Prijsvechten

De kaas is op, ik moet kaas kopen, we eten veel kaas. Dit is geen superkort verhaal over kaas, hoewel ook weer wel, want er zit kaas in, maar had ook ergens anders over kunnen gaan. Kaas is het lijdend voorwerp.

Ons huis bevindt zich in het geometrische en geografische middelpunt van drie supermarkten – ook wel de supermarktdriehoek – te weten een Albert Heijn, Deen en Lidl. Naar de Lidl ben ik nog nooit geweest, want die ligt richting Oostzaan en ik woon al ver genoeg.

De Albert Heijn is de Albert Heijn en ligt in een winkelcentrum. Dit biedt de mogelijkheid om horizontaal boodschappen te doen, bijvoorbeeld bij de Etos, Blokker, lokale bakker of slager, maar wanneer ik maar een paar dingen nodig heb voelt die plek overdadig.

Dat laat één supermarkt over, namelijk de Deen, en daar was ik zonet om kaas te kopen. Waar de aanbiedingen van de Albert Heijn me vaak al via de mail en app hebben bereikt, werkt de Deen nog met op de website ingescande folders die ik nooit lees. Pas als ik er ben zie ik welke producten in de aanbieding zijn, gemarkeerd door een rode sticker met daarop ACTIE in witte letters.

Het lot wilde dat Beemster kaas, een van de betere supermarktkazen, zo’n sticker droeg. Wat de actie precies inhield – m.a.w. hoe hoog de korting was – vertellen ze bij Deen nooit, maar ze zijn prijsvechters en dus kun je ervan uitgaan dat je het voordeel direct in je portemonnee voelt.

Bij het afrekenen viel me op dat er op de kaas geen korting werd aangeslagen.

‘Zit er geen korting op de kaas?’ vroeg ik de caissière nieuwsgierig. ‘Hij heeft immers een sticker.’

De caissière keek naar het stuk kaas, zag de sticker, bestudeerde het overzicht met de door haar gescande boodschappen, zag dat er geen korting was verrekend en besloot de folder erop na te slaan. Ze kon na wat halfslachtig bladeren de aanbieding niet vinden en tikte haar collega aan.

‘Weet jij of deze kaas in de actie is?’

Haar collega draaide zich verveeld om, keek naar de kaas, zag de ACTIE-sticker en besloot in actie te komen. Ze pakte de folder, dezelfde folder die zojuist tevergeefs door haar collega was ‘bestudeerd’, en begon te bladeren. Nauwgezet. Als een detective. Ze stopte, boog zich voorover, legde haar vinger op een bladzijde en draaide zich naar me om alsof ze het sluitende bewijsstuk in een al jaren voortslepende moordzaak had gevonden. Ze hield de folder omhoog, met haar vinger nog steeds op de plek waar de kaasaanbieding zich vermoedelijk bevond, die ik niet kon zien door haar vinger.

‘Het is bij 500 gram kaas.’

Haar collega – mijn caissière – keek me triomfantelijk aan. Zo van ‘Het is alleen bij 500 gram.’

‘Alleen bij 500 gram?’ vroeg ik met onderdrukte verbazing.

‘Ja, 500 gram.’ Om haar triomf te bezegelen hield ze het door mij uitgekozen stuk kaas omhoog en wees naar het gewicht: 514 gram.

‘Geldt de prijs in de folder niet per 500 gram?’ vroeg ik zo redelijk mogelijk.

‘Nee, bij 500 gram,’ zei de collega.

Ik wilde op mijn hoofd krabben, maar deed dat niet.

‘Hebben jullie dan stukken kaas van precies 500 gram?’

‘Het geldt alleen bij 500 gram,’ zei ze nu resoluut, zich ongeduldig terugdraaiend naar haar kassa, waar niemand aan stond.
Ik vroeg me af of ik door moest duwen. Zou ik meer argumenten aandragen, korting afdwingen, met het risico de situatie ongemakkelijk te maken, of inbinden?

‘Wilt u de kaas nog?’ vroeg de caissière, nu ook grenzend aan ongeduld.

