Galactic Peace Keeper

Toen ik een jaar of 8, 9, 10 was en mijn zusje een jaar of 5, 6, 7 heeft een jongen die Nick, Niek of Rick heette haar – mijn zusje dus – een keer aan haar haren een paar meter over het pleintje naast ons huis gesleept. Dat vond mijn zusje uiteraard niet leuk. Het deed pijn en was eng en ze kwam met veel grote tranen die in hoog tempo over haar wangen rolden thuis. Ik weet nog dat het me kwaad maakte. Nik, Nieck of Rijk was een jaar of twee ouder dan mijn zusje en hij moest met zijn fikken van haar afblijven. Dat ze mijn zusje was maakte de andere twee argumenten – jonger en een meisje – overbodig en ik besloot tot vergelding.

Ik liep naar het pleintje, waar Riek aan het voetballen was met wat andere kinderen uit de buurt. Het deed hem weinig, mijn komst, en hij lachte op een ongeïnteresseerde, treiterige manier toen ik hem vroeg of het klopte wat hij had gedaan, waarom hij het had gedaan en zei dat hij het beter niet had kunnen doen. Nike bleef maar voetballen en grijnzen, de consequenties van zijn actie drongen hoegenaamd niet tot hem door, en dus moest ik hem ze laten voelen. Ik pakte hem bij zijn haren, tikte met mijn been zijn benen onder zijn bovenlichaam vandaan en trok hem een paar meter over de grond, net zoals hij bij mijn zusje had gedaan. Nork krijste en huilde en toen ik hem weer had losgelaten rende hij naar zijn voortuin. Hij ging niet naar binnen, om te klikken bij zijn ouders, want hij wist dat zijn actie dan ook uit zou komen.

‘Nu weet je ook hoe het voelt,’ zei ik, en ik ging weer naar huis. Daar vertelde ik mijn zusje wat ik had gedaan om ervoor te zorgen dat Nippel haar niet nog eens zoiets zou aandoen. Mijn vader hoorde het en even was ik bang dat hij boos zou worden, maar dat gebeurde niet. De volgende dag nam mijn hij mij apart en kreeg ik LEGO (Galactic Peace Keeper, set 6886) omdat ik voor mijn zusje was opgekomen. Dat zal ik nooit vergeten, want ik weet het nu nog steeds.

Vorige week waren we bij mijn ouders en toen mijn oudste zoon mijn verzameling LEGO had gezien moest hij ermee spelen. We namen het mee naar huis (‘voor hem!’) en nu zit ik elke dag op zolder te legoën, als afwisseling op het schrijven van mijn volgende boek.

Gisteren herkende ik tijdens het bouwen van een politieboot wat delen van de Galactic Peace Keeper, vond de bouwinstructies online en heb hem toen in elkaar gezet. Een directere brug naar het verleden kan ik me niet voorstellen.

Ik heb me weleens afgevraagd of het opvoedkundig in de haak was wat mijn vader toen deed. Nu ik zelf vader ben beantwoord ik dat met een volmondig ja.

Filters

Vanochtend stond ik voor het eerst in weken weer eens op de pont en had ik het gebruikelijke moment van bezinning wat mensen hebben die noodgedwongen moeten wachten tot ze verder kunnen met hun leven. Iedereen is druk en gejaagd en er is eigenlijk helemaal geen tijd voor overtochten met pontveren en ritten in bussen en trams, maar we kunnen nu eenmaal niet overal direct zijn. De pauzestand waarin het leven zich tijdens het openbaar vervoer bevindt zet aan tot gedachten, of mensen dat nou willen of niet.

Ik denk eigenlijk van niet. Mensen willen het liefst door om het gevoel te hebben midden in het leven te staan. En als ze dan al genoopt worden tot stilstand te komen (zijzelf, niet het openbaar vervoer), teneinde verder te kunnen, pakken ze het liefst hun telefoon om zich te verliezen in een enhanced versie van de realiteit.

