Roze kont

Nee, ik kijk zeker niet naar alle konten van alle mensen in de sportschool, maar soms komt er een kont voorbij… – soms, dames en heren, komt er een kont voorbij – Soms! Ja soms, komt er een kont voorbij die simpelweg niet te ontwijken is, ofwel fysiek, dan wel visueel. De kont waarnaar ik vanmiddag keek was er een in die categorie. Een onontwijkbaar, niet te missen fenomeen, ingepakt in een legging zo roze en zo dun dat deze niet van de huid zelf te onderscheiden was geweest, had de draagster ervan een lichtere huidskleur gehad.
 
De kont was een soort magneet, een close encounter of the third kind, een UBO (Unidentified Billen Object) en wegkijken was onmogelijk. En ik was niet de enige die keek. Vlak nadat het me was gelukt mijn blik los te trekken van het roze gevaarte en ik mentaal de switch probeerde te maken naar het trainen van mijn hamstrings, keek ik kort opzij en ontmoette ik de blik van een oudere man naast me, die nonchalant met een arm op het buikspierapparaat leunde.
 
Hij grijnsde naar me en ik voelde me betrapt. De man had – dat moest wel – gezien wat ik had gezien. Logisch ook, want een alternatief bestond er binnen de muren van deze ruimte niet. Zoals de planeten elliptisch cirkelen om hun gele zon, zo bewegen de blikken hierbinnen om de roze kont. En niet alleen van de mannen hè – gelijk de zon discrimineert deze kont niet op geslacht.
 
En toch voelde ik me betrapt. En ongemakkelijk. De oudere man had kennelijk niet alleen naar de passerende kont gekeken, maar ook naar mij, die nog iets langer dan hij aan de kont gekluisterd had gezeten. Ik wilde dit moment helemaal niet delen, geen verwantschap ook of wederzijds begrip. Deze man en ik waren niet hetzelfde, vond ik, want ik keek volgens mezelf om andere redenen dan hij. Uit onvermijdelijkheid. Onontkoombaarheid. Enige fascinatie wellicht. Bij hem zat er een factor genot bij. Plezier en verlangen misschien wel. Dat kon ik aflezen aan zijn grijns.
 
Zijn grijns zei niet ‘close encounter of the third kont’, niet ‘UBO’, ‘UFO’ of ‘zon’. Zijn blik zei: ‘Lekker hè?’ en daarin wilde ik niet meegaan. Ik kon het niet, wat voor kont of legging in wat voor context het ook was geweest, hoe hypocriet dat van mezelf ook mocht zijn.
 
Maar als ik eerlijk ben, weet ik helemaal niet of ik wel kan oordelen over de gevoelens of intenties van de man. Misschien had hij de kont wel helemaal niet gezien en keek hij gewoon naar mij. Misschien zocht hij, als lid van de hoogste risicogroep, gewoon contact, na al die maanden van beperkte sociale bewegingsvrijheid. Misschien was hij gewoon blij dat we weer konden sporten. Hij, zij, ik, wie dan ook. Misschien is een enorme, de zwaartekracht weerstaande kont helemaal geen passend onderwerp voor een stuckje. Maar misschien ook wel.

EURO 2020

Het EK is begonnen en ik voel daar helemaal niets bij. Dat heeft meerdere oorzaken en redenen. In de eerste plaats natuurlijk corona (oorzaak). De fucking pandemie, zoals mijn intimi die liefkozend noemen, heeft oneindig veel dingen in het water doen belanden, zo ook het EK, dat vorig jaar gehouden zou worden. Om marketingtechnische redenen heet het toernooi nog steeds EURO 2020, maar we weten allemaal dat het inmiddels 2021 is, al zijn we als vaccineerberen pas kortgeleden uit onze onvrijwillige winterslaap ontwaakt.

Corona heeft in het voorbije jaar veel zaken gerelativeerd. Voor voetbal betekent het dat het spel, dat op het hoogste niveau zijn franje ontleent aan de aanwezigheid en beleving van supporters, werd gereduceerd tot een paar dudes die op een veld tegen een bal trappen. Het leek te veel op het amateurvoetbal dat velen van ons zelf spelen of hebben gespeeld, inclusief de hoorbare aanwijzingen en bijnamen van spelers. Het was, over het algemeen, gewoon best wel saai.