‘Sorry?’

‘Of u de kaas nog wilt? Of moet ik hem terugleggen?’

‘Jawel. Ik wil ‘m wel.’

Toen ik nog lichtelijk verbouwereerd thuiskwam besloot ik zelf onderzoek te doen. Ik sloeg mijn laptop open, surfte naar Deen.nl, opende de ingescande folder, bladerde naar de aanbieding en wat bleek? Die gold alleen bij 500 gram. Precies 500 gram. Geen gram meer of minder.

Prijsvechten is een precisiekunst.

Intense interesse

Het zal de oplettende lezer niet zijn ontgaan dat mijn oudste zoon in een tamelijk extreme dino-fase zit. Daar maak ik me inmiddels geen zorgen meer om, want volgens wetenschappers – altijd weer die wetenschappers – heeft een dergelijke ‘intense interesse’ op de lange termijn positieve gevolgen.

De interesse – of het nu om dino’s, helikopters of kiepwagens gaat – is ‘conceptueel’, in tegenstelling tot ‘situationeel’. Met andere woorden, het gaat het kind om dinosauriërs in het algemeen, niet alleen op het moment dat hij een harde brul hoort. Een dergelijke conceptuele interesse bevordert cognitieve processen. Het leert kinderen zich langer te concentreren, grote hoeveelheden informatie te verwerken en draagt bij aan hun kennis. Conceptuele interesses nemen ze mee naar later, als ze naar school gaan en gaan werken, en helpt ze de wereld begrijpen en problemen op te lossen. Tot zover de wetenschap.

In de praktijk betekent het dat we in een dinowereld leven, waarin alles dino is. Boodschappen doen is dus niet gewoon dat, maar een speurtocht naar dinoskeletten. Mijn zoontje wijst me de weg naar de skeletten, vaak in de vorm van hijskranen, en vertelt me dat hij ‘De Meneer’ sprak en dat die zei dat ‘Papa en ik naar het Dinohuis toe moeten. We moeten naar het Dinohuis en daar wonen.’

‘De Meneer’ en ‘De Mevrouw’ zijn door mijn zoontje verzonnen entiteiten met onbeperkte kennis en invloed. Hij raadpleegt ze soms als hij een vraag heeft of als het leven een dilemma opwerpt waar zijn gewone stervelingen van ouders geen antwoord op hebben. ‘Ik vraag het even aan De Mevrouw,’ zegt hij dan, waarop hij naar een hoek van de kamer loopt, in het luchtledige een gesprek voert en terugkomt met een antwoord, conclusie of advies, onomwonden en niet-onderhandelbaar.

Het Dinohuis is in dit geval de ‘This is Holland’-experience achter de EYE bioscoop. We gaan naar binnen, zoals De Meneer heeft geïnstrueerd, worden begroet door liftmuziek en alles Holland, maar zonder ticket kunnen we op een gegeven moment niet meer verder.

De baliemevrouw – niet De Mevrouw – recht alsof ze niet zat te facebooken haar rug en zet een professionele glimlach op. 

‘Hij is op zoek naar dino’s,’ zeg ik zachtjes. ‘En denkt dat hier dino’s zijn.’

De glimlach van de vrouw verandert van professioneel in ongemakkelijk. Ze komt iets omhoog, om mijn zoontje beter kunnen te zien, en zegt nep giechelend: ‘Hier zijn geen dino’s.’

Het verwonderd enthousiasme verdwijnt van zijn gezicht. ‘Oh…’

‘Bedankt hè,’ zeg ik niet sarcastisch genoeg en we lopen terug naar de ingang. Niet iedereen hoeft zijn illusies in stand te houden, denk ik, me ergerend aan haar zuinige mondje en de liftmuziek, waarop en -door je prima zelfmoord zou kunnen plegen.

‘Kom we gaan daar zitten!’ roept mijn zoontje. Hij wijst naar een bankje bekleed met kunstgras.