Ik zeg nu ‘ze’, maar doe dit zelf natuurlijk ook. En altijd als ik het doe, of anderen het zie doen, denk ik ‘best wel erg dit’ en ‘we leven eigenlijk allang in The Matrix’. Maar nu, vanochtend dus, dacht ik het niet. Misschien is het wel prima dat we voortdurend een uitweg zoeken uit de actuele situatie. Misschien is het niet erg dat technologie individualisme in de hand werkt, omdat wij mensen helemaal niet zo interessant zijn. Het is toch veel leuker om blij of boos te worden van een uit de context gerukt citaat op Twitter? Om je te vergapen aan de gefilterde perfectie van gebruinde lichamen op Instagram? Om via WhatsApp snappy dialogen te kunnen starten en stoppen wanneer je maar wilt, in plaats van twee uur lang met iemand in een ‘gezellig’ conceptcafé een tegenvallende tosti van gerecycled brood te eten?

Het is niet erg, dacht ik. Het is evolutie, net als de technologische vooruitgang. We kunnen er een moreel etiket op plakken als ‘asociaal’ of ‘ongezond’, maar kennelijk is dit wat we willen. Waarom zouden we het anders massaal doen? Niemand dwingt ons, we zijn simpelweg uitgekeken op de ons direct omringende wereld, altijd, waar we ook zijn. Dan biedt onze draagbare portal naar betere oorden en tijden uitkomst.

Terwijl ik dit allemaal dacht, met mijn telefoon in mijn hand, waarop ik niet keek, zag ik een andere man, die, leunend tegen zijn fiets, zijn blik over het IJ liet varen. Hij leek ook een moment van bezinning te ondergaan. Rechts van me stond een oude, rossige man die Rinus of Teun moest heten, ook zonder telefoon, uitkijkend over de bouwputten bij de Oude Houthavens, waar hij vermoedelijk ooit nog zijn knokkels rauw had gewerkt. Verderop stonden drie toeristen een gesprek met elkaar te voeren. Ik bespeurde een gevoel van optimisme en hoop, dat de daaraan voorafgaande gedachtestroom leek te logenstraffen.

De pont meerde aan en we stapten af bij Centraal Station. Daar zag ik, onder een vuilnisbak, hoe een magere, zwartgeblakerde duif de filters van gerookte sigaretten probeerde op te eten.

Beenruimte

We waren twee weken naar Kreta en het was allemaal prima, maar op een gegeven moment gingen we ook weer naar huis. Vliegen met kleine kinderen is een opgave. In grote en onbegrensde ruimtes is het al een klus om ze in toom te houden, maar 4 uur met twee kleine jongetjes (een peuter en een baby) op een vierkante meter vertoeven is een situatie met eigen regels en unieke beperkingen die tot onontkoombare complicaties leidt. En met complicaties bedoel ik irritaties, bijvoorbeeld bij de man voor me, een vierkante bootwerker met een benige kop.

De vlucht begon (voor hem) al niet goed omdat ik met de hoek van mijn laptop tegen zijn grijze hoofd stootte. Ik bood meermaals mijn excuses aan, die hij schoorvoetend accepteerde, en daarmee was de toon gezet.

Het volgende incident – of reeks incidenten – werd mede door hemzelf veroorzaakt toen hij besloot zijn stoel in de ligstand te zetten terwijl ik met de baby op schoot achter hem zat. De baby was net wakker en had honger en maakte dat duidelijk middels non-stop getrappel, waarbij, uiteraard, ook de stoel voor ons het moest ontgelden.

Later bleek mijn peuter bezeten van de duivel die graag huist in peuters en zag hij zich genoodzaakt zijn rugzakje met speelgoed te legen op de vliegtuigvloer. Die actie, die hij zojuist met een aan agressie grenzend enthousiasme had uitgevoerd, maakte hem vervolgens intens verdrietig. Het speelgoed moest worden teruggevonden, zodat hij ermee kon spelen – wat zijn initiële actie inderdaad onlogisch en onhandig maakte – en hij kroop voortdurend over de vloer in een poging alles te verzamelen. Wanneer hij gefrustreerd raakte, wat direct gebeurde, moest ik hem helpen. De beperkte beenruimte bij Europese chartervluchten maakte dat we in dat proces weleens tegen de stoelen voor ons stootten. Ook kroop hij weleens over mij heen, en dan bungelden zijn benen in het gangpad en sloegen ze opzij, tegen de zijkant van de man, die dat niet leuk vond.

