Voelsprieten

Vroeger schreef ik regelmatig over de sportschool. Sinds ik in Amsterdam-Noord woon doe ik dat niet meer, want ik zit nu bij een sportschool waar zelden iets gebeurt. Het is allemaal wat rauwer, minder gezellig, wat ik prima vind. Ik werd er soms gek van hoe iedereen in de Jordaan elkaar stond bij te praten over de uitspattingen van het afgelopen weekend, toen we nog in een wereld leefden met weekendse uitspattingen.
 
Mijn huidige sportschool ligt in een sobere woonwijk. Men komt er binnen, traint, en gaat weer weg. Geen wissewasjes, modeshows of wederzijdse beoordelingen middels vluchtig oogcontact. Soms krijg je een begroetend knikje, vergezeld van een ‘Hé man’ en dat is het.
 
Daarom valt de vrouw die met haar telefoon in de hand tegen haar vriendin luidkeels over haar scharrel klaagt zo op. Ze verwijt de man geen voelsprieten te hebben. Om dit te bewijzen leest ze hele whatsapp-conversaties met hem voor aan haar vriendin, die daar overduidelijk geen behoefte aan heeft. De vriendin reageert niet of nauwelijks en traint door terwijl ze stoïcijns voor zich uit kijkt, zoals de meesten hier doen.
 
Ze heeft geen zin in het gejammer van haar vriendin. Misschien zou ze wel een moord doen om ‘s nachts zulke whatsappjes te krijgen. Had ze maar een kerel om over te klagen, iemand tegen wie ze ‘nee’ zou kunnen zeggen omdat het hem toch alleen maar om de seks te doen is.
 
Terwijl het geratel van haar vriendin naar de achtergrond verdwijnt, dagdroomt ze dat ze laatst, na weer zo’n nacht, ergens met hem wilde ontbijten. Maar dat was moeilijk en nee hij moest weg want hij had afgesproken met die en die en zou nog een klusje doen met z’n vader. Dat doen vaders en zonen in Noord namelijk: samen klussen.
 
Het had haar verdrietig gemaakt en ze zou zich voortaan niet meer door hem laten gebruiken als seksuele uitlaatklep. Wilde ze dan een relatie? Nee, dat nou ook weer niet, maar ze wilde wel meer zijn dan alleen de uitkomst van een nachtelijk berichtje. Meer dan de botgevierde impuls van de zoveelste gast die zich niet wilde binden. Had hij dan niet door dat hij een wandelend cliché was? Vermoedelijk niet, en kon het op de stapel met al het andere dat hij niet doorhad, zoals haar gevoelens voor hem.
 
Nee, ze zou zich niet meer laten gebruiken. Ze hoefde heus geen relatie – ben je gek, hou op -, maar verlangde wel meer toewijding dan dit.
 
‘Dus ik stuurde hem dat ik er nu echt helemaal klaar mee ben. Kreeg ik eerst geen antwoord. Moet je drie keer raden wie mij vannacht appt?’
 
De vriendin hoeft niet te raden, zeker geen drie keer. De vraag is retorisch. Ze stelt het gewicht op het buikspierapparaat nog zwaarder in en zwiept haar lichaam naar voren. En weer terug. En nog een keer. Met iedere crunch voelt ze dat ze sterker wordt.

Figurant

De laatste tijd heb ik veel last van fantoom trillingen in mijn broek. Of fantoom vibraties, dat was misschien mooier geweest. Ik twijfelde erg voor welke variant ik zou gaan. Het werd dus trillingen, maar ik heb nu al spijt. Die komt tegenwoordig steeds sneller.
 
De trillingen komen van mijn telefoon, dat vergat ik nog te zeggen. Ik hoorde jullie al denken: ‘Heeft hij een kookwekker in zijn broek?’ Noot voor de jongere lezers: vroeger trilden die. Kookwekkers dus. Ja, daar had je een aparte wekker voor, voor het koken. Ze kwamen in allerlei leuke vormen en verschijningen, bijvoorbeeld als ei of koksmuts. Die wond je dan op naar het aantal minuten dat iets moest koken of bakken of garen en dan begon het ding irritant te rinkelen en trillen als de tijd op was.
 
De wekkers kon je ook inzetten bij spelletjes met een tijdelement. Zo speelde ik met mijn oma vaak een spelletje – ik ben de naam kwijt – waarbij je dobbelstenen met letters erop in een bekertje schudde, over de tafel uitwierp en dan binnen een minuut – of twee of drie – zoveel mogelijk woorden met de gedobbelde letters moest maken. Ik won altijd, of ik nu echt won of oma me liet winnen. In beide gevallen voelde het even goed.
 
Anyhoe, ik denk dus voortdurend dat ik word gebeld, wat zelden tot nooit het geval is. De suggestieve trilling resulteert erin dat ik mijn telefoon, die ik dan vaak pas net in mijn broekzak heb gestoken, er weer uithaal om te zien wie me nu weer niet belt. Inmiddels ga ik daar standaard vanuit, maar zeker weten doe ik het nooit. Ik blijf dus opnemen, als een figurant in een computerspel die vastzit in zijn loop.
 
Misschien komt het doordat ik mijn telefoon steeds minder vaak gebruik. Apple vertelt mensen met een iPhone wekelijks over hun hoeveelheid schermtijd. Die was al hoog, zoals vermoedelijk bij 90% van de millennials, die nog steeds niet helemaal bekomen zijn van de intrede van mobiele technologie tijdens hun puberteit, maar liep tijdens de lockdown de spuigaten uit. Online shoppen en gevatte social media posts bedenken gaat immers ook prima vanuit quarantaine.
 
Dus wat ik denk, is dat Apple mijn telefoon soms gewoon even laat trillen, zodat ik hem weer pak, teleurgesteld raak omdat er niemand is die me belt en vanuit mijn inmiddels compleet geconditioneerde non-stop behoefte aan (oppervlakkig) contact met en bevestiging van de buitenwereld alle social media apps ga checken, eventuele prijsdalingen van mijn ge-favorite producten in webshops naloop, nogmaals alle social media check – je weet immers maar nooit of iemand in de tussenliggende minuten iets geniaals heeft gepost! –, de telefoon vervolgens weer wegstop, getril voel, et cetera, enzovoort. Als een figurant in het repetitieve computerspel genaamd Leven.
 
Ik mis mijn oma.

Clint Eastwood

Onze jongste zoon sloeg me laatst meermaals met een speelgoed vuilniswagen in mijn gezicht, maar hij doet ook vaak leuke dingen. Voornamelijk zelfs, zoals wanneer hij zijn speen vliegensvlug in zijn mond laat draaien. Soms maar één kant op, soms de ene kant op en weer terug, en soms een paar keer een kant op, dan weer terug en vice versa, alsof hij een door hemzelf gecodeerde boodschap aan ons probeert door te seinen.

Hoe hij die speen zo soepel heen en weer laat draaien weet niemand, maar het ziet er supercool uit als hij het doet. Hij kijkt er ook heel onaangedaan bij, als een soort baby-Dylan in Beverly Babyhills 90210, of een baby-Fonzie in Happy Babydays. Bij de kinderopvang waren ze er ook van onder de indruk. ‘Hij draait zijn speen in zijn mond, de hele tijd, heen en weer,’ zeiden ze stuiterend van verliefdheid toen ik hem van de week kwam ophalen. ‘We hebben het ook geprobeerd, maar snappen niet hoe hij het doet!’

Jullie hebben het ook geprobeerd? Wat? Anyhoe, het is heel cool ja. ‘Hij lijkt dan een beetje op Clint Eastwood,’ zei ik wel hardop, ‘maar met een speen in plaats van sigaar.’

Ik lachte naar de crècheleidsters om mijn leuk bedachte vergelijking, maar ze reageerden niet, behalve met hun ogen. ‘Clint Eastwood?’ zag ik ze vragen. ‘Clint Eastwood,’ antwoordde ik knipperend. ‘Je weet wel, van Clint Eastwood.’ Dit bleek het einde van ons gesprek.

Het deed me denken aan een situatie van een paar jaar geleden, toen ik nog in het onderwijs werkte, en een leerlinge van me hulp nodig had bij een luisteropdracht voor Engels. Ze moest audiofragmenten beluisteren en er vragen over beantwoorden. Een van de fragmenten was “I’ll be there for you” van The Rembrandts, de titelsong van Friends.

Overvallen door een golf van nostalgie begon ik instinctief mee te zingen. De zang werd vergezeld van hoofdgeknik en vingergeknip en ik besefte, heus, dat ik op dat moment overkwam als een dwaze leraar. Dat had ik mij in die situatie als leerling immers ook gevonden.

Het meisje keek de volle 30 seconden van het fragment – het refrein – roerloos naar het scherm, wellicht ter compensatie van mijn intense beleving.

‘Nou, dat is een makkie,’ zei ik na afloop, nog immer uitgelaten.

‘Ik heb geen idee,’ zei ze.

‘Hoe bedoel je?’ vroeg ik. ‘Het is het liedje van Friends. Dat ken je toch wel?’

Het meisje haalde haar schouders op en keek nog steeds ideeënloos naar het scherm.

‘Friends! Het liedje van Friends! Iedereen kent toch Friends?’ riep ik, nu grenzend aan manisch.

Het meisje zette het liedje weer aan, want aan mij had ze niets. Op dat moment dacht ik aan haar leeftijd en besefte ik dat ze geboren was in 2003, het jaar dat Friends stopte. Zelden heb ik me ouder gevoeld dan op dat moment. Ongeveer zo oud als Clint Eastwood.

Prijsvechten

De kaas is op, ik moet kaas kopen, we eten veel kaas. Dit is geen superkort verhaal over kaas, hoewel ook weer wel, want er zit kaas in, maar had ook ergens anders over kunnen gaan. Kaas is het lijdend voorwerp.

Ons huis bevindt zich in het geometrische en geografische middelpunt van drie supermarkten – ook wel de supermarktdriehoek – te weten een Albert Heijn, Deen en Lidl. Naar de Lidl ben ik nog nooit geweest, want die ligt richting Oostzaan en ik woon al ver genoeg.

De Albert Heijn is de Albert Heijn en ligt in een winkelcentrum. Dit biedt de mogelijkheid om horizontaal boodschappen te doen, bijvoorbeeld bij de Etos, Blokker, lokale bakker of slager, maar wanneer ik maar een paar dingen nodig heb voelt die plek overdadig.

Dat laat één supermarkt over, namelijk de Deen, en daar was ik zonet om kaas te kopen. Waar de aanbiedingen van de Albert Heijn me vaak al via de mail en app hebben bereikt, werkt de Deen nog met op de website ingescande folders die ik nooit lees. Pas als ik er ben zie ik welke producten in de aanbieding zijn, gemarkeerd door een rode sticker met daarop ACTIE in witte letters.

Het lot wilde dat Beemster kaas, een van de betere supermarktkazen, zo’n sticker droeg. Wat de actie precies inhield – m.a.w. hoe hoog de korting was – vertellen ze bij Deen nooit, maar ze zijn prijsvechters en dus kun je ervan uitgaan dat je het voordeel direct in je portemonnee voelt.

Bij het afrekenen viel me op dat er op de kaas geen korting werd aangeslagen.

‘Zit er geen korting op de kaas?’ vroeg ik de caissière nieuwsgierig. ‘Hij heeft immers een sticker.’

De caissière keek naar het stuk kaas, zag de sticker, bestudeerde het overzicht met de door haar gescande boodschappen, zag dat er geen korting was verrekend en besloot de folder erop na te slaan. Ze kon na wat halfslachtig bladeren de aanbieding niet vinden en tikte haar collega aan.

‘Weet jij of deze kaas in de actie is?’

Haar collega draaide zich verveeld om, keek naar de kaas, zag de ACTIE-sticker en besloot in actie te komen. Ze pakte de folder, dezelfde folder die zojuist tevergeefs door haar collega was ‘bestudeerd’, en begon te bladeren. Nauwgezet. Als een detective. Ze stopte, boog zich voorover, legde haar vinger op een bladzijde en draaide zich naar me om alsof ze het sluitende bewijsstuk in een al jaren voortslepende moordzaak had gevonden. Ze hield de folder omhoog, met haar vinger nog steeds op de plek waar de kaasaanbieding zich vermoedelijk bevond, die ik niet kon zien door haar vinger.

‘Het is bij 500 gram kaas.’

Haar collega – mijn caissière – keek me triomfantelijk aan. Zo van ‘Het is alleen bij 500 gram.’

‘Alleen bij 500 gram?’ vroeg ik met onderdrukte verbazing.

‘Ja, 500 gram.’ Om haar triomf te bezegelen hield ze het door mij uitgekozen stuk kaas omhoog en wees naar het gewicht: 514 gram.

‘Geldt de prijs in de folder niet per 500 gram?’ vroeg ik zo redelijk mogelijk.

‘Nee, bij 500 gram,’ zei de collega.

Ik wilde op mijn hoofd krabben, maar deed dat niet.

‘Hebben jullie dan stukken kaas van precies 500 gram?’

‘Het geldt alleen bij 500 gram,’ zei ze nu resoluut, zich ongeduldig terugdraaiend naar haar kassa, waar niemand aan stond.
Ik vroeg me af of ik door moest duwen. Zou ik meer argumenten aandragen, korting afdwingen, met het risico de situatie ongemakkelijk te maken, of inbinden?

‘Wilt u de kaas nog?’ vroeg de caissière, nu ook grenzend aan ongeduld.

‘Sorry?’

‘Of u de kaas nog wilt? Of moet ik hem terugleggen?’

‘Jawel. Ik wil ‘m wel.’

Toen ik nog lichtelijk verbouwereerd thuiskwam besloot ik zelf onderzoek te doen. Ik sloeg mijn laptop open, surfte naar Deen.nl, opende de ingescande folder, bladerde naar de aanbieding en wat bleek? Die gold alleen bij 500 gram. Precies 500 gram. Geen gram meer of minder.

Prijsvechten is een precisiekunst.

Intense interesse

Het zal de oplettende lezer niet zijn ontgaan dat mijn oudste zoon in een tamelijk extreme dino-fase zit. Daar maak ik me inmiddels geen zorgen meer om, want volgens wetenschappers – altijd weer die wetenschappers – heeft een dergelijke ‘intense interesse’ op de lange termijn positieve gevolgen.

De interesse – of het nu om dino’s, helikopters of kiepwagens gaat – is ‘conceptueel’, in tegenstelling tot ‘situationeel’. Met andere woorden, het gaat het kind om dinosauriërs in het algemeen, niet alleen op het moment dat hij een harde brul hoort. Een dergelijke conceptuele interesse bevordert cognitieve processen. Het leert kinderen zich langer te concentreren, grote hoeveelheden informatie te verwerken en draagt bij aan hun kennis. Conceptuele interesses nemen ze mee naar later, als ze naar school gaan en gaan werken, en helpt ze de wereld begrijpen en problemen op te lossen. Tot zover de wetenschap.

In de praktijk betekent het dat we in een dinowereld leven, waarin alles dino is. Boodschappen doen is dus niet gewoon dat, maar een speurtocht naar dinoskeletten. Mijn zoontje wijst me de weg naar de skeletten, vaak in de vorm van hijskranen, en vertelt me dat hij ‘De Meneer’ sprak en dat die zei dat ‘Papa en ik naar het Dinohuis toe moeten. We moeten naar het Dinohuis en daar wonen.’

‘De Meneer’ en ‘De Mevrouw’ zijn door mijn zoontje verzonnen entiteiten met onbeperkte kennis en invloed. Hij raadpleegt ze soms als hij een vraag heeft of als het leven een dilemma opwerpt waar zijn gewone stervelingen van ouders geen antwoord op hebben. ‘Ik vraag het even aan De Mevrouw,’ zegt hij dan, waarop hij naar een hoek van de kamer loopt, in het luchtledige een gesprek voert en terugkomt met een antwoord, conclusie of advies, onomwonden en niet-onderhandelbaar.

Het Dinohuis is in dit geval de ‘This is Holland’-experience achter de EYE bioscoop. We gaan naar binnen, zoals De Meneer heeft geïnstrueerd, worden begroet door liftmuziek en alles Holland, maar zonder ticket kunnen we op een gegeven moment niet meer verder.

De baliemevrouw – niet De Mevrouw – recht alsof ze niet zat te facebooken haar rug en zet een professionele glimlach op. 

‘Hij is op zoek naar dino’s,’ zeg ik zachtjes. ‘En denkt dat hier dino’s zijn.’

De glimlach van de vrouw verandert van professioneel in ongemakkelijk. Ze komt iets omhoog, om mijn zoontje beter kunnen te zien, en zegt nep giechelend: ‘Hier zijn geen dino’s.’

Het verwonderd enthousiasme verdwijnt van zijn gezicht. ‘Oh…’

‘Bedankt hè,’ zeg ik niet sarcastisch genoeg en we lopen terug naar de ingang. Niet iedereen hoeft zijn illusies in stand te houden, denk ik, me ergerend aan haar zuinige mondje en de liftmuziek, waarop en -door je prima zelfmoord zou kunnen plegen.

‘Kom we gaan daar zitten!’ roept mijn zoontje. Hij wijst naar een bankje bekleed met kunstgras.

‘Is dit dinogras?’ vraag ik hem.
‘Nee, gewoon gras.’
‘Oh,’ zeg ik met plaatsvervangende teleurstelling.
‘Maar dat zijn wel dinobotten!’ gilt hij, wijzend naar twee grote witte nepplanten.

De illusie is hersteld.

Snoep is lekker zoet

Mijn zoontje van 3,5 komt naar me toegelopen en ik knijp ‘m al meteen want ik wil niet meer over dinosaurussen praten. Ik kan het niet meer. Hij kan het wel en het is enige wat hij wil. Hij wil vooral steeds over dezelfde dinosaurussen praten, over dezelfde aspecten ervan, de hele tijd. Hij wil er vragen over stellen, dingen over vertellen, verzinnen, ze maken van Duplo, boetseren van klei, tekenen op papier, ze uitknippen en er dan mee spelen, met al die verschillende gemaakte en verzonnen verschijningsvormen van dino’s. En hij wil dat allemaal met mij, of met degene die op dat moment met hem in een ruimte is.

Ik zet me schrap voor zijn vraag of het tegenovergestelde daarvan, wanneer hij begint met ‘Weet je…’ en me dan iets vertelt wat ik wel of nog niet weet. Maar dat maakt verder niet uit, mijn al aanwezige kennis, want vertellen zal hij het me. En dat is natuurlijk ook hartstikke mooi en leuk, maar ook… naja, eentonig. Want ze zijn al heel lang dood hè, die dino’s. Er gebeurt weinig meer mee.

Hoewel, nee, dat is niet waar. Dat is juist de paradox van dino’s, dat ze al heel lang niet meer bestaan, maar nog steeds evolueren omdat wij steeds meer over ze te weten komen. Dat het eigenlijk gewoon uit de klauwen gelopen kalkoenen waren, bijvoorbeeld, met veren. Maar dat zeg ik niet, want dan krijg ik een triceratops in mijn oog.

‘Snoep is lekker zoet,’ zegt hij met een aardbeienschuimpje tussen zijn vingers. Hij neemt er een lik van.
‘Dat komt door de suiker,’ leg ik hem ongevraagd uit, opgelucht dat ik niet voor de 700ste keer hoef te vertellen hoe de dino’s aan hun eind kwamen.
‘Dat is heel lekker,’ reïtereert hij zijn stelling.
‘Ja, maar het is niet zo gezond,’ probeer ik mijn uitleg te verduidelijken, nog steeds ongevraagd, maar vanuit de behoefte hem de keerzijde van lekkere dingen te leren. Dat is het ouderschap vaak; keerzijdes belichten.
‘Nee?’ vraagt hij kinderlijk naïef, waar hij als driejarige volledig mee wegkomt.
‘Ik zal je iets uitleggen,’ zeg ik, tamelijk belerend. ‘Sommige dingen zijn lekker én gezond, zoals aardbei, tomaat en peer. Sommige dingen zijn niet lekker maar wel gezond, zoals spliterwten en witte bonen, en heel veel dingen zijn lekker en niet gezond, zoals snoep, chips en koekjes.’

Het blijft even stil. Mijn zoon kijkt me niet aan, want hij kijkt naar zijn schuimpje. Hij concentreert zich volledig op de volgende lik. Hij laat de artificiële aardbeiensmaak nogmaals goed op zich inwerken, kijkt naar me op en heft zijn nog vrije vinger waarschuwend in de lucht.
‘En nu zal ik JOU iets uitleggen,’ zegt hij krachtig. ‘Ik ben DOL op snoep en ik vind het SUPERlekker!’

Hij stopt het hele schuimpje in zijn mond en beent weg. Volgende keer hebben we het wel weer over de lokroep van de parasaurolophus.

Vroeg gesmolten

Mijn hart was vanochtend om 9:00u al gesmolten. Dat is vroeg, meestal gebeurt het pas aan het einde van de middag, als ik mijn kinderen na een lange dag op de kinderopvang weer zie. Het verneukeratieve aan kinderen is dat je soms niet kunt wachten tot ze weg zijn, zodat je een moment voor jezelf hebt, maar ze vervolgens bijna direct gaat missen. Het gebeurt weleens dat ze gaan logeren en mijn vriendin en ik het hele vrije weekend praten over hoe leuk ze wel niet zijn en hoe graag we ze willen knuffelen. Ik zou dan meer van die vrijheid willen genieten, maar dat lijkt niet meer te kunnen. Kinderen zijn er altijd, als niet in je gezichtsveld, dan wel in een kamer van je gedachten. Soms heel prominent, soms meer op de achtergrond, maar het volume staat nooit op 0.

Over het missen van onze kinderen hadden we de afgelopen maanden niet te klagen, want ze waren er altijd. De kinderopvang was er alleen voor de kroost van ouders met vitaal werk en opa en oma moesten worden ontzien. Er vielen in totaal drie opvangdagen weg, die mijn vriendin en ik samen moesten opvangen. Onze kinderen hebben continu aandacht en/of zorg nodig. De peuter vooral het eerste, de baby het tweede, hoewel zorg en aandacht vaak inwisselbare termen zijn. Het ging, maar het kraakte. De aankondiging van Rutte dat de kinderopvanginstellingen en basisscholen weer (deels) open zouden gaan werd met ten hemel geheven gebalde vuistjes ontvangen.

Onze oudste had er geen zin in, die vond het wel prima, elke dag thuis, met al z’n speelgoed, films, series en ouders. De baby vond het ook prima, maar kon dat niet verwoorden. Hij leek er minder moeite mee te hebben weer naar de crèche te gaan, zeker omdat zijn grote broer de eerste twee weken bij hem op de groep zat, omdat kinderen uit hetzelfde gezin bij elkaar werden geplaatst.

De grote broer wilde al niet, maar zat nu ook nog eens in een andere klas, zonder zijn vriendjes, met voornamelijk baby’s die hij niet kende en met wie hij geen interesses deelde. Op de foto’s die via de kinderopvang-app met ons werden gedeeld zagen we hem steeds alleen in een hoekje zitten, plastic dieren ordenend, een neurotische handeling die ik herken van mezelf als kind; alle autootjes moesten in formatie van de ene kant van de tafel verplaatst worden naar de andere kant, en vice versa. Gelukkig heb ik vandaag de dag geen last meer van dergelijke dwangmatigheden.

Per vandaag zouden kinderen weer op hun eigen groep worden opgevangen. We konden dus weer zwaaien voor het raam waar we vroeger, in het oude normaal, altijd zwaaiden. Eerst zag ik een blond jongetje hevig lachend en wuivend voor het raam verschijnen. Toen verscheen mijn zoon naast het jongetje, net zo blij. Hij keek naar zijn vriendje, naar mij, enzovoort, en zwaaide, lachend. Toen begon het smelten.

Maar ik houd echt heel veel van pizza

Om nog maar eens aan te geven hoeveel ik van pizza houd: de droom van vannacht waarin de eigenaresse van mijn favoriete pizzeria naar Den Haag ging verhuizen beschouw ik als een nachtmerrie. Ik werd echt geshockeerd en verdrietig wakker, zat vol onbegrip en vragen, zoals ‘waarom?’ en ‘nee!’. Lichte paniek voelde ik ook. Mijn brein zocht naar een uitweg, naar alternatieven, maar ik wist al bij aanvang van het denkproces dat die er helemaal niet zijn.

Ik wil of kan eigenlijk altijd wel pizza eten. Dat onderdruk ik, want ik vrees dat mensen me anders banaal vinden. De pizza is, zeker in Amsterdam, natuurlijk allang een ‘gourmet’ gerecht, niet zelden belegd met geïmporteerde mozzarella van gemasseerde buffels, tot op de perfectie gedroogde bresaola en tong beplassende kalamata olijven, maar het ding blijft banaal, al was het maar vanwege de vorm.

Bovendien getuigt het niet per se van een avontuurlijke instelling en rijk ontwikkeld smaakpalet om altijd hetzelfde te willen eten, hoewel de pizzavariatiemogelijkheden natuurlijk zowat onbeperkt zijn.

Soms opper ik het gemaakt casual, als we nog niet bedacht hebben wat we gaan eten, of het moeilijk vinden iets te bedenken, moe zijn of weinig tijd hebben. ‘We kunnen een pizzaatje halen?’ zeg ik dan met een minimale schouderophaling en schuin opgetrokken wenkbrauw, bijna mompelend. Soms kijk ik terwijl ik het zeg weg van mijn metgezel – vaak mijn vriendin -, alsof een tegen de muur op dansend vliegje plots mijn aandacht trekt. Misschien lach ik vertederd naar onze baby, alsof die op dat moment iets bijzonders of nieuws doet. Zo koppel ik de suggestie van het gerecht – pizza – aan een moment van gemeenschappelijke liefde en verwondering. Ik probeer een associatie te bewerkstelligen waardoor mijn metgezel – mijn vriendin dus – bij het horen van het woord ‘pizza’ aan de eerste glimlach, het eerste woordje of de eerste stapjes van ons kind denkt, en er dan naar gaat verlangen. Dat probeer ik op zo’n moment allemaal voor elkaar te krijgen, denk ik.

Weten doe ik het niet zeker, omdat deze processen zich goeddeels onbewust voltrekken. Met het schrijven van deze stuckjes probeer ik die processen bloot te leggen, maar ook dat weet ik niet zeker; zoals gezegd gebeurt het onbewust. Ik schrijf dus vooral voor mezelf, kan ik hieruit concluderen, maar dat geldt voor alle schrijvers. Of ze het nu doen om geld te verdienen, de eigen psyche uit te diepen of inzichten te delen met de wereld, de grondmotivatie ligt in het vervullen van de individuele behoefte om woorden te geven aan gevoelens en gedachten en die te delen met de wereld. Een ander uit zich met verf, voedsel of vernis.

Over voedsel gesproken: pizza. Het wordt mij – mezelf – allemaal een beetje te hoogdravend en dus sla ik het plat met mijn favoriete banale gerecht, banaal als in plat als in een pizza is platgeslagen deeg met beleg. De vorm is plat, net als de wereld dat ooit was. Dat waren simpeler tijden.

Einde.