‘Is dit dinogras?’ vraag ik hem.
‘Nee, gewoon gras.’
‘Oh,’ zeg ik met plaatsvervangende teleurstelling.
‘Maar dat zijn wel dinobotten!’ gilt hij, wijzend naar twee grote witte nepplanten.

De illusie is hersteld.

Snoep is lekker zoet

Mijn zoontje van 3,5 komt naar me toegelopen en ik knijp ‘m al meteen want ik wil niet meer over dinosaurussen praten. Ik kan het niet meer. Hij kan het wel en het is enige wat hij wil. Hij wil vooral steeds over dezelfde dinosaurussen praten, over dezelfde aspecten ervan, de hele tijd. Hij wil er vragen over stellen, dingen over vertellen, verzinnen, ze maken van Duplo, boetseren van klei, tekenen op papier, ze uitknippen en er dan mee spelen, met al die verschillende gemaakte en verzonnen verschijningsvormen van dino’s. En hij wil dat allemaal met mij, of met degene die op dat moment met hem in een ruimte is.

Ik zet me schrap voor zijn vraag of het tegenovergestelde daarvan, wanneer hij begint met ‘Weet je…’ en me dan iets vertelt wat ik wel of nog niet weet. Maar dat maakt verder niet uit, mijn al aanwezige kennis, want vertellen zal hij het me. En dat is natuurlijk ook hartstikke mooi en leuk, maar ook… naja, eentonig. Want ze zijn al heel lang dood hè, die dino’s. Er gebeurt weinig meer mee.

Hoewel, nee, dat is niet waar. Dat is juist de paradox van dino’s, dat ze al heel lang niet meer bestaan, maar nog steeds evolueren omdat wij steeds meer over ze te weten komen. Dat het eigenlijk gewoon uit de klauwen gelopen kalkoenen waren, bijvoorbeeld, met veren. Maar dat zeg ik niet, want dan krijg ik een triceratops in mijn oog.

‘Snoep is lekker zoet,’ zegt hij met een aardbeienschuimpje tussen zijn vingers. Hij neemt er een lik van.
‘Dat komt door de suiker,’ leg ik hem ongevraagd uit, opgelucht dat ik niet voor de 700ste keer hoef te vertellen hoe de dino’s aan hun eind kwamen.
‘Dat is heel lekker,’ reïtereert hij zijn stelling.
‘Ja, maar het is niet zo gezond,’ probeer ik mijn uitleg te verduidelijken, nog steeds ongevraagd, maar vanuit de behoefte hem de keerzijde van lekkere dingen te leren. Dat is het ouderschap vaak; keerzijdes belichten.
‘Nee?’ vraagt hij kinderlijk naïef, waar hij als driejarige volledig mee wegkomt.
‘Ik zal je iets uitleggen,’ zeg ik, tamelijk belerend. ‘Sommige dingen zijn lekker én gezond, zoals aardbei, tomaat en peer. Sommige dingen zijn niet lekker maar wel gezond, zoals spliterwten en witte bonen, en heel veel dingen zijn lekker en niet gezond, zoals snoep, chips en koekjes.’

Het blijft even stil. Mijn zoon kijkt me niet aan, want hij kijkt naar zijn schuimpje. Hij concentreert zich volledig op de volgende lik. Hij laat de artificiële aardbeiensmaak nogmaals goed op zich inwerken, kijkt naar me op en heft zijn nog vrije vinger waarschuwend in de lucht.
‘En nu zal ik JOU iets uitleggen,’ zegt hij krachtig. ‘Ik ben DOL op snoep en ik vind het SUPERlekker!’

Hij stopt het hele schuimpje in zijn mond en beent weg. Volgende keer hebben we het wel weer over de lokroep van de parasaurolophus.