Even later, toen bleek dat we nog een rood Duplo-autootje misten, stootte ik na een ultieme vindpoging mijn hoofd hard tegen de hoek van het inklaptafeltje. Dat deed verdomde veel pijn en werd vergezeld door de klaagzang van de man, die hij duidelijk al een tijdje aan het opbouwen was.

‘Hier zit ook iemand hoor!’

‘Ja meneer,’ zei ik bevestigend, terwijl ik met mijn hand over mijn hoofd wreef.

‘Al dat gebeuk en geduw, zo gaat het al de hele vlucht!’

‘Ik zit achter u met een kind op schoot en u heeft uw stoel naar achteren gezet.’

‘Helemaal niet!’

‘Wel.’

De man bestudeerde de stand van zijn rugleuning ten opzichte van die van zijn buurman, drukte op het knopje in de armleuning en zijn stoel vloog naar voren. Hij mopperde nog wat, half in zichzelf, half tegen mij, en dirigeerde zijn norsheid toen weer richting de cockpit.

Ik ging zitten en voelde nog eens op mijn hoofd. Daar ontstond een aardige bult.

Ongewenst

Soms kom je op een plek en dan is daar iets aan de hand. Niet als in een gebeurtenis, maar een energie. Er is dan al iets gebeurd, voordat je er was, waarvan de sporen nog in de lucht hangen. Zo ook nu in de Albert Heijn, waar ik ben om de boodschappen te doen die we vergeten zijn te bestellen.

Daarover: wij bestellen de meeste boodschappen tegenwoordig. Dat is handiger. Vroeger, toen we nog ‘een stel met een kind’ waren – en daarvoor al helemaal -, bedachten we elke dag wat we wilden eten en deden we elke dag de benodigde boodschappen voor het bedachte eten. Daar tijd zich ontwikkelt tot een steeds kostbaarder goed, doen we wat we kunnen om het waar mogelijk te besparen. Dit is een van die dingen. Het laten bezorgen van de boodschappen scheelt ons 45 minuten per dag, zo heb ik berekend. Dat is ruim vijf uur per week. Dat is precies de jongleeroefentijd die we nodig hebben om alle ballen in de lucht te houden.

Maar het is niet 100% waterdicht. Soms vergeet je iets, of heb je iets nodig waarvan je onterecht dacht het nog in huis te hebben. Soms wil je toch iets anders maken of een variant op het in eerste instantie bedachte gerecht. Soms zijn er onverklaarbare en onmogelijk voorzienbare redenen of oorzaken die een mens nopen naar de supermarkt te lopen. Niet alles is controleerbaar.

Ik word daar op dit moment weer eens mee geconfronteerd. Ik voel het niet alleen in de lucht, maar zie het ook in de blikken van de andere mensen, die mij tegelijk meewarig en wantrouwig aankijken. ‘Weet hij wel wat er speelt?’ lijken de blikken te zeggen. Niet tegen mij, want dan zou de vraag wel in de tweede persoon gesteld worden.

Ik zoek oogcontact, maar gezichten wenden zich schichtig af. Ik kijk naar de mango’s, op zoek naar een bewijs. Ik aai een harige kiwi en knijp zachtjes in een peer, maar het fruit vertelt me niets. Dan weet je: bij de groente hoef ik het al helemaal niet te proberen.

Manoeuvrerend naar de broodafdeling voel ik de atmosfeer verdikken. Misschien is dat wat er is gebeurd wel onuitspreekbaar. Had ik erbij moeten zijn, of was mijn aanwezigheid juist een onmogelijkheid. De kennis die men hier zwijgend met elkaar deelt is niet voor mij bedoeld. Ik heb, als besteller van boodschappen, hier geen privileges meer. Ik ben een outcast. Voor mij is tussen de schappen niet langer plek. In de supermarkt ben ik voortaan onwetend en onbeschut.

Men beschouwt mij als een verrader, een indringer. Dat is wat er is gebeurd: ik ben overgelopen. En nu denk ik, gelijk een opportunistische ringstaartmangoest, hier simpelweg een pakje ongezouten roomboter en flesje kokosmelk te kunnen oppikken. Neen, zeggen de blikken en de energie, hij is hier niet langer welkom. Bovendien, ik houd niet eens van kokos.