Maar dat geldt voor voetbal in het algemeen. Inzoomend op Oranje kunnen we stellen dat het momentum, voor zover dat er was, weg is. En dat brengt me bij oorzaak twee: het vertrek van Ronald Koeman en de daaropvolgende aanstelling van Frank de Boer als respectievelijk bondscoach en bondscoach. Er was namelijk momentum, na de magere jaren volgend op het WK van 2014. Met het missen van het EK van 2016 en WK van 2018 leek de bodem van de put der schraalheid bereikt. Wat heet, ‘wij’ – bij succes is het ‘wij’, bij falen ‘zij’ – haalden zelfs de finale van de bekokstoofde Nations League en kwalificeerden ‘ons’ zonder al te veel problemen voor het EK. Koeman was de man, en kon beschikken over een mix van ontbolsterend talent en internationaal gelauwerde spelers. Maar het EK werd verzet (zie fucking pandemie), Barcelona klopte voor de derde keer bij hem aan, Koeman ging en met hem het momentum.

Oorzaak drie (misschien zijn er wel geen redenen), is dat het toernooi vorig/dit jaar is uitgebreid naar 24 teams en dat de wedstrijden worden gespeeld in 11 Europese steden. Met 16 teams was het EK altijd een exclusiever toernooi dan het WK. Groepsfase en dan, hup, door naar de kwartfinale. Maar nu zijn er ook achtste finales, waar zelfs de beste nummers drie nog voor in aanmerking komen. De uitbreiding van het aantal deelnemende landen devalueert het toernooi. Bovendien betekent de spreiding van het toernooi door heel Europa dat het de karakteristieken en sfeer van één organiserend land (of twee buurlanden) ontbeert. Het draagt bij aan de fragmentatie van het EK en fragmentatie staat zo ongeveer haaks op cohesie, een voorwaarde voor in temperatuur oplopend supporterschap.

Een toernooi verspreid door Europa komt nu qua timing natuurlijk ook extra slecht uit. Ja, de corona golfslagen zijn (voorlopig) gaan liggen, maar enige voorzichtigheid en beperking van onnodige reisbewegingen lijken toch nog wel verstandig. Er was uitgerekend dat dit EK tot 2 miljoen extra vluchten zou leiden. Dat zullen er nu minder zijn, maar staat alsnog haaks op een tijdgeest waarin duurzaamheid een hoofdthema is, en ligt nu extra gevoelig.

En dan is er nog de vorm van het Nederlands elftal. Die is niet overtuigend. Het team straalt weinig uit, net als Frank de Boer. Ergens blijf ik, diep vanbinnen, de hoop hebben dat hij wel degelijk weet waar hij mee bezig is, en dat wat hij qua speelstijl voor ogen heeft gewoon heel ingewikkeld is en we moeten wachten tot het eruit komt. Maar dat zit dus heel diep vanbinnen, net als de vloeibare kern van de aarde, die verder vooral uit vaste materie bestaat. Al die vaste materie is de twijfel, de niet-overtuiging, met daaromheen een korst van desinteresse. Dat zou je een reden kunnen noemen, want het gevoel komt uit mij, maar wordt veroorzaakt door zaken van buitenaf.

Oorzaken, redenen… Hoe het ook zij, ik ga wel kijken.

Lees het (ingekorte) artikel op de website van Het Parool

Domme lucht

Het beste wat ik de afgelopen maanden heb geleerd is dat lucht dom is. Dat is eigenlijk heel logisch, als je er – niet eens zo lang – over nadenkt. ‘Lucht is dom.’ Natuurlijk! Domme lucht. Het weet niks en kan niks leren. Kijk maar naar corona: dat verplaatsen wij zelf dóór de lucht. Wij doen dat, de mensen (en sommige dieren), niet de lucht. De lucht doet niets, is er gewoon. Hoewel we dat maar aannemen hè, want waarnemen kunnen we het nauwelijks.
 
De absolute waarheid van domme lucht werd mijn vriendin en mij toegefluisterd door de ventilatieman. De ventilatieman is een man die veel weet van ventilatie, en dus van lucht, want ventilatie betekent luchtverversing. Dat gebeurt in ons huis te weinig, ondanks alles wat de kinderen continu door de lucht verplaatsen, van speelgoed en meubels tot gegil en kwijl.
 
Met name in de winter, wanneer de verwarming loeit, komt er te weinig verse lucht ons huis in, waardoor de ramen beslaan en de kozijnen beschimmelen. Er zit wel een ventilatierooster bij de keuken – samen met de wc en badkamer één van de drie ‘natte ruimtes’ in huis -, maar het is precies de enkelvoudige aanwezigheid van een dergelijk rooster dat de ventilatieman tot zijn inmiddels legendarische en door ons in uiteenlopende discussies al vaak aangehaalde statement bracht.
 
‘Lucht is dom. Lucht ziet geen ventilatierooster en denkt: “daar moet ik naar binnen”. Lucht gaat daar gewoon langs.’
 
Doordat de ventilatieman lucht zo personifieerde zag ik het ineens wel voor me, stromend, ventilatieroosters negerend, als een meanderende haai tijdens zijn slaap.
 
‘Je hebt geen trek,’ zei de ventilatieman vervolgens. Ik ontwaakte uit mijn luchtdroom en snapte niet waarom hij zich ineens bemoeide met mijn eetlust. ‘Je hebt trek nodig,’ voegde hij toe, terwijl hij twee rondjes met lijnen ertussen tekende, op een stuk papier dat eerst nog niet op tafel lag. ‘Een tweede ventilatiepunt in de ruimte, dat de lucht naar binnen trekt.’
 
‘Maar natuurlijk!’ dacht ik. Ik had het eigenlijk altijd al geweten, want dat is hoe tocht werkt. Dat is waarom je de ramen tegen elkaar openzet om te ‘luchten’. Maar hoe had onze aannemer, die ons huis zo mooi had opgeknapt en zoveel handigheidjes had bedacht, zo voorbij kunnen gaan aan ‘de trek’? Aan dat wat lucht tot leven brengt?
 
‘Onze aannemer was geobsedeerd door isolatie. Ons huis is supergoed geïsoleerd,’ haakte mijn vriendin in. De ventilatieman knikte.
 
‘Hoor je dat vaker?’ vroeg ik hem naïef. Hij intensiveerde zijn geknik. ‘Als ik voor iedere keer een euro kreeg…’
 
Zijn zin hoefde hij niet af te maken, we zijn immers niet van lucht.

Happy Bluesday

Mijn verjaardag begon gisteren om 4:45u, toen mijn oudste zoon het huis wakker gilde omdat hij bang was. Waarvoor hij bang was kon hij me niet vertellen, maar de angst was groot genoeg om in het grote bed verder te moeten slapen, bij mama. Papa ging in zijn bed slapen, samen met zijn jongere broertje, die in hetzelfde huis woont en dus wakker was geworden van het gegil.

In dat bed sliep ik vervolgens niet, omdat ik niet wilde bewegen, teneinde mijn jongste niet wakker te maken, die weer in slaap was gevallen. Na het ontbijt bedankte hij me voor mijn offer door zijn gehele bil- en heupregio onder te poepen, dwars door de luier heen. Dit was voor- of nadat hij de laarzen van hem en zijn broer, nog gevuld met zand van het spelen in de zandbak de dag ervoor, door het hele huis over de pas gestofzuigde vloer leegde.

Mijn oudste, die zijn moeder in het grote bed nog een tijdje wakker had gehouden met filosofische bespiegelingen over pyjamaheld ‘Catboy’, trakteerde me vervolgens op een zeer realistische reconstructie van het scooterongeluk dat ik als zestienjarige had gehad, en waarover ik hem laatst – wellicht iets te gedetailleerd – had verteld nadat hij vroeg waarom er zo’n gek bot uit mijn pols omhoogsteekt. Vooral de nagespeelde kreet waarmee hij viel – het breken van de pols schijnt een 9 te krijgen op de pijnschaal (1-10) – was overtuigend en bracht levendige herinneringen naar boven.

De lunch was de gebruikelijke kakofonie en chaos van respectievelijk geluid en door de kamer geworpen voedselresten. Het markeerde ook het wisselmoment van de dag, waarop mijn vriendin en ik de rollen van opvoeder en thuiswerker ruilen. Ik kon dus de rest van de middag werken – jeej – en liet niet na nog even aan te stippen hoe slecht het weer wel niet was, en hoe jammer dat we daardoor niet naar buiten konden met de kinderen. En dat door die stomme corona natuurlijk alles nog steeds dicht is en blijft. Ze knikte instemmend.

Later was er een taartmoment. De taart was een cake, want daar hou ik van, met stukjes chocola en slagroom en gehakte hazelnoten en warme nutellasaus en allerlei soorten spikkels. Tijdens dit moment was iedereen blij, maar het duurde niet lang voor de stemming weer omsloeg. Mijn vriendin kreeg van DHL, die de ludieke heliumballon in de vorm van een pizza zou bezorgen, een ‘Niet thuis’-bericht. We vonden het een nogal boude bewering van DHL, zeker in deze tijd, maar DHL flikt dit wel vaker en het is extra wrang dat de naam van deze poepkoeriersdienst gelijk is aan de initialen van mijn vriendin en onze zoontjes, aflopend op leeftijd nog wel. Hoe dan ook, geen pizzaballon voor papa.

Maar wel pizza! Ik mocht immers kiezen wat we ’s avonds zouden eten. De echte pizza verzachtte het gemis van de ballon, maar was niet genoeg voor mijn vriendin om te reïtereren wat een stomme dag het was geweest. Ik was het volledig met haar eens. Blue Monday viel dit jaar op dinsdag. Blue Tuesday. Bluesday. Op mijn verjaardag, zoals wel vaker.

Mosveld

Voor het eerst in anderhalf jaar was ik naar de kapper. Of was het twee jaar? Korter misschien, een jaar. Of ben ik deze zomer nog geweest? Bestaan er nog punten van herkenning in deze brij van tijd waarin we nu al – tja, hoe lang eigenlijk – leven?

Mijn kapper in het centrum, waar ik naartoe ging toen ik nog in het centrum woonde, heeft – wellicht vanwege corona – zijn tarieven zodanig verhoogd dat ik het niet meer aan mezelf kan verkopen mijn van de buitenkant tamelijk eenvoudige hoofd door één van zijn hooggeschoolde barbiers te laten kappen. Ik heb behoefte aan een goede kapper, geen dokter kapper in een witte jas, die drie kwartier lang elk haartje afzonderlijk met een precisiemes schuin afsnijdt als de stam van een zeldzame bloem. Complexe tijden vragen om een eenvoudige coupe.

Bovendien woon ik nu al anderhalf jaar in Noord en is het vinden van een plaatselijke kapper onderdeel van mijn integratieproces in het stadsdeel. In die tijd – anderhalf jaar dus! – ben ik niet meer naar de kapper geweest, want die kapper was ik zelf, met een tondeuse, en naar jezelf ga je niet toe, behalve tijdens meditatie misschien.

Hierbij kun je overigens een spirituele kanttekening plaatsen, want er zijn genoeg religies en filosofieën die beweren dat het hele leven een tocht naar binnen is. Een blootlegging, dan wel verkenning van de ziel. De betekenis van het zijn. Id, ego, superego en de rest. Het zal wel.

Om een langzaam uit de bocht vliegend verhaal aan de haren de berm uit te trekken: ik heb een nieuwe kapper, op het Mosveld, in Noord dus. Daar zit ook al een tijdje mijn tandarts, waar ik me een paar maanden geleden met een gespleten, verrotte kies meldde omdat de praktijk op zaterdag open was (de kies spleet op vrijdagavond).

Het Mosveld heeft daarnaast ook nog een Deen, Albert Heijn, prima bakker, slager, kebabboer en FEBO, dus ik zou er zo mijn tent op kunnen zetten.

Maar de kapper dus, of kapster, zonder witte jas of PhD in haarwetenschappen, knipte me vlot en na 20 minuten was ik klaar. Het voordeel van corona is dat je zelden nog over het weer hoeft te praten, met name gezeten in de kappersstoel is dat een uitkomst. Het weer is van secundair belang geworden (sorry klimaat). Corona steelt de thunder van de andere heersende crises. Ronaldo is het klimaat of BLM van Messi’s corona. Het maakt niet uit hoeveel hij traint of scoort; zolang de kleine Argentijn voetbalt zal hij nooit de grootste zijn.

Goed, waar was ik? De kapster knipte me vlot, goed en goedkoop. De zaak was schoon en ingericht met meubels in rustgevende bruintinten. Buiten regende het, maar daar maalde niemand om.

Voelsprieten

Vroeger schreef ik regelmatig over de sportschool. Sinds ik in Amsterdam-Noord woon doe ik dat niet meer, want ik zit nu bij een sportschool waar zelden iets gebeurt. Het is allemaal wat rauwer, minder gezellig, wat ik prima vind. Ik werd er soms gek van hoe iedereen in de Jordaan elkaar stond bij te praten over de uitspattingen van het afgelopen weekend, toen we nog in een wereld leefden met weekendse uitspattingen.
 
Mijn huidige sportschool ligt in een sobere woonwijk. Men komt er binnen, traint, en gaat weer weg. Geen wissewasjes, modeshows of wederzijdse beoordelingen middels vluchtig oogcontact. Soms krijg je een begroetend knikje, vergezeld van een ‘Hé man’ en dat is het.
 
Daarom valt de vrouw die met haar telefoon in de hand tegen haar vriendin luidkeels over haar scharrel klaagt zo op. Ze verwijt de man geen voelsprieten te hebben. Om dit te bewijzen leest ze hele whatsapp-conversaties met hem voor aan haar vriendin, die daar overduidelijk geen behoefte aan heeft. De vriendin reageert niet of nauwelijks en traint door terwijl ze stoïcijns voor zich uit kijkt, zoals de meesten hier doen.
 
Ze heeft geen zin in het gejammer van haar vriendin. Misschien zou ze wel een moord doen om ‘s nachts zulke whatsappjes te krijgen. Had ze maar een kerel om over te klagen, iemand tegen wie ze ‘nee’ zou kunnen zeggen omdat het hem toch alleen maar om de seks te doen is.
 
Terwijl het geratel van haar vriendin naar de achtergrond verdwijnt, dagdroomt ze dat ze laatst, na weer zo’n nacht, ergens met hem wilde ontbijten. Maar dat was moeilijk en nee hij moest weg want hij had afgesproken met die en die en zou nog een klusje doen met z’n vader. Dat doen vaders en zonen in Noord namelijk: samen klussen.
 
Het had haar verdrietig gemaakt en ze zou zich voortaan niet meer door hem laten gebruiken als seksuele uitlaatklep. Wilde ze dan een relatie? Nee, dat nou ook weer niet, maar ze wilde wel meer zijn dan alleen de uitkomst van een nachtelijk berichtje. Meer dan de botgevierde impuls van de zoveelste gast die zich niet wilde binden. Had hij dan niet door dat hij een wandelend cliché was? Vermoedelijk niet, en kon het op de stapel met al het andere dat hij niet doorhad, zoals haar gevoelens voor hem.
 
Nee, ze zou zich niet meer laten gebruiken. Ze hoefde heus geen relatie – ben je gek, hou op -, maar verlangde wel meer toewijding dan dit.
 
‘Dus ik stuurde hem dat ik er nu echt helemaal klaar mee ben. Kreeg ik eerst geen antwoord. Moet je drie keer raden wie mij vannacht appt?’
 
De vriendin hoeft niet te raden, zeker geen drie keer. De vraag is retorisch. Ze stelt het gewicht op het buikspierapparaat nog zwaarder in en zwiept haar lichaam naar voren. En weer terug. En nog een keer. Met iedere crunch voelt ze dat ze sterker wordt.

Figurant

De laatste tijd heb ik veel last van fantoom trillingen in mijn broek. Of fantoom vibraties, dat was misschien mooier geweest. Ik twijfelde erg voor welke variant ik zou gaan. Het werd dus trillingen, maar ik heb nu al spijt. Die komt tegenwoordig steeds sneller.
 
De trillingen komen van mijn telefoon, dat vergat ik nog te zeggen. Ik hoorde jullie al denken: ‘Heeft hij een kookwekker in zijn broek?’ Noot voor de jongere lezers: vroeger trilden die. Kookwekkers dus. Ja, daar had je een aparte wekker voor, voor het koken. Ze kwamen in allerlei leuke vormen en verschijningen, bijvoorbeeld als ei of koksmuts. Die wond je dan op naar het aantal minuten dat iets moest koken of bakken of garen en dan begon het ding irritant te rinkelen en trillen als de tijd op was.
 
De wekkers kon je ook inzetten bij spelletjes met een tijdelement. Zo speelde ik met mijn oma vaak een spelletje – ik ben de naam kwijt – waarbij je dobbelstenen met letters erop in een bekertje schudde, over de tafel uitwierp en dan binnen een minuut – of twee of drie – zoveel mogelijk woorden met de gedobbelde letters moest maken. Ik won altijd, of ik nu echt won of oma me liet winnen. In beide gevallen voelde het even goed.
 
Anyhoe, ik denk dus voortdurend dat ik word gebeld, wat zelden tot nooit het geval is. De suggestieve trilling resulteert erin dat ik mijn telefoon, die ik dan vaak pas net in mijn broekzak heb gestoken, er weer uithaal om te zien wie me nu weer niet belt. Inmiddels ga ik daar standaard vanuit, maar zeker weten doe ik het nooit. Ik blijf dus opnemen, als een figurant in een computerspel die vastzit in zijn loop.
 