Vroeg gesmolten

Mijn hart was vanochtend om 9:00u al gesmolten. Dat is vroeg, meestal gebeurt het pas aan het einde van de middag, als ik mijn kinderen na een lange dag op de kinderopvang weer zie. Het verneukeratieve aan kinderen is dat je soms niet kunt wachten tot ze weg zijn, zodat je een moment voor jezelf hebt, maar ze vervolgens bijna direct gaat missen. Het gebeurt weleens dat ze gaan logeren en mijn vriendin en ik het hele vrije weekend praten over hoe leuk ze wel niet zijn en hoe graag we ze willen knuffelen. Ik zou dan meer van die vrijheid willen genieten, maar dat lijkt niet meer te kunnen. Kinderen zijn er altijd, als niet in je gezichtsveld, dan wel in een kamer van je gedachten. Soms heel prominent, soms meer op de achtergrond, maar het volume staat nooit op 0.

Over het missen van onze kinderen hadden we de afgelopen maanden niet te klagen, want ze waren er altijd. De kinderopvang was er alleen voor de kroost van ouders met vitaal werk en opa en oma moesten worden ontzien. Er vielen in totaal drie opvangdagen weg, die mijn vriendin en ik samen moesten opvangen. Onze kinderen hebben continu aandacht en/of zorg nodig. De peuter vooral het eerste, de baby het tweede, hoewel zorg en aandacht vaak inwisselbare termen zijn. Het ging, maar het kraakte. De aankondiging van Rutte dat de kinderopvanginstellingen en basisscholen weer (deels) open zouden gaan werd met ten hemel geheven gebalde vuistjes ontvangen.

Onze oudste had er geen zin in, die vond het wel prima, elke dag thuis, met al z’n speelgoed, films, series en ouders. De baby vond het ook prima, maar kon dat niet verwoorden. Hij leek er minder moeite mee te hebben weer naar de crèche te gaan, zeker omdat zijn grote broer de eerste twee weken bij hem op de groep zat, omdat kinderen uit hetzelfde gezin bij elkaar werden geplaatst.

De grote broer wilde al niet, maar zat nu ook nog eens in een andere klas, zonder zijn vriendjes, met voornamelijk baby’s die hij niet kende en met wie hij geen interesses deelde. Op de foto’s die via de kinderopvang-app met ons werden gedeeld zagen we hem steeds alleen in een hoekje zitten, plastic dieren ordenend, een neurotische handeling die ik herken van mezelf als kind; alle autootjes moesten in formatie van de ene kant van de tafel verplaatst worden naar de andere kant, en vice versa. Gelukkig heb ik vandaag de dag geen last meer van dergelijke dwangmatigheden.

Per vandaag zouden kinderen weer op hun eigen groep worden opgevangen. We konden dus weer zwaaien voor het raam waar we vroeger, in het oude normaal, altijd zwaaiden. Eerst zag ik een blond jongetje hevig lachend en wuivend voor het raam verschijnen. Toen verscheen mijn zoon naast het jongetje, net zo blij. Hij keek naar zijn vriendje, naar mij, enzovoort, en zwaaide, lachend. Toen begon het smelten.

Maar ik houd echt heel veel van pizza

Om nog maar eens aan te geven hoeveel ik van pizza houd: de droom van vannacht waarin de eigenaresse van mijn favoriete pizzeria naar Den Haag ging verhuizen beschouw ik als een nachtmerrie. Ik werd echt geshockeerd en verdrietig wakker, zat vol onbegrip en vragen, zoals ‘waarom?’ en ‘nee!’. Lichte paniek voelde ik ook. Mijn brein zocht naar een uitweg, naar alternatieven, maar ik wist al bij aanvang van het denkproces dat die er helemaal niet zijn.

Ik wil of kan eigenlijk altijd wel pizza eten. Dat onderdruk ik, want ik vrees dat mensen me anders banaal vinden. De pizza is, zeker in Amsterdam, natuurlijk allang een ‘gourmet’ gerecht, niet zelden belegd met geïmporteerde mozzarella van gemasseerde buffels, tot op de perfectie gedroogde bresaola en tong beplassende kalamata olijven, maar het ding blijft banaal, al was het maar vanwege de vorm.

Bovendien getuigt het niet per se van een avontuurlijke instelling en rijk ontwikkeld smaakpalet om altijd hetzelfde te willen eten, hoewel de pizzavariatiemogelijkheden natuurlijk zowat onbeperkt zijn.