Zacht voedsel

Vandaag heb ik 1000 woorden aan mijn nieuwe manuscript geschreven + twee stuckjes á 500 woorden = circa 2000 woorden en de zon schijnt en dus heb ik zin in een biertje. Eén biertje, een IPA, in voorgenoemde zon, op het terras van EYE, waar het altijd keihard waait. Ik ga daar zitten, in die zon en wind, met het laatste boek van Marcel Vaarmeijer, dat ik bijna uit heb. Maar voordat ik al die dingen kan doen moet de man in de rij voor me, hangend over de bar, zijn bestelling gedaan hebben. En dat blijkt nog niet zo eenvoudig.

‘Wat is de soep van de dag?’ vraagt hij.
‘Zoete aardappel-wortelsoep met bosuitjes,’ antwoordt het barmeisje.
‘Ah lekker, bosuitjes. En zeg eens, is die soep vegetarisch?’
‘Ehm ja, dat denk ik wel.’
‘Ik moet het weten. De bouillon bijvoorbeeld, is de bouillon getrokken van rund?’
‘Oe, dat weet ik niet.’
‘Ik moet dat echt weten.’
‘Dan moet ik het even vragen aan de kok.’
‘Dankjewel.’

Het meisje rent de trap op. Bovenaan die trap is kennelijk de keuken, met daarin vermoedelijk een kok. We, de man voor mij, de mensen achter mij en ik, moeten wachten tot het meisje terugkomt en dat doet ze.

‘Nou meneer, ik heb het even gevraagd, en hij is zelfs veganistisch! De soep,’ informeert ze de man enthousiast.
‘Oh wauw, wat voor soep was het ook alweer?’ vraagt de man weer, duidelijk onder de indruk van veganistische soepen.
‘Zoete aardappel-wortelsoep. Met bosuitjes.’
‘Aja heerlijk zeg. En heb je daar ook iets van gebakken aardappeltjes bij? Of puree?’
‘We hebben frietjes.’
‘Frietjes,’ herhaalt de man, niet in staat zijn teleurstelling te onderdrukken. ‘En zou je die kunnen pureren? Of prakken?’
‘Ehhh…’
‘Zie je, ik kan alleen maar zacht voedsel eten. Hard voedsel verdraag ik niet.’
‘Oh, dat weet ik niet meneer. Ik kan het wel weer even vragen?’

De man kijkt naar het glimmende oppervlak van de bar en maakt een afweging. Kan ik haar weer omhoog laten rennen? Kan ik de mensen in de rij, en dan vooral deze steeds norser kijkende gemillimeterde dude achter mij, nog langer laten wachten? Om hem te helpen met het antwoord schud ik bijna onmerkbaar mijn hoofd.

‘Neu, dat hoeft niet. Doe maar frietjes.’
‘Was dat het?’
‘Nog een brandnetelthee en een latte macchiato met havermelk.’
‘Oké meneer, waar gaat u zitten?’
‘Op het terras.’
‘We komen het bij u brengen.’

Later, met mijn boek en IPA zittend in zon en wind, zie ik hoe de man harde frieten in zijn soep dompelt.

Tegelijkertijd september

Het is eindelijk september, mijn lievelingsmaand. De manie van de zomermaanden voorbij, de bonus van warme nazomerdagen in het verschiet. Van september verwacht je niets. Het is de maand van ‘weer naar school’, uitgeschakelde ouf of office replies en ‘laten we weer wat vaker en gezonder gaan koken’. Van dat laatste weet ik niet of het waar is, maar het zou zomaar kunnen, en dat is genoeg.

Het is september en ik voer een gesprek over tijd. Mijn gesprekspartner is een kale vrouw die op Sylvana Simons lijkt. Het zou haar zomaar kunnen zijn. ‘De tijd gaat hard,’ zegt ze, maar op zo’n manier dat het niet clichématig aandoet. Ze lijkt het voor het eerst te zeggen, voor het eerst te beseffen. Ze lijkt de eerste die het zegt en ik heb nooit iets gehoord wat meer waar was dan dit.