Misschien komt het doordat ik mijn telefoon steeds minder vaak gebruik. Apple vertelt mensen met een iPhone wekelijks over hun hoeveelheid schermtijd. Die was al hoog, zoals vermoedelijk bij 90% van de millennials, die nog steeds niet helemaal bekomen zijn van de intrede van mobiele technologie tijdens hun puberteit, maar liep tijdens de lockdown de spuigaten uit. Online shoppen en gevatte social media posts bedenken gaat immers ook prima vanuit quarantaine.
 
Dus wat ik denk, is dat Apple mijn telefoon soms gewoon even laat trillen, zodat ik hem weer pak, teleurgesteld raak omdat er niemand is die me belt en vanuit mijn inmiddels compleet geconditioneerde non-stop behoefte aan (oppervlakkig) contact met en bevestiging van de buitenwereld alle social media apps ga checken, eventuele prijsdalingen van mijn ge-favorite producten in webshops naloop, nogmaals alle social media check – je weet immers maar nooit of iemand in de tussenliggende minuten iets geniaals heeft gepost! –, de telefoon vervolgens weer wegstop, getril voel, et cetera, enzovoort. Als een figurant in het repetitieve computerspel genaamd Leven.
 
Ik mis mijn oma.

Clint Eastwood

Onze jongste zoon sloeg me laatst meermaals met een speelgoed vuilniswagen in mijn gezicht, maar hij doet ook vaak leuke dingen. Voornamelijk zelfs, zoals wanneer hij zijn speen vliegensvlug in zijn mond laat draaien. Soms maar één kant op, soms de ene kant op en weer terug, en soms een paar keer een kant op, dan weer terug en vice versa, alsof hij een door hemzelf gecodeerde boodschap aan ons probeert door te seinen.

Hoe hij die speen zo soepel heen en weer laat draaien weet niemand, maar het ziet er supercool uit als hij het doet. Hij kijkt er ook heel onaangedaan bij, als een soort baby-Dylan in Beverly Babyhills 90210, of een baby-Fonzie in Happy Babydays. Bij de kinderopvang waren ze er ook van onder de indruk. ‘Hij draait zijn speen in zijn mond, de hele tijd, heen en weer,’ zeiden ze stuiterend van verliefdheid toen ik hem van de week kwam ophalen. ‘We hebben het ook geprobeerd, maar snappen niet hoe hij het doet!’

Jullie hebben het ook geprobeerd? Wat? Anyhoe, het is heel cool ja. ‘Hij lijkt dan een beetje op Clint Eastwood,’ zei ik wel hardop, ‘maar met een speen in plaats van sigaar.’

Ik lachte naar de crècheleidsters om mijn leuk bedachte vergelijking, maar ze reageerden niet, behalve met hun ogen. ‘Clint Eastwood?’ zag ik ze vragen. ‘Clint Eastwood,’ antwoordde ik knipperend. ‘Je weet wel, van Clint Eastwood.’ Dit bleek het einde van ons gesprek.

Het deed me denken aan een situatie van een paar jaar geleden, toen ik nog in het onderwijs werkte, en een leerlinge van me hulp nodig had bij een luisteropdracht voor Engels. Ze moest audiofragmenten beluisteren en er vragen over beantwoorden. Een van de fragmenten was “I’ll be there for you” van The Rembrandts, de titelsong van Friends.

Overvallen door een golf van nostalgie begon ik instinctief mee te zingen. De zang werd vergezeld van hoofdgeknik en vingergeknip en ik besefte, heus, dat ik op dat moment overkwam als een dwaze leraar. Dat had ik mij in die situatie als leerling immers ook gevonden.

Het meisje keek de volle 30 seconden van het fragment – het refrein – roerloos naar het scherm, wellicht ter compensatie van mijn intense beleving.

‘Nou, dat is een makkie,’ zei ik na afloop, nog immer uitgelaten.

‘Ik heb geen idee,’ zei ze.

‘Hoe bedoel je?’ vroeg ik. ‘Het is het liedje van Friends. Dat ken je toch wel?’

Het meisje haalde haar schouders op en keek nog steeds ideeënloos naar het scherm.

‘Friends! Het liedje van Friends! Iedereen kent toch Friends?’ riep ik, nu grenzend aan manisch.

Het meisje zette het liedje weer aan, want aan mij had ze niets. Op dat moment dacht ik aan haar leeftijd en besefte ik dat ze geboren was in 2003, het jaar dat Friends stopte. Zelden heb ik me ouder gevoeld dan op dat moment. Ongeveer zo oud als Clint Eastwood.