Soms opper ik het gemaakt casual, als we nog niet bedacht hebben wat we gaan eten, of het moeilijk vinden iets te bedenken, moe zijn of weinig tijd hebben. ‘We kunnen een pizzaatje halen?’ zeg ik dan met een minimale schouderophaling en schuin opgetrokken wenkbrauw, bijna mompelend. Soms kijk ik terwijl ik het zeg weg van mijn metgezel – vaak mijn vriendin -, alsof een tegen de muur op dansend vliegje plots mijn aandacht trekt. Misschien lach ik vertederd naar onze baby, alsof die op dat moment iets bijzonders of nieuws doet. Zo koppel ik de suggestie van het gerecht – pizza – aan een moment van gemeenschappelijke liefde en verwondering. Ik probeer een associatie te bewerkstelligen waardoor mijn metgezel – mijn vriendin dus – bij het horen van het woord ‘pizza’ aan de eerste glimlach, het eerste woordje of de eerste stapjes van ons kind denkt, en er dan naar gaat verlangen. Dat probeer ik op zo’n moment allemaal voor elkaar te krijgen, denk ik.

Weten doe ik het niet zeker, omdat deze processen zich goeddeels onbewust voltrekken. Met het schrijven van deze stuckjes probeer ik die processen bloot te leggen, maar ook dat weet ik niet zeker; zoals gezegd gebeurt het onbewust. Ik schrijf dus vooral voor mezelf, kan ik hieruit concluderen, maar dat geldt voor alle schrijvers. Of ze het nu doen om geld te verdienen, de eigen psyche uit te diepen of inzichten te delen met de wereld, de grondmotivatie ligt in het vervullen van de individuele behoefte om woorden te geven aan gevoelens en gedachten en die te delen met de wereld. Een ander uit zich met verf, voedsel of vernis.

Over voedsel gesproken: pizza. Het wordt mij – mezelf – allemaal een beetje te hoogdravend en dus sla ik het plat met mijn favoriete banale gerecht, banaal als in plat als in een pizza is platgeslagen deeg met beleg. De vorm is plat, net als de wereld dat ooit was. Dat waren simpeler tijden.

Einde.

Dicht van elkaar

Nu ik weer wat heb geschreven is het makkelijker weer wat te schrijven. Zo gaat dat met schrijven, en met heel veel andere dingen ook trouwens. Als je iets doet, doe je het meer. Denk aan sporten, drinken en knuffelen. Regelmaat brengt momentum en met momentum hou je het makkelijker vol. Het begin is lastig, want dan moet je van 0 naar alles. Je moet dan vooral een mentale heuvel op, hoewel mijn lichaam ook flink tegenstribbelde toen ik vorige week voor het eerst in ruim twee maanden een stukje ging hardlopen.

Ik ben geen hardloper, noch een drager van spandex. Die twee houden verband en hebben invloed op elkaar. Ik ga graag (niet graag, maar het is iets wat ik op eigen voorwaarden (alleen, moment, interval) kan doen) naar de sportschool, maar die is dicht en ik moet wat. Met wat bedoel ik bewegen. Anders slib ik dicht. Ik voel het al, de verzadiging. De verkleving van mijn binnenkant, de vergrauwing van mijn buitenkant. Niet alleen bloed moet stromen.

Snaaien doe ik, de hele dag. We zijn allebei bijna non-stop thuis, de koelkast en ik. Hij en de voorraadkast liggen vol met lekkers dat mij roept. Ik reageer op die roep door de kastdeur te openen en eten te pakken. De kasten met voedsel veroordelen mij niet. Ze hebben me in de greep zoals ik hun handvatten grijp in de zoektocht naar eten.

Ik probeer dus af en toe een stukje te rennen of op en neer te springen in de kamer. Daarbij denk ik aan de filemelders van de ANWB, wiens werk is gereduceerd tot de zin ‘Er staan geen files.’

