Dicht van elkaar

Nu ik weer wat heb geschreven is het makkelijker weer wat te schrijven. Zo gaat dat met schrijven, en met heel veel andere dingen ook trouwens. Als je iets doet, doe je het meer. Denk aan sporten, drinken en knuffelen. Regelmaat brengt momentum en met momentum hou je het makkelijker vol. Het begin is lastig, want dan moet je van 0 naar alles. Je moet dan vooral een mentale heuvel op, hoewel mijn lichaam ook flink tegenstribbelde toen ik vorige week voor het eerst in ruim twee maanden een stukje ging hardlopen.

Ik ben geen hardloper, noch een drager van spandex. Die twee houden verband en hebben invloed op elkaar. Ik ga graag (niet graag, maar het is iets wat ik op eigen voorwaarden (alleen, moment, interval) kan doen) naar de sportschool, maar die is dicht en ik moet wat. Met wat bedoel ik bewegen. Anders slib ik dicht. Ik voel het al, de verzadiging. De verkleving van mijn binnenkant, de vergrauwing van mijn buitenkant. Niet alleen bloed moet stromen.

Snaaien doe ik, de hele dag. We zijn allebei bijna non-stop thuis, de koelkast en ik. Hij en de voorraadkast liggen vol met lekkers dat mij roept. Ik reageer op die roep door de kastdeur te openen en eten te pakken. De kasten met voedsel veroordelen mij niet. Ze hebben me in de greep zoals ik hun handvatten grijp in de zoektocht naar eten.

Ik probeer dus af en toe een stukje te rennen of op en neer te springen in de kamer. Daarbij denk ik aan de filemelders van de ANWB, wiens werk is gereduceerd tot de zin ‘Er staan geen files.’

Tijdens het doen van squats denk ik aan de kappers, die weer open mogen, en hoe we nu – naast het weer – nog een voor iedereen geldend ding hebben waarover we met ze kunnen praten. Dat is pure zuurstof. Het bericht over de kappers besloot ik overigens nog even te negeren. Ik had bedacht tijdens de lockdown mijn hoofd te scheren, niet alleen uit noodzaak, daaraan zou geen exitstrategie kunnen tornen.

Bij de pont werden vrijdag de passagiers geteld. Daar kwam ik pas tijdens het opstappen achter, maar na een kleine inhaalslag mocht ik als laatste nog mee. Het meisje naast me, dat het ook net op tijd door had gehad, keek schuldbewust naar de beteuterde mensen die op de kade werden tegengehouden. De volgende pont zou pas over een halfuur komen.

‘Ik voel me wel schuldig,’ zei ze.

‘Omdat je doorhad dat ze telden?’

‘Ik liep volgens mij achter die mensen.’

‘Nog niet iedereen heeft zich aangepast aan de nieuwe realiteit.’

Op die wat botte conclusie van mij kwam ze met een willekeurig verhaal over een Ikea-bank, dat die was geleverd zonder kussens, dat het zes weken zou duren voor ze kwamen en dat ze er nog voor moest betalen ook omdat ze dat kennelijk nog niet had gedaan. Ik knikte halfslachtig en dacht nu ook aan het verdwijnen van sociale barrières in crisistijd en de paradox van afstand die mensen samenbrengt.

Geen tijd

Al dagen probeer ik een stuckje te schrijven over tijd, maar ironisch genoeg kom ik er niet aan toe. De notities ervoor zijn al een week oud, gemaakt op de dag dat mijn vriendin en ik negen jaar samen waren (bedankt voor de felicitaties), volgend op een notitie over onze klok, die kapotviel toen diezelfde vriendin een snijplank pakte, volgend op een notitie over de dino-fase van mijn zoon. Dieren die – inderdaad – in een andere tijd leefden.

Het thema ‘Tijd’ kwam de afgelopen tijd – met name de week voor de afgelopen week – dus veelvuldig terug, los van de rode draad die het vormt voor alles wat leeft, of niet leeft. Ook standbeelden vergaan.

Negen jaar samen. Dat is ongeveer een kwart van mijn leven. Het is nog altijd maar de helft van de tijd die ik bij mijn ouders woonde, maar drie keer zo lang als de gehele levensduur van onze oudste zoon en lang genoeg om de afgelopen maanden van quarantaine als een fractie te kunnen beschouwen in het grotere geheel van ons samenzijn.

In het kapotgaan van de klok zag ik symboliek. Mijn vriendin en ik waren beiden bezig met de verjaring van onze relatie. Ik zat heel erg op die negen (9!) jaar, zij vooral op de viering an sich. Ze zal boos worden als ze dit leest, maar zij was het die de klok liet vallen. Zij zal beweren dat het komt door de te volle plank waar de klok op staat, nee, waar ik hem op heb gezet, zonder hem aan de muur te bevestigen. Hoe het ook zij, de klok mist nu de 2 en 3, of de gedesignede hoeken die die uren symboliseren. Wanneer de wijzer daar nu staat, lijkt het alsof de tijd afbrokkelt. Misschien is het einde der tijden er pas als er geen klokken meer zijn.

De dino’s kunnen hier niet over meepraten. In hun tijd bestonden er geen klokken. Bovendien konden ze, voor zover we nu weten, niet praten. Ze brulden vermoedelijk niet eens. Het kan zomaar dat de T. rex siste als een slang en dat veel andere dino’s helemaal geen geluid maakten. De parasaurolophus had een hoorn op zijn hoofd die verbonden was met zijn luchtwegen. Als hij daar lucht doorheen blies klonk het misschien wel als een trombone.

Voor paleontologen is alles ‘misschien’, ‘vermoedelijk’ of in het beste geval ‘waarschijnlijk’. Dat lijkt me lastig, je leven wijden aan iets waarvan je nooit zeker zult zijn. Al is tijd relatief, ik weet zeker dat mijn relatie nu negen jaar (en een week) duurt, dat mijn oudste zoon drie is en ik achttien jaar bij mijn ouders heb gewoond. Dat behoeft slechts een opgraving in mijn geheugen.

Onze klok is stuk, maar de tijd tikt door. Hoe langer hij tikt, hoe dichter we in de buurt komen van een tijdmachine. Dan reis ik terug naar ruim een week geleden, voor de klok brak, en hang ik ‘m stevig aan de muur.

17 april

Afgelopen vrijdag gebeurden er twee mooie dingen die niets met elkaar te maken hadden. Maar omdat ze op dezelfde dag plaatsvonden koppel ik ze toch aan elkaar. Daar is verder niets mis mee, lijkt me.

Beide zaken zag ik overigens wel aankomen. Het eerste was de verjaardag van mijn vader, die al zolang ik leef – en al veel langer (zal niet zeggen hoe lang) – op dezelfde datum plaatsvindt: 17 april. Het eigenaardige aan deze verjaardag was dat hij plaatsvond tijdens de intelligente lockdown. Ik denk dat ze dat goed in de markt hebben gezet. Nu heeft iedereen die eraan meedoet (we doen dit samen!) het gevoel dat hij/zij behoorlijk slim is, maar daar gaat dit stuckje verder niet over. Het gaat over mijn vader, en moeder, die mijn zusje en ik al zes weken niet hadden gezien.

We zaten in de tuin, want het was warm, op afstand maar niet afstandelijk (er zijn mensen die de twee verwarren) en aten taart. Ik nam een stuk slagroomtaart, waar ik mijn moeder mee verraste en die vervolgens werd opgezadeld met de oneetbare moorkop. Die mogen we zo niet meer noemen, maar ik weet de politiek gecorrigeerde naam even niet.

Onze kinderen waren niet mee, want die zijn niet goed te beteugelen. Er was een videocall, mijn ouders’ oudste en meest levensbewuste kleindochter huilde, mijn moeder ook, en de krankzinnige situatie waarin we leven vatte ons plotseling weer in de nek. Alles went, immers. Ook een in slaap gesuste wereld achter gesloten deuren.

’s Avonds herinnerde Het Internet me aan het andere ding wat ik al wist maar door de taart was vergeten: de release van Fiona Apple’s nieuwe album. Voor wie haar niet kent: Apple zingt en speelt piano. Ze debuteerde in 1996 als achttienjarige met ‘Tidal’ en bracht vrijdag na een pauze van acht jaar haar vijfde album uit, ‘Fetch the Bolt Cutters’.

Op het album, waaraan ze vijf jaar lang voornamelijk thuis heeft gewerkt, blijkt dat ze het predicaat zangeres/pianist is ontgroeid. Ze zingt niet alleen, ze gromt, fluistert en hijgt; slaat op pannen, muren en een doosje met de botten van haar gecremeerde hond. De muziek is losgezongen van haar eigen werk, wat al heel vrij en creatief was, en lijkt in een individuele ruimte te bestaan waar wij het mogen bewonderen.

Vooral vroeger strooide ik graag met superlatieven (dit is de grappigste film ooit! De lekkerste pizza sinds Italië!), maar dit is, met enige afstand, het beste album dat ik de afgelopen vijf jaar heb gehoord. Dat komt ook door het moment waarop het verschijnt: tijdens een pandemie en de daaruit volgende globale quarantaine. Een album over innerlijke en externe demonen, gemaakt door een kluizenaar. ‘Fetch the bolt cutters,’ zingt ze op het titelnummer, ‘I’ve been in here too long.’ Is er een zin die het huidige sentiment beter verwoordt?

Mijn vader was overigens blij met het overlevingspakket dat mijn zusje en ik voor hem hadden samengesteld. Geen Fiona Apple, maar wel boeken, bier, knutselwerkjes van zijn kleinkinderen en hele oude kaas.

Kortom, het was een goede dag.
———-
Fetch the Bolt Cutters kun je hier luisteren:

Enterquarantainment

Het wordt steeds gekker. Een goede reden om nog kleren aan te trekken hebben we natuurlijk al niet meer, zeker niet met het warme weer van de afgelopen week. Maar ook andere gebruiken en vormen van etiquette zijn tanende. Zo at ik gisteren een enchilada van vijf dagen oud. Om 14:00u. Als ontbijt. Naakt.
 
Tijdens het eten van de, overigens heerlijke, doch kleffe, van kaas doordrenkte wrap maakten mijn gedachten allerlei hupjes en salto’s, zoals dat gaat wanneer je veel met jezelf op dezelfde plek bivakkeert. Ik was me er heus wel bewust van dat ik geen kleren aan had en iets at waar ik de rest van de middag spijt van zou hebben, maar er was verder geen externe noodzaak om mijn gedrag aan te passen. Dat doen we dus voor anderen en als we naar door andere mensen ingerichte werk- of uitgaansplekken gaan. Ons op een bepaalde manier aankleden en gedragen is tribaal, een manier om soortgenoten te herkennen. Jij en ik delen deze waarden, voelen we dan onbewust, we zijn hetzelfde. Maar het slaat eigenlijk nergens op, want naakt zijn we dat allemaal.
 
Nu heb ik sowieso een liefde voor woordgrappen, maar met ‘quarantenchilada’ was ik extra verguld. Ik keek om me heen, om het met iemand te delen, maar ik was dus alleen en naakt en aangewezen op Instagram. Daar reageerde vervolgens niemand erop. Ik vond dat dat me niets kon schelen en bezigde ‘Idontcarantaine’, een neologisme dat ik voortaan zal gebruiken voor zaken waar ik niets om geef, maar door het constant binnen zitten toch aandacht aan besteed. Ik moet denken aan Tom Hanks die in Cast Away tegen een volleybal praat. Hij is geen volleyballer, maar op een onbewoond eiland is niemand dat en maakt het dus ook niets meer uit. Je kunt dan net zo goed tegen die volleybal praten, snap je? Volleybal bestaat niet meer.
 
Waarom ik dit allemaal vertel? Omdat te illustreren dat het rare dingen doet met je brein, thuiszitten onder de latente hoogspanning van een pandemie; het niet of nauwelijks zien van vrienden en familie; het creëren van een micro-samenleving binnen de muren van je eigen woning. Een wandeling naar de keuken is een uitje naar een doe-het-zelfrestaurant. De slaapkamer is een hotel waar je je eigen bed op moet maken en je niet wordt verwelkomd met een fles wijn, boeket of chocolaatje op je kussen. ‘Die badjas en handdoeken was je zelf maar,’ roept je partner je geïrriteerd na als je bij hem of haar informeert naar bezienswaardigheden in een straal van anderhalve meter rond het huis.
 
Die partner is overigens het resultaat van een geslaagde date. Een one night stand, elke nacht weer. Spannend hoor, een beetje onwennig misschien ook wel. Maar wat een cadeautje om haar de volgende ochtend weer te zien. Elke ochtend. En middag. En avond.
 
En dan vergeet ik nog de kinderen. De kinderen! Het restaurant annex hotel annex museum is ook een school, waar met passie, gebroken glazen en gebarsten kastdeurtjes wordt gewerkt aan de toekomst van de jeugd. Je partner en jij zijn niet alleen thuiswerkende horeca-managers, maar ook ongekwalificeerde docenten, kinderpsychologen en schoonmakers.
 
Hoewel de bewegingsruimte en het sociaal contact beperkt zijn tot een minimum wordt er nu meer dan ooit een beroep gedaan op onze veelzijdigheid. Het is multitasken op de vierkante anderhalve meter. Maar we worden er steeds beter in. Straks, als ‘de dingen’ stapsgewijs terugkeren naar een nieuw soort normaal, weten we van gekheid niet meer wat we met al die ruimte en kleren aan moeten.

In de taart

Een heel blok kaas was het, Parmezaanse. Een heel blok, waar kan het in godsnaam zijn gebleven? Het lag hier, op het plankje op ooghoogte in de koelkast. Ik weet nog dat ik het zag liggen en dacht: ‘Een heel blok Parmezaanse kaas, daar ga ik iets mee maken.’ Nu is het zover. Nu is het moment dat ik gehaktballetjes wil draaien naar Italo-New Yorks recept – balletjes zo lekker dat het kwijl ervan uit je oksels loopt -, maar is het blok weg.

Waar kan het toch zijn? Op een ander plankje? In de groentela? Verstopt achter andere producten die het zicht blokkeren? Onze koelkast is goedgevuld, immers. Wij zijn geëvolueerd van een op de bonnefooi levend stel naar een gezin met een uitpuilende voorraadkast. Gepland wordt niet meer in dagen of weken, maar maanden, soms jaren. Hierin zijn we niet uniek.

Terwijl ik me nog eens goed en krachtig onder de kin krab om het verdwenen stuk kaas zie ik aan de overkant van de straat twee mannen staan die recht bij ons naar binnen kijken. Ze lijken op IT-ers en staan voor een klein autootje met daarop de letters ‘IT’ en dan nog wat onduidelijke cursieve letters die er niet meer toe doen. Hoewel ik me niet kan voorstellen dat deze IT’ers in hun vrije tijd huizen scouten om bij in te kunnen breken vind ik het toch verdacht en tamelijk irritant hoe ze onafgebroken ons huis in staren. Misschien is dat hele IT wel een dekmantel, denk ik te midden van inslaande paranoia, en ik besluit polshoogte te nemen.

‘Kan ik jullie ergens mee helpen?’ vraag ik de mannen die me met hun ogen volgen vanaf het moment dat ik de voordeur uitloop.
‘Nee hoor,’ zegt de rechter, een kale slungel met een sigaret tussen zijn vingers.
‘Nee? Het valt me op dat jullie wel heel geïnteresseerd bij me naar binnen kijken.’
‘Is dat zo?’
‘Ja. Er wordt hier in de buurt regelmatig ingebroken, vandaar.’
‘Nou, maak je maar geen zorgen hoor. Wij wachten op een klant.’

Sceptisch knikkend bestudeer ik het autootje. Waar kan dat stuk kaas nou toch zijn? Mijn vriendin heeft laatst wel een bloemkooltaart gemaakt, maar daar gaat toch geen heel stuk Parmezaan in? Dat bestaat toch niet?

‘Zijn jullie IT’ers?’
De kale man neemt een hijs van de sigaret.
‘What gave it away?’ vraagt hij cynisch.

Ik maak een wegwerpgebaar en loop weer naar binnen. Ik sms mijn vriendin – wij sms’en nog, als enigen in dit universum – en vraag haar of ze weet waar het stuk Parmezaanse kaas is. Heeft ze het ergens verstopt, of is wat ik niet voor mogelijk hield toch gebeurd en is het in zijn geheel verdwenen in de bloemkooltaart?

Wachtend op antwoord kijk ik nog eens naar buiten, weer krabbend onder mijn kin. De mannen zijn weg, ik moet me scheren. Na 30 seconden krijg ik een berichtje.

*PING*

‘In de taart.’

Hoppetossend door Berlijn

Klaas en ik gaan eens in het jaar naar Berlijn. Tenminste, dat proberen we. In de praktijk is het eens in de 1,2 jaar. We zijn immers vaders.
 
We leren de stad iedere keer beter kennen, voelen ons er steeds meer thuis. We verrassen onszelf en anderen met de groei van ons Duits. ‘Es is schön das du Deutsch spricht,’ zei een grote bebaarde kerel op de MS Hoppetosse afgelopen zaterdag, alvorens hij ons high fivede. De MS Hoppetosse is een boot, behorend bij Club der Visionäre, een van de ruim honderd clubs in Berlijn. Het zijn er vermoedelijk nog veel meer, maar sommige bestaan maar heel even of bestaan zo ‘off the grid’ dat je er alleen via via (in) kunt komen.
 
Wij hadden de mazzel dat we vrijdagavond in een cocktailbar zaten en aan de praat raakten met een Nederlandse serveerster, al zeven jaar wonend in Berlijn en mede-organisator van feesten op de voorgenoemde boot, met een bekende dj als vriend die daar zou draaien. ‘Ik kan jullie wel op de lijst zetten,’ bood ze ons aan. Wij knikten dankbaar ja.
 
Een boot aan de rand van de stad, in de Spree. ‘Rand van de stad’ is een vreemd iets om te zeggen over Berlijn. De stad is uitgestrekt en heeft niet echt een centrum. Het is een aaneenschakeling van dorpjes, ieder met hun eigen subcultuur. Een beetje zoals Los Angeles, maar met U- en S-bahnen, en minder palmbomen en zon. Maar met meer mensen van vlees en bloed.
 
Zaterdag hosten we op de Hoppetosse. We zagen de Nederlandse daar, bedankten haar nogmaals, en praatten kort over onze levens. ‘Je lijkt me iemand die veel heeft meegemaakt,’ zei ik. ‘Waarom denk je dat?’ vroeg ze. ‘Soms krijg je dat gevoel bij mensen.’
 
Ze knikte, gaf me een samenvatting en bevestigde mijn vermoeden.
‘Ik denk er al een tijdje over na om het op te schrijven. Ik ben nu op een punt in mijn leven dat ik dat kan.’
Ze vroeg me wat ik deed. ‘Ik ben schrijver,’ zei ik. Ze zette ongelovig een stap naar achteren en gaf me toen lachend een high five, de tweede van de avond.
 
We lieten ons verder meevoeren op de aangemeerde boot. We zagen de volgende dag (gisteren) een vriend van ons uit Amsterdam, die al een paar jaar als een heuse troubadour door Europa trekt. Een leven zonder plan, maar met restricties, tegengesteld aan die van onze levens. We dronken samen bier en lieten ons meevoeren naar Friedrichshain, Neukölln en terug naar Schöneberg. Vanavond gaan we naar een concert van de Noorse Jenny Hval in Kreuzberg, morgen naar het Stasi-Museum in Lichtenberg, dan, weer in Friedrichshain, de nieuwe plaat van Tame Impala ophalen, meer bier drinken, meer eten, woensdag terug met de trein en, wie weet, daarna wel beginnen aan een boek over het roerige leven van een Amsterdamse oma in Berlijn. We laten ons meevoeren door de stad. Iedere 1,2 jaar stappen we weer op.

The Sopranos

The Sopranos is een van de beste, zo niet de beste televisieserie ooit gemaakt. Mijn voorkeur voor die eretitel gaat naar The Wire of Breaking Bad, maar The Sopranos ‘is up there’, en de rol van James Gandolfini als Tony Soprano, een door psychische demonen geteisterde maffiabaas en vader, is een legendarische. Tot zover niets nieuws.
 
Pas een paar jaar geleden begon ik aan de serie, lang nadat de hype was gaan liggen. Hypes hebben vaak een averechtse werking op me. Als iedereen iets wil, wil ik het juist niet, of pas als de honger van de massa gestild is. Dan kan ik er in relatieve anonimiteit van genieten, alsof de serie, film of muziek speciaal voor mij is gemaakt. Misschien een tikje megalomaan, maar pas dan is er de ruimte om een persoonlijke relatie aan te gaan met het werk.
 
Hoe persoonlijk zo’n relatie kan worden bleek vannacht, toen ik droomde dat ik The Sopranos opnieuw zou gaan kijken. De serie stond inmiddels op Netflix, dus het was makkelijk, en stelde me in de gelegenheid om mensen die de serie nog niet hadden gezien ervan te overtuigen hem ook te gaan kijken. Het voelde alsof ik de eerste en enige was die het ooit gezien had. Alsof ik het had ontdekt en mijn kennis gul wilde delen met de wereld, misschien wel om een hype te creëren, ironisch genoeg.
 
Het was een genot om Tony Soprano weer te zien. Ik hoopte dat hij me zou herkennen, dat hij zich bewust zou zijn van onze persoonlijke band, en dat het herkijken van de serie daarmee een diepere ervaring zou worden. Ik keek hem aan, de veel te vroeg overleden James Gandolfini, en gebaarde met mijn wenkbrauwen ‘Ik ben terug’. James reageerde niet. Hij speelde zijn scène, als Tony, als werk, wat het voor James ook was.
 
Ik hoopte op een later moment, in een andere scène, weer een moment van herkenning met hem te beleven, maar het kwam er niet. Het was gewoon ik die The Sopranos keek, voor de tweede keer, zonder enige erkenning van de cast of crew, die ik ook dit keer niet ontmoette. Ik had geen backstage pass, geen toegang tot hidden content. Het was gewoon The Sopranos, maar dan fragmentarisch, in een onbevredigende droom, zoals dromen vaak zijn.
 
En nu loop ik vast. Ik zie het punt van mijn schrijven niet. Wat probeer ik over te brengen? Waarom voel ik de drang dit te delen? Is het omdat ik de droom beter wil begrijpen, of omdat ik in mijn leven te veel beelden tot me heb genomen en ze me op latere momenten meevoeren naar de door hen verbeelde wereld, waarin ik misschien wel zou willen bestaan? Leven in vleesgeworden fictie, of juist in de gescripte realiteit – een controleerbare wereld.
 
Of misschien – misschien wel sowieso – werd ik eraan herinnerd hoe goed The Sopranos was. Is. James is weg, maar de beelden blijven. Gaat dat zien, juist nu niemand het er meer over heeft.

In Spongebobs wiel

Er gebeuren natuurlijk overal de hele tijd irritante dingen, zo ook in mijn persoonlijke sfeer, en één daarvan wil ik graag even uitlichten. Het gaat om fietsers die vlak achter je gaan fietsen. Misschien moet ik in plaats van ‘je’ ‘me’ zeggen, want ik weet niet of dit anderen ook overkomt. Het is in de afgelopen weken nu al twee keer gebeurd dat iemand ‘in mijn wiel’ ging zitten, zoals dat in wielerjargon heet. Ik noem het ‘in mijn slipstream zitten’, omdat de eikel die het de eerste keer deed het ook zo noemde toen hij op zijn verroeste racefiets na een paar honderd meter naar links afboog.
 
‘Effe lekker stukje slipstream meepakken ja toch,’ riep hij over zijn schouder naar me, grijnzend. Ik hoopte dat hij een gat in of steen op de weg zou missen – we fietsten immers over het ruige (maar niet zo ruig meer als vroeger) NDSM-terrein -, over de kop zou vliegen en zijn voortanden zou breken op een betonnen plaat. Maar dat gebeurde niet. In plaats daarvan bleef ik geïrriteerd op mijn zadeltje zitten en schudde ik met mijn hoofd de woorden ‘Nee, niet effe lekker in mijn slipstream zitten’ naar hem toe, maar de man bleek, zoals wel meer mensen, doof/blind voor mijn hoofdwoordschudderij.
 
Nu vraag ik me af: is dit normaal gedrag? Gebeurt dit anderen ook, of ligt het aan de omvang en vorm van mijn lichaam en de vaart van mijn nieuwe elektrische fiets? ‘Je bent ook zo lekker vierkant. Een soort fietsende Spongebob,’ zei een vriend van me toen ik mijn frustratie met hem deelde. Bovenop de frustratie kwam vervolgens de verwarring over zijn opmerking. Was het een compliment? Of een belediging, zo bijdragend aan de frustratie, daar hij ook een wielerfanaat is?
 
Het gaat er geloof ik vooral om dat ik, als wel-vierkante niet-wielrenner op een snelle elektrische fiets door niet-vierkante wel-wielrenners kan worden gebruikt als windscherm. ‘In mijn wiel’ blijven ze immers ‘uit de wind’ en dat scheelt toch weer wat zweetdruppels (die ik tegenwoordig dankzij de e-bike weet te vermijden).
 
De tweede keer, afgelopen week, gebeurde het weer. Dit keer was het een pubermeisje, maar ook haar vond ik een eikel – voor wielrenners en slipstream-meepakkers maak ik geen uitzondering op basis van geslacht en leeftijd. Het gebeurde trouwens nog een derde keer, bedenk ik nu. Dat was een enorme eikel op een ratelende herenfiets die zich achter mij – IN MIJN FUCKING WIEL JA – het schompes fietste om me bij te houden en me een paar keer zelfs bijna inhaalde. Hij probeerde een punt te maken, zo leek het. ‘Je bent zélf een eikel, op je elektrische fiets. Om het je te laten voelen zal ik je wel even inhalen op mijn brakke, gestolen stinkfiets.’
 
Maar zover liet Spongebob het niet komen. Ik ben misschien wel vierkant, maar ik ben niet gek. Of langzaam.