Om haar punt kracht bij te zetten laat ze me een foto zien van een stad die ik niet herken. Het is overdag, maar donker, en zij staat onder een straatlantaarn. ‘Het is op deze foto de slechtste plek om je te verschuilen,’ zeg ik, terwijl ik naar het licht van de lantaarn wijs. Ze knikt met een glimlach, alsof het aandoenlijk is wat ik zeg. Alsof ik het niet helemaal begrijp, maar de poging wordt gewaardeerd.

Normaal zou zoiets me irriteren. Het is aanmatigend. Niet alles is voor iedereen altijd even duidelijk, dat zou zij toch moeten begrijpen. Maar dat doet ze ook, besef ik, en ik laat het gaan.

‘Ik was hier 3,5 jaar geleden,’ gaat ze verder, ‘maar zo voelt het niet. Het voelt alsof ik nog steeds op deze plek ben, alsof ik er nooit ben weggegaan.’

‘Maar dat ben je wel,’ zeg ik, ‘want je zit nu hier.’
Ze knikt weer, niet neerbuigend of glimlachend, maar ter erkenning van dat eenvoudige feit. Tenminste, zo interpreteer ik het nu. Ze is hier, niet daar, of op welke andere plek dan ook. ‘Maar dat is nu juist het hele ding,’ zegt ze. ‘Ik kan mezelf daar weer plaatsen. Dan is het alsof er geen tijd is verstreken. Ik ben daar en hier tegelijk, op beide plekken op hetzelfde moment. Er is geen verschil, ze zijn één. Ik ben dat, nu en toen.’

Terwijl ik haar woorden op me in laat werken merk ik dat het plotseling te laat is om nog iets terug te zeggen. Ik zie de vrouw nog wel, ze zit naast me, maar er lijkt een onzichtbare geluidswand tussen ons in te zijn geplaatst. Ik voel benauwing, lichte paniek, maar als ik in haar waterige ogen kijken weet ik dat het oké is. Het is verdrietig, maar oké. Alles gaat voorbij, zegt haar blik, ook dit moment. Maar tegelijkertijd is het altijddurend. Bestendig. Voorgoed. Alles wat we doen laat sporen na. Niets is voor niets. En tegelijkertijd hè, tegelijkertijd…

Stockholm, Zweden

In mijn vorige stuckje noemde ik Lokaal Spaanders. Ik zit daar nu weer, want in de uithoek van Amsterdam-Noord waar ik woon zit verder nog weinig. Met een open laptop en een frons lijkt het al snel of je werkt en dus is het de ideale mix om mensen ongemerkt af te kunnen luisteren. Dit doe ik heel vaak en ik ken andere schrijvers die dit ook doen dus 1. het ligt niet per se aan mij en 2. wees je bewust waar je over praat als je omringd denkt te zijn door ernstige, in continue onzekerheid over hun financiën levende ZZP’ers.

Tegenover me zitten twee meisjes, vermoedelijk vriendinnen. Het meisje (ik blijf ze meisjes noemen, vrouwen onder de 30) dat met haar rug naar me toe zit vertelt het andere meisje over Stockholm alsof ze er jaren heeft gewoond en pas een paar uur terug is in Nederland. Het is geen gesprek, daarvoor zijn tenminste twee mensen nodig die ieder dingen zeggen, maar een opsomming van alle dingen die bijzonder zijn aan Stockholm.

‘Stockholm bestaat dus uit superveel eilandjes. En je kan naar al die eilandjes toe met de ferry, dat is heel leuk.’
‘Er is heel veel groen’
‘Drank is superduur, dus iedereen doet het hele diner met één glas wijn.’
‘Eten is ongeveer even duur als hier.’
‘De mensen zijn op zich wel aardig, maar koel. Afstandelijk.’
‘Er zijn superveel tweelingen.’

Hier reageert het andere meisjes op met een gemeend ‘Echt?’.

‘Ik had het er met mijn vader over,’ vervolgt het meisje. ‘En die zei dat veel mensen waarschijnlijk ivf doen, want dan is de kans op een tweeling veel groter. We konden niks anders bedenken.’

Het andere meisje knikt.

‘M’n vader was wel oké trouwens. Niet zo angstig en gespannen als normaal. Ik laat ‘m meestal gewoon, met al z’n stress, maar nu was hij wel chill.’

‘O wat fijn,’ zegt haar vriendin.

‘Het was een heerlijk weekend, je moet echt een keer mee.’

Ze was dus maar een weekend weg, blijkt nu. Het andere meisje knikt en kijkt mistroostig naar buiten. Het is de aanzet voor miss Stockholm om te vragen hoe het met haar gaat.

‘Ja, wel oké hoor. Moet nog een beetje mijn draai vinden hier. Ken natuurlijk nog niet zoveel mensen. Er zijn echt veel leuke dingen te doen in Amsterdam. Ik moet ze alleen gaan doen. Ik vind het ook niet erg om alleen te gaan, maar het is soms lastig. Ik moet echt wat gaan doen.’

‘Het is wel even lekker hoor, zo’n vakantie,’ gaat haar vriendin verder. ‘Heb echt weer even ruimte in m’n hoofd.’

Haar vriendinnetje knikt, hoewel vakantie nu het laatste is waar ze op zit te wachten.

Zonneplein

Lokaal Spaanders is een charmant, ontspannen café-restaurant op het Zonneplein in Tuindorp. Op dat plein heb ik met mijn goede vrienden K en H in de lente van 2008 een epische zondagmiddag gehad tijdens de Gasten Zonder Grenzen Matinee. Voor wie niet weet wat Gasten zonder Grenzen is en wat voor soort middag dat dan wel niet geweest moet zijn is het jammer, want het is te veel om in de door mijzelf opgelegde beknopte lengte van deze zogenaamde ‘stuckjes’ uit te leggen. Laten we het erop houden dat er gedanst werd, vaak op obscure, afgelegen locaties, zoals het Zonnehuis, gelegen tegenover Lokaal Spaanders.

Elf jaar geleden dansten we de middag naar de nacht, nu zit ik hier regelmatig ’s ochtends, alleen of met mijn vriendin, met of zonder kind(eren). Ik verbaas me er dan over hoe een plek zo’n uiteenlopende energie en betekenis kan hebben. Elf jaar geleden moest ik een halfuur fietsen om hier te komen en had ik bij aankomst eigenlijk geen idee waar ik was. Amsterdam-Noord was een onbekend stadsdeel, een door mij grotendeels onontgonnen gebied waar ik me niet thuis voelde. Een te uitgestrekt stadsdeel bovendien, met vreemde wijken, armoedig en onbezield. Steeds als ik in Noord was (niet alleen voor feestjes, maar ook voor werk; ik nam intakes voor inburgeringscursussen af. Herinner me eraan dat ik hier ook nog een keer wat over schrijf) kon ik niet wachten om weer weg te gaan. Op de pont terug naar de bewoonde wereld, naar het leven van de stad.

Maar the times they are a-changin’. Elf jaar later ben ik hier weer, maar zijn de omstandigheden gedraaid. Om hier te komen hoef ik nu maar tien minuten te lopen. De Gasten zonder Grenzen hadden wel degelijk grenzen, want ze geven al een paar jaar geen feesten meer. Een matinee is weer gewoon een theatervoorstelling en op zondag wordt er nimmer gedanst, behalve door mijn zoontje in de woonkamer.

Het Zonneplein en -huis zijn een tijdmachine geworden. Het is dezelfde plek op twee momenten in mijn leven, dat veranderd is. Toen was ik een jongen van 25, nu een vader van twee zoons. Ik kijk naar het Zonnehuis en probeer me voor te stellen hoe ik daar stond te dansen en zweten met mijn vrienden, hoe we het theater bij het kraken van de nacht achter ons lieten, niet vermoedend dat we er ooit weer zouden terugkeren. Dat deden we ook niet. In ieder geval niet om een vergelijkbare reden.

Ik zit er nu tegenover op het terras met een koffie verkeerd en deel een eipannetje met mijn vriendin, terwijl ik met mijn rechterhand de kinderwagen wieg. Ik probeer de nostalgie te onderdrukken, maar dat lukt altijd slecht. Misschien is het geen nostalgie, maar weemoed. Het is niet dat ik terugverlang naar die tijd en dat moment, meer het besef dat alle dingen voorbijgaan en niet terugkeren. Tenminste, niet in dezelfde vorm.