Tijdens het doen van squats denk ik aan de kappers, die weer open mogen, en hoe we nu – naast het weer – nog een voor iedereen geldend ding hebben waarover we met ze kunnen praten. Dat is pure zuurstof. Het bericht over de kappers besloot ik overigens nog even te negeren. Ik had bedacht tijdens de lockdown mijn hoofd te scheren, niet alleen uit noodzaak, daaraan zou geen exitstrategie kunnen tornen.

Bij de pont werden vrijdag de passagiers geteld. Daar kwam ik pas tijdens het opstappen achter, maar na een kleine inhaalslag mocht ik als laatste nog mee. Het meisje naast me, dat het ook net op tijd door had gehad, keek schuldbewust naar de beteuterde mensen die op de kade werden tegengehouden. De volgende pont zou pas over een halfuur komen.

‘Ik voel me wel schuldig,’ zei ze.

‘Omdat je doorhad dat ze telden?’

‘Ik liep volgens mij achter die mensen.’

‘Nog niet iedereen heeft zich aangepast aan de nieuwe realiteit.’

Op die wat botte conclusie van mij kwam ze met een willekeurig verhaal over een Ikea-bank, dat die was geleverd zonder kussens, dat het zes weken zou duren voor ze kwamen en dat ze er nog voor moest betalen ook omdat ze dat kennelijk nog niet had gedaan. Ik knikte halfslachtig en dacht nu ook aan het verdwijnen van sociale barrières in crisistijd en de paradox van afstand die mensen samenbrengt.

Geen tijd

Al dagen probeer ik een stuckje te schrijven over tijd, maar ironisch genoeg kom ik er niet aan toe. De notities ervoor zijn al een week oud, gemaakt op de dag dat mijn vriendin en ik negen jaar samen waren (bedankt voor de felicitaties), volgend op een notitie over onze klok, die kapotviel toen diezelfde vriendin een snijplank pakte, volgend op een notitie over de dino-fase van mijn zoon. Dieren die – inderdaad – in een andere tijd leefden.

Het thema ‘Tijd’ kwam de afgelopen tijd – met name de week voor de afgelopen week – dus veelvuldig terug, los van de rode draad die het vormt voor alles wat leeft, of niet leeft. Ook standbeelden vergaan.

Negen jaar samen. Dat is ongeveer een kwart van mijn leven. Het is nog altijd maar de helft van de tijd die ik bij mijn ouders woonde, maar drie keer zo lang als de gehele levensduur van onze oudste zoon en lang genoeg om de afgelopen maanden van quarantaine als een fractie te kunnen beschouwen in het grotere geheel van ons samenzijn.

In het kapotgaan van de klok zag ik symboliek. Mijn vriendin en ik waren beiden bezig met de verjaring van onze relatie. Ik zat heel erg op die negen (9!) jaar, zij vooral op de viering an sich. Ze zal boos worden als ze dit leest, maar zij was het die de klok liet vallen. Zij zal beweren dat het komt door de te volle plank waar de klok op staat, nee, waar ik hem op heb gezet, zonder hem aan de muur te bevestigen. Hoe het ook zij, de klok mist nu de 2 en 3, of de gedesignede hoeken die die uren symboliseren. Wanneer de wijzer daar nu staat, lijkt het alsof de tijd afbrokkelt. Misschien is het einde der tijden er pas als er geen klokken meer zijn.

De dino’s kunnen hier niet over meepraten. In hun tijd bestonden er geen klokken. Bovendien konden ze, voor zover we nu weten, niet praten. Ze brulden vermoedelijk niet eens. Het kan zomaar dat de T. rex siste als een slang en dat veel andere dino’s helemaal geen geluid maakten. De parasaurolophus had een hoorn op zijn hoofd die verbonden was met zijn luchtwegen. Als hij daar lucht doorheen blies klonk het misschien wel als een trombone.

Voor paleontologen is alles ‘misschien’, ‘vermoedelijk’ of in het beste geval ‘waarschijnlijk’. Dat lijkt me lastig, je leven wijden aan iets waarvan je nooit zeker zult zijn. Al is tijd relatief, ik weet zeker dat mijn relatie nu negen jaar (en een week) duurt, dat mijn oudste zoon drie is en ik achttien jaar bij mijn ouders heb gewoond. Dat behoeft slechts een opgraving in mijn geheugen.

Onze klok is stuk, maar de tijd tikt door. Hoe langer hij tikt, hoe dichter we in de buurt komen van een tijdmachine. Dan reis ik terug naar ruim een week geleden, voor de klok brak, en hang ik ‘m stevig aan de muur.

17 april

Afgelopen vrijdag gebeurden er twee mooie dingen die niets met elkaar te maken hadden. Maar omdat ze op dezelfde dag plaatsvonden koppel ik ze toch aan elkaar. Daar is verder niets mis mee, lijkt me.

Beide zaken zag ik overigens wel aankomen. Het eerste was de verjaardag van mijn vader, die al zolang ik leef – en al veel langer (zal niet zeggen hoe lang) – op dezelfde datum plaatsvindt: 17 april. Het eigenaardige aan deze verjaardag was dat hij plaatsvond tijdens de intelligente lockdown. Ik denk dat ze dat goed in de markt hebben gezet. Nu heeft iedereen die eraan meedoet (we doen dit samen!) het gevoel dat hij/zij behoorlijk slim is, maar daar gaat dit stuckje verder niet over. Het gaat over mijn vader, en moeder, die mijn zusje en ik al zes weken niet hadden gezien.

We zaten in de tuin, want het was warm, op afstand maar niet afstandelijk (er zijn mensen die de twee verwarren) en aten taart. Ik nam een stuk slagroomtaart, waar ik mijn moeder mee verraste en die vervolgens werd opgezadeld met de oneetbare moorkop. Die mogen we zo niet meer noemen, maar ik weet de politiek gecorrigeerde naam even niet.

Onze kinderen waren niet mee, want die zijn niet goed te beteugelen. Er was een videocall, mijn ouders’ oudste en meest levensbewuste kleindochter huilde, mijn moeder ook, en de krankzinnige situatie waarin we leven vatte ons plotseling weer in de nek. Alles went, immers. Ook een in slaap gesuste wereld achter gesloten deuren.

’s Avonds herinnerde Het Internet me aan het andere ding wat ik al wist maar door de taart was vergeten: de release van Fiona Apple’s nieuwe album. Voor wie haar niet kent: Apple zingt en speelt piano. Ze debuteerde in 1996 als achttienjarige met ‘Tidal’ en bracht vrijdag na een pauze van acht jaar haar vijfde album uit, ‘Fetch the Bolt Cutters’.

Op het album, waaraan ze vijf jaar lang voornamelijk thuis heeft gewerkt, blijkt dat ze het predicaat zangeres/pianist is ontgroeid. Ze zingt niet alleen, ze gromt, fluistert en hijgt; slaat op pannen, muren en een doosje met de botten van haar gecremeerde hond. De muziek is losgezongen van haar eigen werk, wat al heel vrij en creatief was, en lijkt in een individuele ruimte te bestaan waar wij het mogen bewonderen.

Vooral vroeger strooide ik graag met superlatieven (dit is de grappigste film ooit! De lekkerste pizza sinds Italië!), maar dit is, met enige afstand, het beste album dat ik de afgelopen vijf jaar heb gehoord. Dat komt ook door het moment waarop het verschijnt: tijdens een pandemie en de daaruit volgende globale quarantaine. Een album over innerlijke en externe demonen, gemaakt door een kluizenaar. ‘Fetch the bolt cutters,’ zingt ze op het titelnummer, ‘I’ve been in here too long.’ Is er een zin die het huidige sentiment beter verwoordt?

Mijn vader was overigens blij met het overlevingspakket dat mijn zusje en ik voor hem hadden samengesteld. Geen Fiona Apple, maar wel boeken, bier, knutselwerkjes van zijn kleinkinderen en hele oude kaas.

Kortom, het was een goede dag.
———-
Fetch the Bolt Cutters kun je hier luisteren: