon:

Kruispunt

Kruispunt Rozenstraat – Eerste Rozendwarsstraat, vijftien minuten over vijf, op 15 mei. Op de stoep staat een man te telefoneren, in de buurt van een fiets die van hem zou kunnen zijn. Aan de overkant van de straat wandelt een stel, vermoedelijk toeristen. Over de Rozengracht dendert een rinkelende tram voorbij.

Het telefoongesprek van de man lijkt net gestart, doch al in de afrondende fase. Als het aan de man ligt tenminste.

‘Dat kan, dat we dat hebben afgesproken. Dat zeg jij. Dat kan.’

De man is even stil, afgezien van een ongeduldig ‘Uhuh’ als antwoord op wat de persoon aan de andere kant van de lijn zegt. Dat kan ik niet verstaan, hoe stil het verder ook is.

‘Zeg, ik sta hier middenin het verkeer, dus ik moet kijken dat ik niet omver word gereden.’

Ik scan de omgeving. Zowel de Eerste Rozendwarsstraat als de kruisende Rozenstraat zijn leeg. Er rolt nog net geen tuimelkruit doorheen.

‘Ik moet ophangen Jos. Ik sta middenin het verkeer. Uhuh. Op de weg.’

De man verheft plots zijn stem, misschien om boven het rumoer van het denkbeeldige verkeer uit te komen.

‘Dat kan! Dat we hebben afgesproken. Dat zeg jij! Dat kan! Maar ik sta hier ondertussen midden op de weg. Echt Jos, het is hier hartstikke druk. Ja dat kan jij zeggen. Ja, dank voor je advies.’

De man is weer een tijdje stil. Hij geeft geen antwoord, geen ‘Uhuh’. Misschien heeft Jos opgehangen. Of opgegeven. Misschien heeft Jos een strategie bedacht waarmee hij het pantser van de man, ijsberend over de stoep, kan breken. Misschien ontstaan er barstjes in dat pantser, en voelt Jos dat, en probeert hij nu door te drukken. Misschien verlopen alle gesprekken tussen de man en Jos zo, en weet Jos dat, en weet Jos dat dit het moment is om aan te houden, zoals dat heet. De aanhouder wint, immers, en dat zal Jos weten.

‘Ja Jos, bedankt voor je advies. Ik moet mezelf in veiligheid gaan brengen. Dag Jos.’

De man heeft het gesprek beëindigd en staart naar het scherm van zijn telefoon. Zijn pantser is dikker dan Jos of ik had kunnen voorzien. Ik haal mijn fiets van het slot. Vlak voor ik wegfiets, kijk ik nog eens naar de man. Hij staat nu bij een andere fiets dan net, nog steeds starend naar de telefoon in zijn hand. Hij slaakt een diepe zucht. Achter hem rijdt er een oude vrouw in een scootmobiel voorbij. In de verte rinkelt een tram. Arme Jos.

Delon:

De zwangere hoer

De sportschool heeft me al veel verhalen opgeleverd, denk ik als ik een meisje zie schelden tegen haar vriend. Hij zit op het bankje van het bankdrukapparaat met zijn telefoon in de hand en kijkt naar het scherm terwijl hij haar probeert te kalmeren.

                  ‘Ja schat, het is vervelend, maar ze doet het toch niet expres?’
                  ‘O nee? Vorige keer werd ze ook zwanger vlak voordat we op wintersport zouden gaan, en toen gingen we niet.’
                  ‘Zo hard zal het toch niet gaan?’
                  ‘Ik wil godverdomme snowboarden!’
                  ‘We gaan vast nog.’
                  ‘Dat is ‘r geraden! De hoer.’
                  ‘Je hebt het wel over mijn zus hè.’
                  ‘Die de hele tijd zwanger wordt als we op vakantie willen. Twee jaar geleden ging het ook al niet door omdat ze zwanger was. Het jaar daarna konden we niet omdat de baby nog te klein was en nu is ze weer zwanger. En dan gaan we volgend jaar wéér niet, omdat deze baby dan nog te klein is. Wat een hoer!’
                  ‘Ik snap dat je boos bent, maar moet je dat nou hier roepen? Dit is ook gewoon mijn werk hè?’

De man, die hier inderdaad personal trainer is, staat op van het bankje en slaat zijn handdoek om zijn nek. Misschien hoopt hij dat hij, door een andere positie in de ruimte in te nemen, de dynamiek van het gesprek kan veranderen. Misschien dat de woede van zijn vriendin dan gaat liggen.

                  ‘Wat zegt je moeder? Heb je je moeder al gesproken? Ik ga vanavond je moeder bellen,’ vervolgt zijn vriendin.
                  ‘Ik heb mijn moeder nog niet gesproken.’
                  ‘Ik ben benieuwd wat die ervan vindt. Die zal ook niet blij zijn.’

Zonder aankondiging lopen ze beiden weg van het bankdrukapparaat, naar de andere kant van de zaal, waar men benen traint.

                  ‘Anders gaan we alleen met je ouders hoor. Ja, kom op zeg. Ik laat mijn vakantie niet afnemen door die hoer.’
                  ‘Schat…’
                  ‘Wat schat?’
                  ‘Het is mijn zusje.’
                  ‘Moet ze d’r benen maar dicht houden.’
                  ‘Ze doet het toch niet expres?’
                  ‘Nee? Ze wordt toevallig elke keer zwanger als we op wintersport willen? Een hoer is het.’
                  ‘Schat, niet op mijn werk. Zullen het er vanavond verder over hebben?’
                  ‘Ga jij dan je moeder bellen?’
                  ‘Vanavond.’
                  ‘Nee nu.’
                  ‘Maar we zijn aan het sporten.’
                  ‘Ik wil dat je dit nú regelt.’

De man loopt naar de gang – in de sportzaal mag je niet bellen – en zet de telefoon aan zijn oor. Zijn vriendin kijkt hem geïrriteerd na en loopt dan naar een apparaat voor de bovenbenen, waar een vrouw op zit.

                  ‘Heeey Bianc, hoe is het?’ vraagt ze de vrouw.
                  ‘Goedgoed, met jou? Was een mooi feestje hè, afgelopen weekend?’
                  ‘Jaaaa ik was zoooo naar de klote, haha.’
                  ‘Ik ook, haha!’

De man ijsbeert ondertussen door de gang, telefonerend met zijn moeder, die weer oma wordt.

Delon:

Het dilemma van dvd’s

Een van de dingen waar ik tijdens het verhuisproces van de afgelopen maanden het meest bevreesd voor ben geweest is de verhuizing zelf, en dan met name het uitzoeken en inpakken van de spullen die verhuisd moeten worden. Ik weet niet of ik een ‘hoarder’ ben, maar wel dat ik al 15 jaar dezelfde 5 schoenendozen (draagt er nog iemand K-Swiss?) met prullaria en memorabilia met me meezeul, van kamer tot studio, van stoffige boekenplank tot bedompte kast.

Het punt is inmiddels bereikt dat ik niet eens meer weet wat er in die schoenendozen zit, slechts dat het heel belangrijk is – essentieel zelfs – om te overleven en te weten wie ik ben. Mijn identiteit, of een goed deel ervan, krijgt gestalte door bioscoopkaartjes van ‘Last Action Hero’ (McTiernan, 1993), ‘Face/Off’ (Woo, 1997) en The Matrix (Wachowski’s, 1999). Mijn voorkeuren en smaak liggen besloten in bonnetjes van Romeinse restaurants, niet gebruikte muntjes van discotheken in Salou en de Ajax-sleutelhanger die ik van Sinterklaas kreeg.

Dvd’s. Wat moet ik met al die dvd’s? Het was en is een verzameling om trots op te zijn. De special collector’s box met de eerste drie films van Paul Thomas Anderson (meer had hij er in 2001 nog niet gemaakt); de Godfather-trilogie; de Lord of the Rings-trilogie, met 12 uur aan extra’s; de special extended edition van Terminator 2: Judgment Day, in blikken dvd-hoes, en ga zo maar door. Honderden, zo niet duizenden euro’s  heb ik erin gestopt, maar ik zal ze vermoedelijk nooit meer opzetten. Ik heb niet eens meer een dvd-speler. Alles wordt gestreamd. Gestreamd! Data! Het is niks! Dat kan toch niet goed blijven gaan, echoot het ergens in mijn hardware-lievende hart.

Misschien is dat het (deels). Dat ik de moderne technologieën wantrouw en het idee sluimert dat er elk moment een online meltdown kan plaatsvinden. Dat het door een cloud-breuk data zal regenen en de mensen die hun banden en schijfjes hebben gekoesterd als winnaars uit de bus komen. Dat zijn dan de slimmeriken, die met recht het onzichtbare niet hebben vertrouwd. ‘Als je het niet kunt vastpakken, is het niks,’ zou dan zomaar een gevleugelde uitspraak kunnen worden, van een van de meest vooraanstaande filosofen van die tijd, ik.

Maar goed, daar zijn we (nog) niet. Nu zijn we in de slaapkamer en ligt het bed vol dvd’s. Een klein stapeltje vertegenwoordigt de films die weg mogen. De verhouding is 195:5, in het voordeel van ‘houden’ en ‘twijfelgeval’. Ik kijk al tien minuten naar een goedkope uitgave van ‘Eraser’ (Russell, 1996) en kom er niet uit. Het zou helpen als er steeds wat van je studieschuld afgaat als je een dvd weggooit.

Naast mijn dvd’s liggen de 15 dvd’s van mijn vriendin. ’s Avonds vraag ik haar er eens kritisch naar te kijken, zodat we een selectie kunnen maken. Ze loopt naar het bed, pakt haar stapel en flikkert ‘m in de prullenbak.

Delon:

Dode kikkers

Mijn vriendin en ik waren een weekendje naar Brabant. Gewoon, nog even lekker met z’n tweeën, voordat we gaan verhuizen, voordat baby twee komt en het nooit meer kan. Ze was ook jarig geweest. En misschien was het ook dat ik haar nog even wilde meenemen ter compensatie van mijn solotrip naar New York, begin februari. Hoe dan ook, we waren in Baarle-Nassau, dat in Nederland ligt en grenst aan Baarle-Hertog, dat in België ligt, maar niet over de Belgische grens. Het is een Belgische enclave in Nederland, waarvan er in dat gebied nog veel meer liggen en wat ik kennelijk nooit heb geleerd op school.

Wat ik nog meer nooit heb geleerd is dat er ook exclaves zijn, enclaves ín de enclaves, stukjes Nederland in stukjes België in stukjes Nederland dus. Het gebied is ervan vergeven en de grenzen lopen bij veel mensen dwars door de huizen heen. Je kunt dus in Nederland tv kijken en in België naar bed gaan, in België een drol draaien en in Nederland de afwas doen. Ik vraag me af wat dat betekent voor het tv-programma-aanbod of de belastingen, maar die vragen heb ik daar verder niet hardop gesteld. Dat doe ik vaak expres, zodat het mysterie standhoudt.

Eerst wilde ik dit hele stukje wijden aan het fenomeen van de exclave – en het leren van een nieuw woord -, maar toen de zwemvijver van ons hotel vol bleek te liggen met dode kikkers verschoof de aandacht. Ik ging heus niet zwemmen, daarvoor was het nog te koud, maar het was toch akelig en raar. Ze lagen op hun rug, buik, met de pootjes gestrekt en/of de kop begraven in het slib. Alsof de climax van Magnolia (Paul Thomas Anderson, 1999) hier was opgenomen en men na afloop niet had opgeruimd. Een heus onderwater kikker massagraf was het, een lugubere aanblik, versterkt door de aanwezigheid van nog slechts één levende kikker, die in doodse stilte tussen zijn dode soortgenoten leek te wachten op het ook voor hem onvermijdelijke einde.

Mijn vriendin vond het ook akelig en raar, maar zij heeft een springlevende baby in haar buik om zich mee bezig te houden. Die baby houdt mij natuurlijk ook bezig, zeker tijdens een Zen-weekend met z’n tweeën, maar een sloot dode kikkers zet me toch aan het denken. Zo dacht ik aan de eigenaars van het nog relatief nieuwe hotel en vroeg ik me af of zij een hand in de kikkersterfte hadden gehad. Ik vroeg me vervolgens af wat dit zou kunnen betekenen voor ons verblijf. Ik vroeg me af of ik het misschien gewoon aan ze kon vragen en ze met een logische verklaring zouden komen, of dat mijn vraag ze juist zou aanzetten tot het kikkermoordende gedrag waarmee ik ze had geconfronteerd.

Om de kat niet op het spek te binden zou ik de vraag pas bij het uitchecken stellen. Toen bleek niemand iets van kikkers te weten, dood noch levend. Wel hadden ze laatst een hert gezien. Een groot, grazend hert. Dat vonden ze gaaf.

En de kikkers? Die zouden ze van de week wel efkes met een netje uit het water vissen.

Delon: