Buurman

Op de vierde verdieping woont een man die nog een jongen is. Hij laat zich in zijn doen en laten niet leiden door afspraken die we hebben gemaakt met de natuur omtrent opstaan en slapen gaan. Hij doet wat hij wil, wanneer hij wil. Hij houdt hierbij hoegenaamd geen rekening met wie dan ook. Al twee keer heb ik bij hem aangebeld en al twee keer deed iemand anders open, een kerel met rood en krullend haar, welbespraakt en soepel in zijn bewegingen. Maar zo klinkt het door mijn plafond niet. Het klinkt als een volleybaltoernooi, gespeeld door gorilla’s aan de speed. Gebons, gestommel, geklop. Dag, nacht, ochtend, middag, het maakt niet uit. De laatste keer dat ik er aan de deur was, verscheen er naast het rode monster een minuscuul, donker kereltje. Zo klein en donker dat je hem bijna niet zag. ‘We zijn hier soms wel met z’n negenen!’ riep hij tactloos. Maar zonder Sander. Het huis is van Sander, maar die is er nooit. Discussiëren heeft geen zin. Deze gasten zijn geprogrammeerd om onder alle omstandigheden met iedereen een gesprek te kunnen voeren. Tot twee keer toe heb ik mij door het monster en zijn kleine kompaan tureluurs laten lullen.
‘Neem het op met Sander. Dit is zijn huis en van hem mogen wij hier zitten.’

Het plafond, althans deeltjes daarvan, daalt neer. Iets knakt. Ik pak mijn sleutels en loop de gang in en de trap omhoog. Deze keer zal ik me niet in een cirkel laten redeneren. Deze keer is het klaar. Opgepompt en stoomblazend sta ik voor de deur. Ik klop drie keer, hard. De deur zwaait open en ik zeg ‘wat de fuck’.

‘Kom binnen!’ zegt een blond onderkruipsel alsof er niets aan de hand is.
‘Ik wil niet naar binnen.’
‘Kom binnen!’

Ik kijk om de hoek de donkere kamer in. Er zit een aantal kerels in pak aan tafel.

‘Ik wil nog steeds niet naar binnen.’

Er komt nog een kerel bij staan met een halve liter blik Albert Heijn huismerkbier in zijn hand. Hij slikt en neemt een rechte houding aan, ter voorbereiding op mijn naderende verbale douche. Hij knijpt het blik wat in. Ik wil weten waar en wie Sander is.

‘Waar is Sander ben jij Sander?’
‘Ja ik ben Sander.’
‘Jij woont hier?’
‘Ja.’
‘Dit kan niet.’
‘Wat kan niet?’
‘Dat jullie met wasmachines gooien.’
‘We drinken een biertje.’
‘Ja, dat snap ik en dat moet je vooral doen, gezellig, met vrienden, maar niet met zoveel teringherrie.’
‘Wat hoor je dan? Voetstappen?’
‘Ook, en dat is prima. Jullie zijn mensen en die lopen, voetstappen zijn oké.’
‘Wat hoor je dan?’
‘Gebonk, gestamp. M’n plafond komt naar beneden. En laatst die friet. Dat kon echt niet.’
‘Nee, maar daar heb ik ze toen meteen op aangesproken.’

En weer sta ik te discussiëren. Ik heb maar één boodschap: minder herrie. Nu. Maar binnen een minuut staan we verbaal te brassen. Er komt nog een kerel bij.

‘Gozer, haai.’

Hij steekt zijn hand uit. Ik schud hem maar.

‘Je had wat last van gestamp, zoiets ving ik op. Dat was ik en bij deze mijn excuses.’

Hij richt zicht tot Sander.

‘Sander, sorry man. Het is natuurlijk niet cool als je vrienden misbruik maken van je gastvrijheid. Zoals laatst met die friet. Ik was het niet, maar dat met die friet…’

Mijn taks is bereikt.

‘Het zal allemaal wel, maar ik heb last van jullie, klaar. Doe normaal.’

Ik draai me om en wil weglopen.

‘Waarom drink je niet een biertje mee?’ vraagt Sander.
‘Omdat ik morgen moet werken. En omdat ik dan de hele reden van mijn eigen geklaag onderuithaal.’
‘Jij bijt je graag vast in dingen, hè?’

Ik haal mijn schouders op en zucht.

‘Doe een potje hartenjagen mee met de boys, drink een biertje, breien we er daarna een eind aan.’

Mijn woede zakt. Mijn weerstand smelt. Ik ben moe. Mijn moment van zwakte wordt onmiddellijk uitgebuit en voor ik het weet sta ik met een blik bier tussen zes stropdassen in een benauwde studio. Ze vragen wat ik doe. Ze vragen wat ik heb gedaan. Ze willen weten wie ik ben. Ze vinden alles mooi. Supermooi. Ik vraag waar die grote, rode kerel en zijn kleine maatje zijn, maar zonder te antwoorden bieden ze me een stoel aan en begint Sander te delen. Hartenjagen dus. Maar niet voordat er coke is gesnoven.

‘Doe je een lijntje mee?’

Ik haal mijn schouders op en krijg een afgeknipt rietje in mijn handen gedrukt. We snuiven van het cd-hoesje van de greatest hits van Sting & The Police. Mijn lijn ligt precies onder Roxanne. Het is dinsdag. Wat maakt het ook uit.

‘Ok let’s go,’ zegt het blonde onderkruipsel terwijl hij de klaver twee op tafel gooit.

Ik kijk rechts van me, waar de jongen zat die mij de cd gaf.

‘Moeten we niet op hem wachten?’
‘Iedereen is er,’ antwoordt Sander resoluut. ‘Je kunt het toch maar met z’n vieren spelen. Joost en Carl regelen het bier.’
‘En de drugs!’ roept een bleke jongen die Joost of Carl heet.

Ik heb de schoppenvrouw, de harten aas en alle hoge ruiten. Verder nog twee lage klavers, dus die moeten er zo snel mogelijk uit. De eerste rondes gaat alles op kleur, maar als ik door mijn klavers heen ben en die opnieuw worden gespeeld, gooi ik de schoppenvrouw op tafel.

‘Oei!’ roept een jongen met zwart, teerachtig haar naast me. ‘Lekkere binnenkomer, buurman!’ Hij geeft me een gemoedelijke klap op mijn rug.
De cd-hoes komt voor de tweede maal voorbij. Every Breath You Take. Ik neurie verder met de Puff Daddy-cover in mijn hoofd.

Terwijl ik routinematig het potje uitspeel bedenk ik dat Biggie al 18 jaar dood is. En 2Pac nog langer. Het blijft zonde van die gasten. Zonde. Ik schuif de cd-hoes naar links, naar de jongen met het haar van teer, maar hij zit daar niet meer. Het lijkt alsof er helemaal niemand heeft gezeten.

‘Yo, pass effe door,’ zegt Sander tegenover me.
‘Wil hij niet?’ wijs ik naar de lege stoel naast me. Sander kijkt me vragend aan. Ik schuif de cd naar hem door. Er bekruipt me een vreemd gevoel dat door de verdoving van de drank en drugs niet doorzet.

Er wordt opnieuw gedeeld. Sander en ik hebben als enigen 0 punten en staan dus bovenaan. De rest heeft allemaal wel wat gesprokkeld. We zijn nu met z’n vijven. Joost of Carl tikt voorzichtig met zijn wijsvinger op de kabouterpost. Nieuwe lijnen, nieuwe kansen.

I’m an alien, I’m a legal alien
I’m an Englishman in New York

Carl of Joost is nu ook verdwenen. Ze zijn allebei weg. Er is niemand meer die het bier regelt of de drugs en toch is het er. Overgebleven zijn drie jongensachtige mannen in pak en ik, in joggingbroek. De adrenaline van de coke en de beneveling van de alcohol tasten elkaar af in een dans van balans. Ik zak weg in een staat van oneindigheid die me verwarmt en emotioneert. Het feit dat ik het tweede potje op rij met overmacht aan het winnen ben, draagt bij aan een gelukzaligheid die in schril contrast staat met mijn staat van eerder die avond. ‘Het zijn ook maar mensen,’ fluister ik mezelf toe. ‘Vrienden, die af en toe lol willen maken. Niet om mijn leven te vergallen, maar voor henzelf. Voor hun eigen geluk.’ Ik voeg er intern aan toe dat de wereld niet om mij draait en dat dit daar weer een uitstekend voorbeeld van is.

Terwijl ik onder mentale begeleiding van Every Little Thing She Does Is Magic wat verse cokeresten van mijn neus veeg, zie ik dat we nog maar met zijn drieën zijn: Sander, het blonde onderkruipsel en ik.

‘Hoe heet je eigenlijk?’ vraag ik aan de blonde.
‘Matthias,’ antwoordt hij op jolige toon.
‘Mooi,’ complimenteer ik hem met zijn naam, tollend op mijn stoel.

Weer wordt het cd-hoesje onder mijn neus geschoven. Maar door wie dan? Het komt van links en daar zit niemand.

‘Waar is iedereen?’ vraag ik Sander.

Hij steekt een sigaret op en blaast de rook mijn kant op. Door de nevelen zie ik twee silhouetten, die van hem en Matthias. Ik pak het rietje, buig voorover en vraag me af wat er zou gebeuren als Sting ooit zijn vertrouwen in mij zou verliezen. Wat zouden we dan nog met elkaar kunnen, in godsnaam?

Sander en ik spelen nu tegen elkaar, er is niemand meer over. Instinctief werp ik kaarten op tafel. Mijn handelen wordt niet meer gedreven door weloverwogen gedachten, maar door impuls. Mijn oriëntatie is beperkt tot zijn silhouet. Mijn bovenbuurman. De man die het friet laat regenen. Na wat een uur lijkt te duren zijn we door onze kaarten heen. Ik heb gewonnen. Ik heb alles gewonnen, iedereen weggespeeld. En de winnaar krijgt de laatste lijn. Walking On The Moon.

Eclips (#latertext)

In 1999 was er een zonsverduistering. Ik was met mijn ouders en zusje op vakantie in Frankrijk. Niemand had toen smartphones waarmee je foto’s kon maken of op internet kon surfen. Er was me toen wel verteld dat je niet direct naar de zon moest kijken. Het licht dat langs de maan werd geperst zou zo scherp zijn dat het je netvlies kon beschadigen. Als je ernaar wilde kijken moest dat met een speciale eclipsbril of via de reflectie op een stuk papier.

In de loop van de middag werd het steeds donkerder boven het bungalowpark. Groepjes mensen hadden zich buiten verzameld om het zeldzame fenomeen te kunnen aanschouwen. Ik bekeek de mensen terwijl ze naar boven staarden, met bril of via kartonnen constructies. Een eclipsbril had ik niet en ik had geen zin om zelf een zonnekijker te maken. ‘Niet direct in de zon kijken,’ herhaalden de woorden zich in mijn hoofd, maar ik had in de aanloop naar het event allang besloten het wel te doen en dus deed ik het. Met toegeknepen ogen keek ik een fractie van een seconde omhoog, maar toen was het al te laat. Het licht brandde door mijn netvlies en minutenlang zag ik alleen maar vlekken. Toen de vlekken oplosten, bleef er een krasje achter. Een zeepaardvormige lijn met daaromheen wat puntjes, die mee bewogen met mijn oogbal.

Op het moment zelf wilde ik er niet aan toegeven; ik was immers nog zo gewaarschuwd. Hopende dat de kras vanzelf zou oplossen, deelde ik enthousiast in de oohh’s an aahh’s van de mensen die wel de benodigde veiligheidsmaatregelen hadden genomen, terwijl ik deed alsof mijn zicht niet was aangetast.

De volgende dag werd ik wakker en zag ik het zeepaardje nog steeds. Ik was niet in staat om er iets over te Googlen, want dat bestond nog niet, en ik durfde er met mijn ouders niet over te praten, dus hield ik het voor me, in de hoop dat het vanzelf weer over zou gaan. Dat gebeurde niet. De kras bleef, hoewel ik hem niet altijd zag. Na verloop van tijd raakte ik eraan gewend of vergat ik dat hij er was. Alleen bij bepaalde standen van de zon werd ik eraan herinnerd. Ook zonder eclips zie ik vlekken als ik recht in de zon heb gekeken, maar sinds de zomer van ‘99 dus ook een zeepaardje, meedansend met de bewegingen van mijn oogbal. Vaak zie ik hem als ik fiets en als de zon schuin staat en fel schijnt, zoals de laatste dagen het geval is. Of als ik van moeheid in mijn ogen heb gewreven en mijn zicht langzaam maar zeker onttroebelt. In het hervinden van de focus danst het zeepaardje dan alle kanten op. Alle kanten, als een doorzichtige zeepaardvormige stuiterbal.

Enkele jaren geleden kon ik er op zo’n moment nog flink van balen. ‘Waarom was ik zo stom?’ ‘Hoe kon ik zo eigenwijs zijn? Ik heb mijn zicht voor altijd beschadigd!’ kermde ik dan intern. Maar nu baal ik er niet meer van. Het is er gewoon. Een van buitenaf onzichtbaar litteken, een aandenken aan een half leven geleden. Toen 16, nu 32. Maar wel mét dansend zeepaardje.

Medeplichtig

Albert Heijn. 20:23u. 5 bier in de mik, nog minstens 5 te gaan. Thuis wacht een halve kip-broccolitaart op me. Die taart weet, net als ik, dat hij niet genoeg is om mijn honger te stillen. Dus denk ik na over dingen die ik nog meer kan eten. Met een stuk oude Goudse kaas, een pak Goudse kaaskoekjes, een pakje extra dunne tandenstokers en een krat Hertog Jan in de bonus sta ik in de rij voor de kassa.

De mondhygiëniste heeft me woensdag uitgelegd hoe ik mijn tanden het beste kan stoken. Dit deed ze na mijn gebit ruim drie kwartier met een bijtel bewerkt te hebben. ‘Je glijdt de tandenstoker zo van boven naar beneden, en dan als hij erin gaat, gaat hij erin en dan ga je heen en weer. Zo, heen en weer.’ Ze deed het voor met haar veel te kleine handjes en ze sprak met haar veel te kleine mondje en keek me aan met haar bij al die veel te kleine onderdelen van haar lichaam passende veel te kleine oogjes. Ze was sowieso klein en wat dat betreft consequent.

Terwijl ik zelf een spiegeltje omhoog hield zodat ik kon zien wat ze deed, stookte ze mijn tanden. Heen en weer, op een neer, in het gat waarin de stoker paste. Later legde ze me ook nog uit hoe ik mijn tanden moest poetsen (‘doe je mond eens helemaal open? Wat voel je? Inderdaad een strakke wang, en dus kun je de tandenborstel niet ver in je mond steken. Als je je mond iets meer sluit, kom je verder en poets je dus beter. Dat scheelt tandsteen. Je hebt op die achterste tanden best veel tandsteen’) en gaf ze me een extra softe tandenborstel + mini tube Elmex professional clean om mee te oefenen. ‘Ik gebruik zelf ook Elmex,’ solliciteerde ik naar een wit voetje. ‘Dat is goed,’ zei ze onbewogen.

Nu sta ik bij de kassa, met mijn boodschappen op de band en mijn krat op de grond. Met mijn rechtervoet schuif ik het krat steeds voor me uit wanneer daar ruimte voor is. Als ik aan de beurt ben, zeg ik ‘ik heb ook nog een kratje Hertog Jan,’ en knik ik naar het krat, ter bevestiging van mijn woorden. De caissière vraagt om mijn bonuskaart, scant mijn artikelen en laat me pinnen. €8.17. ‘Dat is te weinig,’ denk ik. ‘Maar ik heb het gezegd. En geknikt. Ze weet wat ik weet. Het moet goed zijn,’ en ik pin. Als ik klaar ben, pak ik mijn tasje, schuif ik het krat met mijn rechterbeen vooruit zoals ik dat al deed en kijk ik de caissière aan. Zij kijkt mij aan, met een blik die verraadt dat ze me betrapt. ‘Ze heeft me niet gehoord,’ denk ik, ‘mijn knikje niet gezien,’ concludeer ik. ‘Ben ik nu de pineut?’ Ze blijft me aankijken terwijl ze medeplichtig begint te glimlachen. Ze heeft me niet gehoord, heeft me niet zien knikken, maar is zich nu, op dit heterdadige moment, volledig bewust van de situatie. Ze denkt dat ik een kratje bier wil stelen, wat ik in de verte ook wel doe, maar laat het gebeuren. Ze laat me, na ons misverstand, een kratje bier stelen. Ze begint al met het scannen van de boodschappen van de vrouw achter me. Correctie: boodschap. De vrouw heeft slechts een magnetron-lasagne op de band gezet. De caissière blijft me aankijken. Ten einde raad glimlach ik maar complotterig terug. Ik stop de kaas en de –koekjes en stokers in mijn tas, pak het krat en draai me om. Naar huis wil ik, voor ze zich bedenkt en me alsnog in een hokje met videobewakingsbeelden en corpulente supermarktbeveiligers en storemanagers naar beelden laat kijken waarop ik OVERDUIDELIJK naar mijn kratje knik. ‘Er is dus eigenlijk niks aan de hand,’ probeer ik mezelf te overtuigen.

Maar wat een raar moment. Wat heb ik een raar moment met haar gedeeld, de jonge caissière van ongetwijfeld Marokkaanse afkomst. Ongeïnteresseerd, onscherp, maar wel scherp genoeg om mijn been een krat te zien/horen verschuiven. Waarom liet ze me het stelen? Vond ze me leuk? Was het voor haar een manier om macht uit te oefenen over een monsterlijk concern waarvoor zij niet meer is dan een mens-machine? Wat is in godsnaam haar loyaliteit naar de Albert Heijn? Nul dus. Voor €6,32 bruto per uur koop je geen loyaliteit. Voor €6,32 per uur koop je medeplichtigheid.

Het krat en ik zijn thuis. Ik zit inmiddels op 10.

De sigaret smaakt goed. Het is de eerste in een week. Ik rook uit het raam en tik af. Onder het raam loopt nietsvermoedend een stel. ‘Sorry,’ wil ik zeggen, maar ze hebben niks gemerkt. Dit lijkt geen avond om slapende honden wakker te maken.

Even later vaart er een rondvaartboot voorbij. Het is een boot waarop je ook romantisch kunt dineren. De boot is leeg. Ik neem aan dat hij onderweg is naar de rondvaartbootremise, maar misschien is hij ook wel leeg omdat er niemand is opgestapt, omdat vanavond niemand romantisch wil dineren, glijdend over Amsterdams water. De boot is leeg en ik denk aan eenzaamheid. Ik sta hier nu alleen te roken in het raam en er is niemand in die boot die me ziet en naar me zwaait of me alleen ziet en denkt ‘hij staat daar, alleen, en wij zitten hier, samen,’ en dat diegene dat samenzijn daar op dat moment meer waardeert door het aanschouwen van mijn alleen-zijn. Dit gebeurt allemaal niet, want de boot is leeg. Ik ben alleen en zo zijn er velen alleen en voor een moment denk ik dat al die allene mensen verbonden zijn in hun alleenheid en dat als we daar allemaal van op de hoogte zouden zijn, als we medeplichtig zouden zijn aan elkaars eenzaamheid, we ons niet meer alleen zouden voelen. Allemaal alleen betekent allemaal hetzelfde en hetzelfde is eenheid. Eenheid is geen alleenheid en dus zijn we verbonden in eenzaamheid, hoewel alleenheid en eenzaamheid niet hetzelfde zijn. ‘I am alone, I’m not lonely,’ zegt Robert DeNiro tegen Amy Brenneman in Heat.

De taart is op. De kaaskoekjes voor de helft. Het krat Hertog Jan mist nu 8 flesjes. Tel daar de 5 bij op van de borrel op werk en de conclusie is honger. Hoewel, het is meer zin om mijn gebijtelde tanden ergens in te zetten, als tegenwicht voor de blijvende dorst. Bij wijze van compromis zet ik de muziek harder. Geluiden van Animal Collective vullen de kamer waarin ik typ. Nog even en het is 23:00u. Nog even en het is nog niks.

Heronbekend

Als je de man zo zag, leek er niet veel met hem aan de hand. Hij zat daar gewoon, z’n best te doen, zich voor te bereiden op de volgende oefening, zoals alle andere mannen in de zaal. Maar zodra hij zich enigszins inspande, veranderde zijn gezicht. Het schoot volledig in de plooi of in andere plooien dan waarin het zich reeds bevond. Want een geplooid gezicht was het sowieso, inspanning of niet.

Als de man opstond, trokken zijn mondspieren omlaag. Zodra hij bukte om twee gewichten te pakken keek hij scheel en wanneer hij op het bankje ging liggen voor de borstoefeningen verscheen er een soort manische lach op zijn gezicht. Hij was in ieder moment steeds compleet anders. Hij was bijna onnavolgbaar, deze man. Puur door hem constant te bekijken wist je dat hij het was. Ook aan zijn kleding en postuur kon je hem herkennen, maar gezichtsmatig was hij een kameleon. Een man met een gezicht voor elke situatie.

Mijn fascinatie voor deze man was zo groot dat ik hem na het sporten vroeg of hij iets met me wilde drinken. Zoiets doe ik nooit, ook niet bij mooie vrouwen of beroemdheden. Juist dan niet, denk ik. Hem vroeg ik het wel en hij zei ja. Om misverstanden te voorkomen besloot ik mijn sessie vroegtijdig af te kappen zodat ik niet met hem onder de douche zou staan. Hij ging nog even door, dus zou ik hem zien in de bar om de hoek. Ook een plek waar ik nooit kom, maar daarom wel passend bij de situatie.

Een klein half uur later zaten we aan een tafeltje bij het raam. Hij met een fruitshake en ik met bier. Ik weet dat dat eigenlijk niet slim is na het sporten, maar ik had er zin in. In sporten niet en dat had ik ook gedaan. Het was bovendien witbier, met citroen.

Wanneer de man dronk leek zijn hoofd op dat van een vleermuis. Wanneer hij niet dronk zag hij eruit als een 18e eeuwse Nepalese monnik. Ik zat daar met een man die voortdurend een totaal ander aura had. Niet door een verandering in zijn gemoed, maar door fysieke veranderingen in zijn gezicht die hem voortdurend tot een vreemdeling maakten. Net als ik dacht een beetje gewend te zijn geraakt aan zijn verschijning had ik te maken met een nieuw persoon. ‘Gaat dat de hele dag zo?’ dacht ik. ‘Past een mens zich continu aan aan alle mensen en dingen die hij voorbij ziet komen?’ Ja, natuurlijk pas je je wel aan, aan het verkeer en de werkplek enzo, maar zou elk ander gezicht dat je ziet onbewust enorme impact op je maken? Zoveel verschillende versies zien van jezelf, een mens, dat moet toch verwarren? Het lijkt me een energieslurpend proces, maar ik vrees dat dat al zo lang gaande is dat de meeste mensen erdoor en –voor zijn afgestompt. Hypergevoelige mensen alleen misschien niet. Mensen met psychische klachten; angsten; paranoia; burn-out. Het is voor sommigen gewoon te veel, al die variaties op zichzelf. Voor mij op dit moment ook.

Het was onder de omstandigheden onmogelijk om over koetjes en kalfjes te praten, dus vroeg ik de man recht op de man af wat er aan de hand was met zijn gezicht. De man keek me in eerste instantie vragend aan, een beetje als een kip, en nam nog een vleermuizenslok van zijn shake. Hij zei niets en maakte de stilte onmiddellijk pijnlijk. Er was geen buffer. Het was allemaal al veel te zot voor enige speling. Ik begon te draaien op mijn stoel en vroeg nog eens, en concreter: ‘Begrijp me niet verkeerd, ik wil u niet beledigen. Maar uw gezicht verandert steeds.’

Nu keek de man niet vragend als een kip, maar verontwaardigd als Mario Balotelli. Echt, hij was daar op dat moment Mario Balotelli. Afgezien van zijn huidskleur veranderde zijn gezicht in dat van de spits van Liverpool, het vermeende supertalent wiens voetballuiheid een grootse carrière in de weg zit (hoewel ik niet geloof dat hij zo goed is).

Mijn fascinatie begon om te slaan in angst. Ik zat tegenover een witte Balotelli met een fruitshake. Ik probeerde een slok van mijn bier te nemen, maar kreeg het niet weg. Ik keek om me heen om te zien of iemand anders het zag, maar de drie mensen in het café waren verzonken in respectievelijk een krant en een fluistergesprek. Ik keek Mario weer aan, maar hij was alweer weg. Tegenover me zat nu een kangoeroe/sprinkhaan-mix met zijn armen over elkaar. Ik nam toch maar een slokje bier. Trillend. Ook de zweetdruppels kon ik niet langer verhullen.

‘Luister, ik weet niet zo goed wat er allemaal aan de hand is, maar het lijkt me dat je een probleem hebt.’

Het hybridedier had gesproken, voor het eerst sinds we in het café zaten. Op mijn vraag of hij wat wilde drinken had hij geknikt met een gezicht als een volle maan en een ‘jahoorprima’ gemompeld.

‘Een probleem?’ vroeg ik. ‘Nee hoor, ik zoek geen problemen.’
‘Kun je me dan vertellen wat er aan de hand is?’ vroeg hij terug.
‘Nou, en nogmaals, dit moet u niet verkeerd opvatten…’
‘Zeg maar ‘je’ hoor,’ onderbrak hij me.
‘O, je. Ja, nee je moet het dus niet verkeerd opvatten. Maar ik zag je zo sporten, eerder, en toen viel het me op dat je er steeds anders uitzag. Het klinkt misschien heel gek, maar je zag er steeds heel anders uit. Meer anders dan andere mensen, zeg maar.’

De man legde zijn armen op tafel en schoof zijn stoel een stukje naar voren. Zijn gezicht leek nu op een wiel. Of liever, een rad, zoals van het Rad van Fortuin, die spelshow met Hans van der Togt en zijn assistent Leontien (toen nog) Ruijters. Een rad dat, als je er aan draaide, een hard tikkend geluid maakte door de wijzer die langs de prijsvakken tikte. Daar leek zijn gezicht op. De verleiding was groot om er niet een hengst aan te geven, maar ondanks de verwarring over de situatie besefte ik nog steeds wel degelijk met een mens te maken te hebben. Dit besef werd mede gecreëerd door het feit dat hij sprak.

‘Ik weet niet zo goed wat je wil horen, maar ja, mijn gezicht zal er zo nu en dan best anders uitzien. Doet het dat niet bij iedereen?’
‘Ja, daar heeft u een punt…’
‘Je.’
‘Sorry, ja, daar heb je een punt. Maar bij u, bij jou, is het erger. Heftiger. Extremer. Uw gezicht wordt steeds echt totaal anders.’

Het rad bleef me stil aankijken. ‘Nogmaals, vat het niet verkeerd op,’ probeerde ik vooral mezelf gerust te stellen.

De man schoof weer naar achteren en sloot zijn armen over elkaar. Hij zuchtte flink, waarbij zijn gezicht letterlijk een leeglopende ballon werd, en schraapte zijn keel. Na deze handeling keek hij me geruststellend aan, als een rijpe grapefruit.

‘Hoeveel van die dingen heb je al op?’ knikte hij naar mijn bier.
‘Dit is mijn eerste,’ schudde ik ontkennend mijn hoofd.
‘Ooooo…’ zei hij, met een hoofd als een O. ‘Je bent van de rokerijen. Vind je dat lekker? Een stickie na het sporten?’

Ik kon me niet herinneren wanneer ik voor het laatst het woord ‘stickie’ had gehoord. Zo noemde men het vroeger, dat wist ik wel. Mijn vader had het er weleens over, wanneer hij viste naar wat ik allemaal wel niet uitspookte na en tijdens school. Meestal was ik te stoned om echt naar hem te luisteren, maar nu niet. Ik blowde eigenlijk nooit meer. Ja, heel soms, met een paar vrienden die daar in zijn blijven hangen. Ten bate van het levellen van de conversatie wil ik dan nog weleens meepaffen. Maar stickie?

‘Nee, ik blow niet. Tenminste, soms wel, maar nu niet.’

De man schoof weer naar voren en legde zijn armen op tafel. Er verschenen diepe wallen onder zijn ogen en zijn voorhoofd nam een lange, bolle vorm aan.

‘Dan weet ik het ook niet,’ zei hij gelaten. Hij nam nog een slok en keek daarbij uit het raam.

Hij wist het niet. Ik ook niet. Wat moest ik doen? Verder vragen? Foto’s van hem maken en die aan hem laten zien? Hem er op wat voor manier dan ook van zien te overtuigen dat zijn gezicht een soort menselijke lavalamp was? Maar dan met concretere vormen? Nee, ik wist het ook niet meer. En dus was het stil, totdat de man weer sprak.

‘Ik ga zo, als je het niet erg vindt.’
Ik keek de man niet aan. Ik wilde niet weten wie of wat dit tegen me zei.
‘Sorry,’ mompelde ik.
‘Sorry?’ vroeg hij.
‘Ja, sorry hiervoor. Dat ik u lastig heb gevallen. Je.’

De man stond op. Hij gooide een 5-eurobiljet op tafel en trok zijn jas aan. Terwijl hij het deed, keek ik hem aan. Hij had een snavel. Hij stond daar verdomme met een snavel zo groot als een banaan zijn jas aan te trekken. De rest van zijn gezicht leek om de snavel heen te smelten. Ik schudde mijn hoofd.

‘Wat?’ vroeg hij.
‘Ehh… hier. Ik betaal.’ Ik pakte het geld en reikte het hem aan.
‘Die is voor jou. Drink er nog maar een paar biertjes van. Je zult ze nodig hebben.’ De man gaf me een knipoog, klapperde zijn snavel een paar keer op elkaar en draaide zich om. Ik kon hem door de ramen buiten nog een stukje volgen en zag dat zijn snavel weer was verdwenen. Er zat nu een neus, een gewone neus, zonder opvallende kenmerken.

Ik wist het niet meer. Ik voelde me verslagen en dronk mijn biertje op. Het zweten was gestopt. Ik moest plassen. Ik stond op en liep naar de wc. De urinoirs roken alsof ze er nog niet klaar voor waren. Pas tegen het weekend, wanneer het café genoeg was opgewarmd door bulderende stemmen en hunkerende lijven, was het in zijn element. Pas dan, grote hoeveelheden urine verwerkend, kwam het tot leven. Nu was het een schrale, doodse bedoening. Zo rook het ook.

Na het plassen waste ik mijn handen. Dat doe ik altijd. Er was nu wel een verschil, want toen ik in de spiegel keek, zag ik niet mezelf. Het aangezicht van een wat bolle, grijzende versie van Christian Bale keek me indringend aan. Ik wist niet wat te doen. Ik wreef in mijn ogen, dronk wat water, gooide het in mijn gezicht, wreef nog eens en keek toen weer. Bale was weg. Wat overbleef was mijn gezicht, maar slechts vaag herkenbaar, gehuld in een lichtgele nevel. Ik voelde een golf van paniek opkomen, daar in het slecht verlichte, doodse toilet. Ik besloot de ruimte te verlaten en liep terug naar mijn tafel. Daar zag alles er hetzelfde uit. Ik pakte de vijf euro van de man en bestelde twee biertjes. Ik dronk ze op en ging weer naar het toilet. Enerzijds omdat ik weer moest plassen, anderzijds omdat ik wilde zien hoe ik er nu uitzag. ‘Je zult ze nodig hebben,’ echode zijn stem in mijn hoofd.

Ze hadden niets veranderd aan de situatie. Nog steeds zag ik er niet uit als mezelf. Deze man, die ik in de spiegel aankeek, had ik nog nooit gezien. Dat hij zijn mond opende op het moment dat ik het deed, of de spiegel aanraakte op het moment dat ik er mijn vinger oplegde, was toeval. Een unieke samenloop van omstandigheden. Dit was niet ik. Maar ik wist het niet meer. Ik wist nog maar heel weinig. Om bevestiging te krijgen van mijn mutatie leek het goed om naar huis te gaan. Mijn vriendin zou me zonder enige twijfel kunnen herkennen als ik mezelf was en me niet herkennen als ik mezelf niet was. Haar herkenning of ontkenning zou bevestigen wie ik wel of niet was en dan zou ik het weten. Wat ik vervolgens met die wetenschap aan zou moeten, na deze volslagen belachelijke middag, viel dan pas te bezien.

Het huis was leeg. Ik nam plaats op de bank en zou daar blijven zitten, in bewegingsloze stilte, totdat mijn vriendin thuiskwam. Toen dat eenmaal gebeurde, liep ze naar me toe en gaf ze mee een zoen alsof er niets aan de hand was. Mijn statische houding deed haar vragen of alles oké was. ‘Ja hoor,’ antwoordde ik met een zucht. ‘Nu wel.’

Het was gewoon het gesprek geweest. Het contact met die man had me verward. Hij had extreem soepele gezichtsspieren en deed daar dingen mee. Verwarrende dingen. Ik had het overdreven in mijn hoofd. Het was niet zo extreem. Misschien had ik wel te hard gesport, te weinig gedronken, zoiets. Dat hoor je weleens, dat mensen dan gaan hallucineren. Het bier zal ook niet geholpen hebben. Nee, dat was het gewoon. Het was de uitputting, -droging en alcohol. Een slechte combinatie! Voortaan ga ik ook aan de fruitshake, dacht ik.

Mijn vriendin kookte die avond. Het was een ovenkip met aardappeltjes en witlof. Heerlijk. Zij kan dat, koken. Ik ook wel, maar minder uitgebreid en verfijnd. Na het eten keken we een serie af – wat altijd een fijn gevoel is, ook al is het soms moeilijk afscheid nemen van de karakters; vooral bij het langdurig volgen van een serie bouw je immers een band met ze op – hadden we seks op de bank en gingen we naar bed. Voor het slapen gaan, liep ik nog even de badkamer in voor het stoken van mijn tanden en het vullen van mijn glas. Tot mijn godsgruwelijke verbazing zag ik, toen ik in de spiegel keek, een hyena-achtige, schuimbekkende kop. ‘Een fucking hyena,’ sprak de hyena in de spiegel. Het tanden stoken kreeg in een klap een heel andere dimensie.

Ik liep terug de slaapkamer in. Mijn vriendin was al bezig de slaap te vatten.
‘Schat,’ zei ik. ‘Kijk eens naar me.’
‘Hmm?’ kreunde ze van onder de dekens.
‘Kijk me eens aan.’
Ze draaide zich langzaam om.
‘Wat is er?’
‘Dat is de vraag. Wat er is. Is er iets?’
‘Vraag je dat nu aan mij?’ zei ze met toegeknepen ogen.
‘Is er iets met mij? Is er iets anders?’
‘Los van het feit dat je dit nu aan me vraagt, niks bijzonders.’
‘O,’ zei ik bijna teleurgesteld.
‘Mag ik nu weer gaan slapen?’
‘Uhu.’

Ik ging naast haar liggen en deed het licht uit. Ik was te moe. Slechts de herkenning door mijn vriendin deed me nog beseffen wie ik was. Wat restte, waren vragen waarop ik het antwoord nu niet zou krijgen.

De volgende ochtend ging ik naar mijn werk. Mijn gezicht had nu de vorm van een eekhoornstaart, of zo’n stoffer waarmee je goed de boeken kunt schoonmaken op de bovenste plank van de boekenkast. Tijdens het fietsen keek ik iedereen aan om te zien of ze naar me keken. En ja, soms keken mensen naar me. Er waren een paar meisjes, een paar jongens, wat brakke toeristen; ze keken me allemaal voor een kortere of langere periode aan, maar ik wist niet of ze dat deden omdat ze me zo knap vonden of omdat ze nog nooit een fietsende eekhoornstaart hadden gezien. Ik wist het niet, nog steeds niet. Maar misschien waren deze mensen ook geen goede test, ze hadden me immers nog nooit gezien. Hoe moesten zij weten of ik er nu anders uitzag dan normaal? Maar mijn vriendin wist dat natuurlijk wel en haar viel ook niets op. ‘Maakt liefde dan echt blind?’ dacht ik. Even zwijmelde ik weg bij de gedachte, want het betekende dat ze na al die jaren nog steeds van me hield, maar het gaf me geen enkele garantie of geruststelling dat ik er normaal uitzag. Normaal zoals eerst. Zoals mezelf.

De echte test zou komen op mijn werk. Hoewel mijn collega’s best gevoelens van affectie voor me koesterden, vermoedde ik dat die collegialiteit ze niet zou verblinden voor de bizarre vormen van mijn gelaat. Bij binnenkomst zag ik in de reflectie van de schuifdeuren dat mijn gezicht de vorm had aangenomen van een kistje wijn. Niet een fles, maar een kistje, met flessen erin. Als een dronkenman met een houten kop liep ik het kantoor binnen. De receptioniste groette me vriendelijk, hoewel zij nog nooit had opgekeken van haar telefoon en me dus niet kon zien. Bij het kopieerapparaat stond Freek. Freek keek wel op en begon breed naar me te grijnzen. Ik hield mijn pas in en keek afwachtend terug. Zou hij het zien? Zou hij met zijn hand naar mijn rechteroog reiken en een flesje opentrekken? Zijn mond opende en hij produceerde een overenthousiast ‘Goedemorgen!’. Hij pakte zijn kopietjes uit de machine, gaf er een tikje tegen, sloeg me op de schouder en passeerde me met een zangerig ‘De week is weer door midden!’.

Niemand op het kantoor zag wat. Ja, ze zagen mij, zoals ze mij kenden. Ook toen mijn gezicht de vorm van achtereenvolgens een eikenblad, een halve fietspomp, twee donuts en een jonge versie van Al Pacino aannam, zagen ze het niet. Dat ze het wel zagen en niet zeiden, leek me hoogst onwaarschijnlijk. Niemand zag het, behalve ik.

En zo bleef het. In de maanden die volgden, deed ik al de dingen die ik altijd deed, zonder dat iemand iets over de vorm van mijn gezicht zei, afgezien van ‘hé, je bent naar de kapper geweest,’ en ‘je ziet een beetje pips.’ Ik zag altijd pips en ging iedere zes weken naar de kapper.

Ik leidde mijn leven zoals ik dat daarvoor had gedaan, met het verschil dat ik mezelf niet meer herkende. Eerst noteerde ik de soorten vormen die mijn gezicht in die tijd had aangenomen in een schriftje. Door de hoge frequentie waarmee mijn gezicht transformeerde, hield ik het op een gegeven moment niet meer bij. Toen mijn vriendin op een dag vroeg waarom ik met een schrift vol willekeurige woorden onder mijn kussen sliep, besloot ik het schriftje maar weg te gooien. Het maakte toch niet uit. Dit was mijn vloek en dat zou ik moeten accepteren.

Om niet gek te worden keek ik maar niet meer in spiegels of reflecterende ramen. Bij het betreden van een draaideur wendde ik steevast mijn blik tot de grond. Ik zag mezelf nooit meer en had daarmee mijn transformaties kunnen ontkennen. Ik vergat hoe ik eruitzag en hoe ik eruit had gezien. Mijn bestaan werd slechts nog bevestigd door de herkenning door anderen. Mijn zijn vertrouwde volledig op hun blik. Totdat er op een dag een jonge man verbouwereerd naar me toe kwam in de sportschool, met de vraag of ik wat met hem wilde drinken.

Windstromm

‘Om louter in de overtreffende trap te spreken moet een mens zich wel erg pietluttig voelen. Diep van binnen, daar waar de twijfel het hevigst woedt. Een man die iets denkt, die dat echt vindt en het vervolgens zegt, zo’n man heeft aan een simpele omschrijving genoeg. Krachttermen zijn voor die mensen die het gevoel hebben zich te moeten doen gelden. Zij, die het gevoel hebben niet verzekerd te zijn van hun plek op deze aarde. Alsof hun bestaan niet onmiddellijk gelegitimeerd werd simpelweg door geboren te zijn. Een milder man dan ik zou het daar mee eens zijn. Ik wil zien uit wat voor hout je gesneden bent. Afhankelijk daarvan gooi ik je op de brandstapel of gebruik ik je voor het bouwen van een huis.’

Aldus Windstromm, de 88-jarige botanicus uit Zeist. Het was dan ook niet meer dan zijn leeftijd waardoor hij de autoriteit dacht te bezitten om dergelijke uitspraken te doen. De auteur speculeert niet graag, maar dat hij zelf nooit zijn mond had opengetrokken en zich als een ware knecht dag in dag uit naar zijn onbetekenende baan als facilitair medewerker van een regionale groothandel had gesleept, terwijl hij zijn eigenlijke passie, DE PLANT, als een onbewaterd bosje chrysanten liet verwelken, moet hebben bijgedragen aan zijn behoefte het in zijn ogen als een megalomane patjepeeër met prestaties en feitenkennis dwepende, voor het overgrote deel grootstedelijke yuppentuig op de plaats te zetten.

Een kenmerkende eigenschap van dwepend yuppentuig is echter dat het zich totaal niet bekommert om de mening van anderen, zeker als die anderen niet ook grootstedelijk en patjepeeënd zijn en al helemaal niet als ze uit ZEIST komen en al helemaal helemaal niet als ze vertegenwoordigt worden door een zowat seniele, met een half been nog in de maatschappij, maar met anderhalf been al in het graf bivakkerende, gefrustreerde, diep verbitterde botanicuswannabe.

Maar Windstromm moest wat. Hij had geen vrouw, was überhaupt nooit getrouwd geweest en had nergens kinderen verwekt. Het ooit zo hevig brandende botanische vuur in hem was gedoofd en afgezonderd van een zielig rijtje cacti was er niets in zijn vergeelde aanleunwoning wat tot de flora gerekend kon worden. Nee, Windstromm was een miezerig hoopje mens. Waarom zou iemand zich ook maar iets van hem aantrekken? Hij was inmiddels zo grijs en zo klein en algeheel onbeduidend (een beetje viezig en riekend ook) dat de gemiddelde voorbijganger allang had gevraagd ‘Waarom? Wat moet dat hier nog?’. Aan wie of wat die vraag in een dergelijk hypothetisch geval gesteld zou moeten worden is overigens geheel onduidelijk. Op de vraag of God bestaat en zo ja, waar hij dan moge bivakkeren, heeft de auteur geen antwoord. Het is een vraagstuk waaraan hij zijn vingers überhaupt niet wil branden, dus als de sodemieter terug naar Windstromm.

Windstromm was dus oud en eigenlijk ook best zielig. In zijn huis, wat eruit zag alsof het ooit verkreukeld was door een reus, stond een stoel waarin hij meestal zat en een stoel waarin hij zelden zat. Er stond ook een bed, maar omdat zitten bij hem meestentijds gelijkstond aan slapen was dat zo goed als ongebruikt. In de huiskamer stond verder een bureau en een kast en in het midden van de kamer een salontafel. Op de tafel stond een enorme lege bloempot. Er zat niets in, geen aarde, laat staan een bloem of plant. Windstromm zat in zijn stoel en keek er onophoudelijk naar. Ook toen de telefoon ging.

‘Windstromm.’
– ‘Hallo Windstromm.’
Windstromms adem stokte. Hij hoefde niet te vragen ‘wie is daar’ want hij wist allang wie daar was. Nog voordat zij ‘hallo’ zei, wist hij al dat het Bettra was, zijn grote, verloren liefde. Niet eens the one that got away, maar everything that got away. Zij was ooit alles en symboliseerde alles wat hij was kwijtgeraakt en alles wat hij door haar afwezigheid nooit had gehad. Want dat zij alles was, had hij toen niet beseft. Daarom was hij gemakzuchtig, afgeleid, niet aanwezig genoeg om haar vast te houden. Want ondanks haar onvoorwaardelijke, aan het absurde grenzende liefde voor hem, wilde ook zij vastgehouden worden, omdat mensen dat nu eenmaal willen. Dat Windstromm dat zelf ook wilde, durfde hij pas veel te laat toe te geven. Wat heet, daar gezeten in zijn versleten, doorgezakte stoel hield hij nog steeds betogen over de zogenaamde geldingsdrang van de onzekere generaties onder hem en was hij te koppig om te erkennen dat hij een fout had gemaakt. Niet zozeer in zijn houding jegens Bettra (hoewel die natuurlijk niet bevorderlijk was voor een lange, warme relatie), maar in het negeren van die fout. In zijn stuurs- en koppigheid; maskers voor zijn diepgewortelde angst.

Want natuurlijk WIST hij wel wat hij had gedaan, of liever NIET had gedaan. Natuurlijk wel. Net zoals hij wist dat hij het liefst zijn leven lang in de aarde had zitten wroeten in zijn zelf samengestelde en door hemzelf bestudeerde hortus botanicus. Natuurlijk wist hij al die dingen, en meer. Hij voelde ze, als warme messen snijdend door zijn roomboterziel. Hij had zichzelf en anderen zoveel ontzegd, maar hij had het volgehouden en hij zou het volhouden, thuis in zijn stoel met de gordijnen dicht, starend naar een lege bloempot. Hij zou het volhouden verdomme! Hij was er immers bijna. 88. Hoe lang nog? Niet meer dan een paar jaar toch? Hij had al niet eens pijn meer. Alles wat was begonnen als pijn toen hij oud begon te worden was nu geen pijn meer. Het was er gewoon. De pijn was normaal, voor zover zijn zenuwen überhaupt nog signalen doorgaven.

Maar nu voelde hij wel. Pijn, ja. En een nog groter palet aan emoties waarmee hij elke schilder naar de kroon zou kunnen steken (misschien niet qua talent, maar wel qua hoeveelheid en variëteit aan verf, hoewel hij nog nooit een schilderpoging had gewaagd en er van talent dus wellicht meer sprake zou kunnen zijn dan in dit stadium te vermoeden valt. Het heeft hoe dan ook geen gewicht in dit metaforische geval). Bettra’s stem was een bliksemschicht die zijn zijn deed oplichten.

‘Windstromm?’ vroeg ze, daar het nu al een halve minuut stil bleef.
Windstromm schraapte zijn keel. ‘Bettra…’

Weer een stilte. Dit keer korter, maar lang genoeg voor Bettra om te merken wat een impact ze had gemaakt.

‘Stoor ik?’ vroeg ze uit gewoonte.
‘Storen? Nee, nee hoor.’

Windstromm voelde wederom de behoefte zijn keel te schrapen. Het schrapen ontwikkelde zich echter al snel tot een hoestaanval. Kuchend en proestend probeerde hij op te staan om zich wat meer lucht te verschaffen, maar zijn broze benen waren niet in staat mee te werken aan een opwaartse beweging van zijn lichaam. Het was bovendien niet alleen zijn lichaam dat gedragen moest worden, maar ook het gewicht van de situatie, van het laatste telefoongesprek wat hij ooit nog had verwacht, maar het eerste waarop hij had gehoopt. Bettra. Bettra. Te midden van zijn gekuch en gehoest vond hij het ineens een hele vreemde naam. Niet dat híj daar iets van kon zeggen natuurlijk, hij was niet eens Scandinavisch.

Door de hoorn van de telefoon hoorde hij Bettra op bezorgde toon zijn naam roepen. ‘Drink wat water!’ riep ze hem toe. ‘Het lukt niet!’ wist hij uit te brengen. ‘Wat lukt niet? Water drinken?’ vroeg ze. ‘Nee! Opstaan!’ proestte hij uit. Windstromm hoestte zo hevig dat zijn hele lichaam heen en weer schudde. Hij had moeite de hoorn vast te houden. De stoel was bovendien van het schommelende soort, iets wat Windstroom nooit deed, hij zat gewoon stil, maar bewoog nu dus met zijn heftige bewegingen mee. Naar voren en naar achteren werd hij gezwiept, totdat het momentum zo groot was dat hij werd gelanceerd en plotseling midden in de kamer stond. Bij de landing evolueerde het hoesten in een enorme nies en daarmee was het klaar. Windstromm zocht automatisch iets om zich aan vast te klampen, maar dat was er niet en dus moest hij zelf blijven staan, iets wat wonderbaarlijk genoeg lukte. Hij was wel zo krom als een banaan dus stond hij half voorover gebogen over de tafel. Hij keek recht in de leegte van de bloempot. Windstromm schraapte zijn keel nog eens voorzichtig, er zachtjes tegenaan drukkend met zijn vingers, ter bevestiging dat het nu echt klaar was en draaide zich voorzichtig om naar de stoel op zoek naar de hoorn. Tot zijn verbazing had hij deze nog steeds vast. In de verte hoorde hij een piepend stemmetje wanhopig zijn naam roepen. Hij tilde de hoorn naar zijn oor en zei: ‘Ik ben er nog.’

Bettra slaakte een zucht van verlichting. ‘Het was niet mijn bedoeling je te laten schrikken…’ zei ze met een toon van schuldbesef. ‘Het is al goed,’ loog Windstromm. ‘Maar mag ik vragen waarom je belt?’

En zo begon Bettra’s relaas. Ze vertelde hoe haar dochter en schoonzoon de zolder aan het leegruimen waren met het oog op Bettra’s aanstaande vertrek naar een verzorgingstehuis. Bettra was immers ook al 86 en had haar heup meermaals gebroken, de rechterheup om precies te zijn, waarvan de laatste keer in de badkamer en de keer daarvoor tijdens een val van de fiets. Bettra’s dochter, Quinta, had daarop in overleg met haar man Tibalt, die niet al te happig was om de steeds intensievere verzorging van zijn schoonmoeder op zich te nemen, besloten dat ‘het misschien tijd werd’ om ‘eens uit te gaan kijken naar een andere woning’. ‘Wat voor andere woning dan?’ had Bettra gevraagd. Ze was immers geenszins van plan te verhuizen. Met behulp van stok en rollator kwam ze eigenlijk overal nog bij en aan en ‘ja natuurlijk’ was het badkamerincident iets om van te schrikken en ‘reden om extra voorzichtig te zijn’, ze wist immers zelf ook wel dat haar gestel nu een stuk brozer was dan tien jaar daarvoor, maar met her en der ‘wat gemonteerde leuningen’, de al eerder genoemde mobiele handvatten (stok, rollator) en ‘wat anti-slip zooltjes onder haar sloffen’ zou het pijnlijke voorval een eenmaligheid blijven. Bovendien kwam er iedere dag iemand van de thuiszorg, wat ze overigens van haar eigen centen betaalde, en kon die haar eventueel helpen met dat wat haar niet was gelukt. Of haar ‘oprapen van de vloer’, als ze daar lag. Om die grap kon Quinta niet lachen en dus was ze geneigd om de suggestie van haar man te volgen. Bettra liet zich uiteraard niet zomaar afschepen naar ‘de wachthal der kadavers’, zoals ze bejaardentehuizen pleegde te noemen, maar toen Tibalt na Quinta ook de coördinator van de thuiszorg en de huisarts aan zijn zijde kreeg, werd Bettra overstemd.

En dus werd er een woning voor haar gezocht. Een ‘mooie’ plek waar ze zich vanzelfsprekend ‘thuis’ zou voelen. Het mocht best wat kosten. Tibalt was niet te beroerd om bij te leggen, mocht Bettra het niet zelf kunnen opbrengen. Quinta was tijdens de zoektocht naar een ‘warm, nieuwe onderkomen met zorg op maat’ vast begonnen met het inventariseren van de woning van Bettra. Deze bevatte nog veel spullen van haar overleden echtgenoot, Stevel, een Schots diplomaat, en die spullen konden wat Quinta betrof ‘wel weg’.

Tibalt en Quinta namen de regie over Bettra’s leven over en degradeerden haar daarmee tot figurant. Lijdzaam zag ze hoe haar vertrouwde nest stapsgewijs werd ontdaan van alles wat het vertrouwd maakte. Het eerste slachtoffer was het bureau van Stevel. Een enorm bruin apparaat dat volgens Quinta ‘al het licht in het huis absorbeerde’, waar Bettra nooit aan zat en waar nog steeds wat van Stevels attributen op lagen: een briefopener, puntenslijper, nietmachine, perforator (zo’n oud, groot zwartkleurig apparaat) en een leesliniaal. Stevels ogen waren nooit heel goed geweest, dus toen ze eenmaal slechter werden, duurde het niet heel lang voordat ze te slecht waren om goed te kunnen lezen. Het leesliniaal vergrootte de letters en bood hem houvast tussen de regels door. Iedere ochtend had ze hem zien zitten, steeds langzamer de kranten doorspittend. Maar dankzij het liniaal bleef hij op de hoogte van wat de wereld bezighield en dat gaf hem het gevoel er nog deel van uit te maken. Totdat hij op een morgen niet meer wakker werd. Toen was er van gevoel geen sprake meer, maar werd hij ter aarde besteld en maakte hij meer deel uit van de wereld dan ooit tevoren. Zonder dat hij het wist. Zonder dat hij nog iets wist.

Zijn leeslamp, zijn stoel (ook van het schommelende soort. Een functie die Stevel wél ten volle benutte), wat plakboeken met krantenknipsels, het moest allemaal weg. Wat ze toen al besefte, maar wat Quinta bleef proberen te verhullen, was dat in principe alles weg zou gaan. In het verzorgingstehuis zou Bettra een bed krijgen en een kast. Misschien zelfs een tv. Verder wat kleurplaten aan de muur van de kleinkinderen, af en toe een bos bloemen, maar van haar ‘spullen’ zou niets meer over zijn. Het zou er ook niet toedoen, want hoe lang zou ze er nog gebruik van kunnen maken? Op een dag zou haar woning toch leeggeruimd worden, of ze nou leefde of niet. Wat heet! Ze mocht blij zijn dat ze het nog kon meemaken! Waarom was haar overigens niet helemaal duidelijk.

‘Sorry,’ onderbrak Bettra zichzelf. ‘Ik ratel maar door, maar je weet nog steeds niet waarom ik bel.’ ‘Geeft niet,’ antwoordde Windstromm, die haar stemgeluid alleen maar fijn vond. Ze had hem de IKEA-gids kunnen voorlezen en dan nog had hij er graag naar geluisterd. Hij had niet eens door dat hij nog steeds stond, gebogen over de bloempot. Haar monoloog had hem zijn broosheid doen vergeten, iets waar zijn benen helaas nog steeds wel van doordrongen waren. Zijn fascinatie voor deze vrouw hield hem staande, of deed hem in ieder geval vergeten dat staande blijven voor hem geen vanzelfsprekendheid was. Met knikkende knieën luisterde hij verder.

‘Goed, ik zal wat bondiger proberen te zijn. Meer de kern zien te raken,’ zei Bettra zo vastberaden mogelijk. ‘Waar was ik? O ja…’

Ze vervolgde door te vertellen dat het niet lang duurde voordat de zolder aan de beurt was. Terwijl Tibalt en Quinta samen een kast uit elkaar probeerden te halen, hoorden ze hun dochtertjes, de tweeling Anne en Mara, giechelend aan elkaar voorlezen. ‘Moet je deze horen,’ zeiden ze om beurten, gevolgd door het theatraal voordragen van een passage.

‘In de woestijn van het leven vond ik een spaarzame bron. Opgejaagd door de drukte verdwaalde ik in de leegte. Achter me hoorde ik niets dan hoongelach, voor me de weidsheid van de bergen. Alle kanten kon ik op, een vorm van absolute vrijheid. Tegelijkertijd was ik gevangen in de beperking van mijn eigen gedachtes. Jij brak me los uit het patroon. Jij liet me zien dat ik overal heen kon. Sinds jou ben ik geboren, daarvoor was ik slechts de belofte van een mens.’

‘HAHAHAHAHAHA!’ schaterden de meisjes het dan uit. Woorden als ‘boezem’, ‘begeerte’ en ‘verrukking’ kwamen voorbij. Ze hielden het niet meer. Pas toen Tibalt kwam uitzoeken wat er nou zo grappig was, zag hij dat ze een doos vol brieven hadden gevonden. De meeste waren zo’n 60 jaar oud en allemaal werden ze afgesloten met ‘Al mijn liefs, Windstromm’. Tibalt maande de meisjes de brieven terug in de enveloppen en in de doos te doen, hopend dat Quinta ze niet had horen voorlezen. Hij wilde zijn vrouw niet onnodig shockeren met de onstuimige liefdesgeschiedenis van haar moeder, zeker niet als deze zou betekenen dat ze Stevel niet trouw was geweest. Bettra stond bekend als een integere vrouw, een eigenschap die Quinta van haar had gekopieerd, en Tibalt wilde die deugd niet in het geding brengen.

Maar waar Tibalt als boekhouder over het algemeen uitstekend met cijfers overweg kon had hij zich hier misrekend. Bettra en Stevel hadden elkaar pas in 1956 leren kennen. Deze brieven waren gedateerd van de jaren ervoor en duidden dus niet op ontrouw. Het was dus maar goed dat Tibalt, terwijl hij met de doos brieven de zoldertrap afdaalde, een trede miste en viel. Dat hij hierbij zijn pols kneusde was vervelend, maar dat Quinta nu kon zien wat er écht in de doos zat, terwijl Tibalt bij het verlaten van de zolder op haar vraag wat hij weg ging gooien had geantwoord met ‘O, gewoon wat oud papier’, betekende dat zij haar moeder, haar lieve, oude, o zo integere moeder, kon vragen wie Windstromm was.

Windstromm. Het horen van de naam had haar adem doen stokken, net zoals hem gebeurde bij het horen van haar stem.

Terwijl Bettra vertelde hoe ze de brieven stuk voor stuk teruglas en tijdens het lezen de onbedwingbare behoefte voelde om hem te spreken, begaven de benen van Windstromm het. Met een doffe klap viel hij op de grond, alwaar hij nu in gebogen houding naast de tafel lag. Hij had nog geluk dat hij niet óp de tafel viel en nu bedolven lag onder de scherven, of erger. Bettra hoorde aan de andere kant van de lijn vooral een hoop gekraak. Voor de tweede keer tijdens het telefoongesprek maakte ze zich zorgen. ‘Windstromm! Windstromm!’ riep ze. In de verte hoorde ze gekerm. ‘Windstromm!’ riep ze nog eens, uit volle borst. Enigszins bekomen van de schrik hoorde hij naar nu ook. Voor zover hij het kon inschatten had hij geen ernstige verwondingen opgelopen, maar opstaan lukte hem niet meer. Alle kracht was uit zijn benen weggevloeid. Met de laatste kracht in zijn armen lukte het hem nog de hoorn naar zich toe te draaien.

‘Ik ben gevallen!’ hijgde hij.
‘O nee!’ riep ze bezorgd. ‘Ben je gewond?’
‘Nee, maar ik kan niet meer opstaan.’
‘Wat zeg je?’
‘Ik kan niet meer opstaan!’
‘O… Kun je niet opstaan?’
‘Dat probeer ik je te zeggen!’
‘O… En je optrekken aan iets?’
‘Ik heb geen kracht meer. Geen kracht meer.’

Windstromm moest huilen. Het was hem teveel geworden. Hij had alle impulsen die zijn dagelijkse routine ook maar enigszins hadden kunnen ontwrichten jarenlang op afstand gehouden, maar nu, na Bettra’s telefoontje en haar verhaal, hulpeloos liggend op de grond, was zijn verzet gebroken.
‘Ik heb geen kracht meer…’ snikte hij.
‘Windstromm…’

Ineens wist Bettra wat ze moest doen. Ze moest naar hem toe.

‘Waar woon je?’
‘Het komt wel goed… Ik moet gewoon even rusten. Dan komt het wel weer goed.’
‘Doe niet zo gek, ik kom naar je toe.’
‘Nee, nee, niet doen. Niet hierheen komen. Dat kan je niet…’
‘Je klinkt net als mijn dochter en schoonzoon. Ik weet zelf wel wat ik kan. Ik kom naar je toe. Ik heb die nieuwe heup nog nauwelijks kunnen gebruiken. Wat is je adres?’
‘Fazantenplein 12.’
‘Tot zo Windstromm. Blijf rustig liggen.’
‘Ik kan niet anders…’

Bettra trok zich, niet zonder moeite, aan de handvatten van haar rollator op uit haar stoel. Ze rolde zichzelf naar de kapstok en trok haar jas aan. Dit deed ze altijd zittend op het plateautje van de rollator, daar waarop ze de koekjes en cakejes en kopjes neerzette voor haar gasten. Iedere keer weer kreeg ze dezelfde kreten naar zich toe geslingerd als ze zich uit haar stoel omhoog hees om iets lekkers te pakken: ‘Dat doe ik wel!’ ‘Blijf toch zitten!’ ‘Mam, doe nou niet zo eigenwijs!’ Ze trok zich er niks van aan. Het duurde misschien 20 minuten voordat ze terug was, maar ze kreeg het voor elkaar. Soms viel er wat om, een blik lekkers of zijzelf, maar ze kwam altijd terug met versnaperingen. Nu zat ze dus op dat plateau, met haar oude kont in de kruimels, en probeerde ze haar jas aan te trekken. Dat ging niet zo makkelijk. Ze was behoorlijk stijf en al een tijdje niet meer naar buiten geweest, dus de soepelheid van de handeling ontbrak.

Ze had natuurlijk aan Quinta of Tibalt, die nog steeds op zolder haar materiële leven aan het ontleden waren, kunnen vragen of ze haar konden helpen. Los van haar eigenwijsheid, naast integriteit haar meest in het oog springende eigenschap, had ze weinig vertrouwen in de bereidwilligheid van haar dochter en schoonzoon om haar alleen op pad te laten gaan. Daarom was dit een missie die ze in haar eentje moest aangaan. Die jas zou ze aankrijgen en het lukte ook. ‘Sleutels,’ dacht ze. ‘Nergens te bekennen. Dan maar zonder sleutels.’ Bettra trok zichzelf omhoog van het plateautje, draaide zich om, pakte met één hand een handvat en deed met haar andere de deur open. Niemand hoorde iets en weg was ze, op weg naar de lift.

Eenmaal buiten trok ze haar kraag op. Er stond een waterkoude wind. ‘Een sjaal was geen overbodige luxe geweest,’ mompelde ze tegen zichzelf. Maar teruggaan was geen optie en dus ging ze voorwaarts, richting de bushalte. Fazantenplein. Lijn 4 moest ze hebben. Zou die nog rijden? De laatste keer dat ze met de bus ging, kon ze zich niet eens meer herinneren.

De bushalte bevond zich vlak voor haar huis, maar was omringd door zand en lint en oranje pionnen. Ze probeerde zich een weg door de ravage te banen om het oranje plakkaat te kunnen lezen dat over de vertrektijden heen was geplakt. De lettertjes waren eigenlijk te klein voor haar staarderige, waterige ogen en haar bril had ze natuurlijk (ook) niet bij zich, maar ze kon uit de woorden ‘tijdelijk’ en ‘buiten’ en ‘gebruik’ opmaken dat ze door zou moeten lopen naar de volgende halte. Haar missie was nog geen vijf minuten onderweg en had al flink aan complexiteit gewonnen. Maar Bettra Hoevenkamp zou Bettra Hoevenkamp niet zijn als ze daar op dat moment rechtsomkeert had gemaakt en terug naar binnen was gegaan, terug naar het huis wat haar huis niet meer was, en dus liep ze door.

Ze kwam langs de bakker waar Stevel altijd vers brood voor hen kocht. Iets verderop passeerde ze de tabakszaak waar Tibalt voor Stevel zijn favoriete sprietsigaartjes haalde toen Stevel het zelf niet meer kon. De dokter vond dat Stevel die troep niet meer aan moest raken, maar Stevel weigerde zich ‘zijn laatste pleziertje’ af te laten nemen, iets waarop de dokter iedere keer weer schouderophalend de kamer verliet. Ze kwam langs de bloemenzaak, de slager, de opticien, de ijzerhandel… Winkels waarmee hun dagelijkse routine ooit werd bevolkt, maar waarvan het bezoeken niet meer was dan een vale herinnering. De mensen die nu in de winkels stonden waren jong. Jonger dan zij in ieder geval. Op een dag zouden ook zij oud zijn en dan zouden anderen de boodschappen voor hen doen. Bettra zou dan al dood zijn, dacht ze. Die winkels zouden misschien niet eens meer bestaan. ‘Het is vluchtigheid troef in dit leven,’ filosofeerde ze. ‘Laat ik dus maar als de donder mijn weg vervolgen.’

De bushalte was in zicht. Het was er druk. Ze hoefde niet lang te wachten tot de bus kwam. Ze meende door een enkeling vragend te worden aangekeken: ‘Bent u niet veel te oud om zomaar los op straat te lopen.’ ‘Nee hoor, het werkt allemaal nog prima!’ antwoordde ze, terwijl niemand de vraag daadwerkelijk had gesteld. Nu keken ze haar wel aan, maar niet te lang; oude mensen praten immers weleens in zichzelf.

De bus stopte. Net op het moment dat ze betwijfelde of ze wel op zou kunnen stappen bood een man haar zijn arm aan. Zijn vriendin ontfermde zich over de rollator. ‘Dank u wel,’ was ze vriendelijk. Toen de buschauffeur haar naar haar OV-chipkaart vroeg en Bettra’s gezicht in een vraagteken veranderde, was er her en der wat gezucht te horen, maar daar trok Bettra zich niets van aan. ‘Ik heb geen watdanook-kaart. Ik heb een missie.’ De buschauffeur draaide met zijn ogen en maakte met zijn hand een gebaar van ‘loop maar door’. Dat deed ze niet.

‘Kunt u mij waarschuwen bij het Fazantenplein?’
‘Ja hoor,’ antwoordde de buschauffeur.
‘Dank u wel.’

Bettra nam plaats en de bus vervolgde zijn weg. Ze kwam langs plekken waar ze al 20 jaar niet meer was geweest. Hele woonwijken van vroeger waren vervangen door anonieme flatgebouwen, glimmend in het winterse zonlicht. Ze werd overmand door het besef waar Stevel altijd zo doordrongen van was geweest; dat de wereld aan haar voorbij was getrokken. Ze was niet meer actief, droeg niet langer haar steentje bij. Ze stond aan de zijlijn. Niet om in te vallen, maar wachtend op het laatste fluitsignaal. Zelf had ze dat nooit zo ervaren. Via Stevel hield zij contact met de actualiteit. Zelf had ze genoeg aan boeken en muziek. Ook kon ze prima gewoon ergens zitten. Zitten en kijken en luisteren en verder niets. Simpelweg zijn.

Bettra raakte zo overmand door gevoelens van melancholiek dat ze bijna vergat waarom ze ook alweer op pad was. Windstromm had haar hulp nodig. Hij had het niet willen toegeven, dat had hij nooit, maar het was wel zo. Vroeger ook al, toen ze nog jong en ondernemend waren. Ondernemend. De pijn van Bettra’s kunstheup baande zich een weg door haar vastberadenheid. Ze had in het afgelopen uur meer gelopen dan in de hele maand daarvoor en dat deed zich voelen. De harde zitting van de stoel werkte ook niet mee. ‘Ik hoop dat ik er snel ben,’ mompelde ze tegen zichzelf. Alsof de buschauffeur het hoorde, riep hij ‘Fazantenplein!’ Bettra via de achteruitkijkspiegel aankijkend. Ze probeerde onmiddellijk op te staan, voor zover het woord ‘onmiddellijk’ nog betrekking had op haar handelen, maar de vaart van de bus hield haar tegen. Ze zou moeten wachten totdat de bus tot stilstand was gekomen. Dan zou ze zichzelf omhoog hijsen – wellicht met enige ondersteuning -, naar de uitgang schuifelen – misschien met wat assistentie-, en dan aan een arm het afstapje af worden geholpen. En zo geschiedde.

Windstromm lag ondertussen nog steeds op de grond. Hij had geprobeerd zich te verplaatsen, maar toen hij niet kon bedenken waarheen had hij de poging gestaakt. Hij kon wel bewegen, maar niet genoeg om op een locatie te komen van waar hij zich zou kunnen optrekken, als hij dat überhaupt nog kon. Dus lag hij daar. Al een goed uur inmiddels. ‘Zou Bettra nog komen?’ vroeg hij zich af. ‘Waarschijnlijk niet. Waarom zou ze een oude lafaard als ik van de grond willen komen rapen? Alsof ze me iets verschuldigd is. Als de rollen omgedraaid waren geweest, tja, dan was ik er geweest. Denk ik. Dat dacht ik vroeger immers ook, maar toen was ik er ook niet. Niet genoeg. Niet meer. Ik was weg.’ Windstromm voelde weer tranen opborrelen. Hij kon zich niet herinneren wanneer hij voor het laatst had gehuild. Misschien was het al een halve eeuw geleden, maar nu lag hij daar te snikken, voor de tweede keer vandaag.

Zijn spijtgedachtes deden hem inmiddels pijn. Daar hij faalde ze te onderdrukken besloot hij ze uit te spreken. ‘Sommige mensen zeggen dat je nooit spijt moet hebben. Dat spijt nergens goed voor is. Nou mensen, ik heb het en kan jullie melden dat het inderdaad nergens goed voor is. Maar ik heb het wel. Het is er, het steekt, het brandt, en ik weet niet hoe ik het vuur kan blussen.’

Er rolden nu dikke tranen over zijn wangen. Hij kon er de ironie wel van inzien.

Net toen hij zijn relaas richting het absente publiek wilde vervolgen ging de bel. En nog een keer, vergezeld van geklop. Zijn naam. Iemand riep zijn naam. ‘Windstromm! Windstromm, ben je daar?’ Voor de tweede keer in tranen, voor de tweede keer die stem. ‘Bettra!’ riep hij terug. ‘Bettraaaaaaa!’

‘Kun je opendoen?’
‘Ik lig nog steeds op de grond!’
‘Kun je niet bewegen?’
‘Nee!’
‘Heb je het geprobeerd?’
‘Ja!’
‘En het lukt niet?’
‘Nee!’

Het bleef even stil.

‘Echt niet?’
‘Wacht even…’

Windstromm probeerde uit alle macht, met alle kracht in alle spieren die zijn lichaam nog niet in de steek hadden gelaten, te bewegen. Wat dan ook, welke kant dan ook op. Het resultaat viel tegen: zijn voeten wapperden wat op en neer.; zijn rechterknie boog zich naar voren en weer terug; hij hoorde ergens in de verte een bilspier ‘hoi’ zeggen en zijn armen maakten een soort kikvorsbeweging. Maar hij was geen kikker en hij ging geen kant op.

‘Het lukt niet!’
‘O… Hebben de buren geen sleutel?’
‘Nee. Niemand heeft een sleutel.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat ik ze niet vertrouw! En dat rotkind van ze loopt hier voor de deur altijd rotjes af te steken, het hele jaar door, als een soort Chinees!’
‘Zijn ze Chinees?’
‘Nee! Als een SOORT Chinees!’
‘Ik snap het niet…’
‘Laat maar… Niemand heeft een sleutel!’
‘Oké.’

Bettra dacht na. Of tenminste, dat probeerde ze. Er waren drie dingen aan de hand die haar daarvan beletten. Ten eerste: de kou. Haar neus en oren voelde ze al niet meer. Haar ogen traanden zo hevig dat ze bijna niets meer zag en haar kunstgebit trilde zowat uit haar mond. Ten tweede: de pijn. Haar heup, die geen heup was maar een schroef en een bout, wilde niet meer. En haar lichaam wilde niet meer met de heup. Het ding werd niet geaccepteerd als volwaardig lid van het bottenstelsel en dus hadden de overige beenderen de armen over elkaar geslagen en fluitend een beetje naar de einder staan turen. Bettra stond er alleen voor en dat was precies wat ze niet meer alleen kon: staan. Ten derde: de whisky. Bettra had tijdens de busreis in het laatje van haar rollator een flesje Glenmorangie gevonden dat Stevel daar altijd in stopte als ze ergens naartoe gingen. Hij dronk niet veel, maar zonder whisky kon hij niet leven. Het was, zoals hij het zelf pleegde te noemen, zijn ‘laatste schakel met Schotland’. Het land van de bergen en de schapen wat hij verder miste als kiespijn. Bettra had er als remedie tegen de spanning en de kou een paar flinke teugen van genomen en waar een paar kleine teugjes al genoeg waren geweest om de geheelonthoudster in een diepe dut te doen afdalen waande ze zich nu in een draaimolen. Haar laatste herinnering aan een dergelijk recreatief kermisapparaat dateerde van zo’n 60 jaar geleden. De drank was als een ware archeoloog bezig geweest een gat in haar geheugen te graven. Laag na laag was blootgelegd, en nu stond ze daar voor het huis van de man die in haar diepste herinneringen was mee begraven. En nu ze daar zo stond, wankel en bevroren, voelde ze weer de liefde die ze ooit voor hem had gevoeld. Een liefde zo sterk dat alles in slow-motion leek te gaan. Een draaimolen in slow-motion, in zwart-wit. Windstromm en zij, in de draaimolen, in zinnenprikkelend Technicolor. Het was Stevels whisky die haar deed ontwaken. Het was evenzo de whisky die haar vertelde wat ze nu moest doen.

‘Windstromm, ik ga even wat proberen. Tot zo.’
‘Wat zeg je? Bettra? Bettra!’

Bettra reageerde niet. Windstromm was in de war. Hij had haar niet goed verstaan, de hele dag al niet. Ze was weg en hij wist niet waarheen. ‘Misschien is ze toch naar de buren.’ dacht hij. ‘Ik hoop het niet. Ik gun het ze niet me hier zo te zien liggen. Ach, ze hebben toch geen sleutel… Maar straks bellen ze een slotenmaker. En dat kan ik dan zeker gaan betalen! Besodemieterd dat ze zijn! Ze had nooit moeten komen. Ik zei nog zo dat ze niet moest ko-‘

Windstromms zin werd afgebroken door een luide knal, gevolgd door het geluid van brekend glas.

‘Wat gebeurt er? Wie is daar? Wat is er aan de hand?’

Het bleef stil. Wat gerommel en gekraak. Voetstappen, meer brekend glas. Een hoog gepiep, van iets wat aanloopt. Een wiel. Ja, dat was het, een aanlopend wiel, zoals van een kreupel winkelwagentje.

‘Hallo?’ riep hij nogmaals, met wapperende voeten en samengeknepen billen.
‘Hallo Windstromm,’ zei Bettra’s hoofd, dat zijn zicht op het plafond ontnam.

Hij zuchtte een enorme zucht van ontspanning. De tranen sprongen wederom in zijn ogen. De stem had nu een gezicht. Een gezicht dat hij ooit zo goed had gekend. Ouder, maar van een onverwoestbare schoonheid.

‘Hier, pak deze stang met je ene hand en deze met je andere en probeer je dan een stukje omhoog te trekken. Die kun je nu wel neerleggen,’ doelde Bettra op de telefoonhoorn die hij nog steeds vasthield.’ Windstromm volgde haar instructies zonder iets te zeggen op. Kreunen deed hij wel, maar daarin had hij nauwelijks een keuze.

Een kleine zes minuten later zat Windstromm in de stoel waarin hij zelden zat, die was immers dichterbij. Bettra schuifelde naar de andere. Windstromm gromde. Bettra draaide zich om. ‘Mag ik hier zitten,’ vroeg ze. Knikkend antwoordde hij. Bettra liet haar oude kont langzaam in de stoel zakken, waarbij ze de kunstheup dacht te horen piepen. ‘Wat was dat lawaai?’ vroeg Windstromm. ‘Mijn kunstheup,’ antwoordde Bettra. ‘Hè? Maakte je heup al dat kabaal daarnet?’ ‘Nee, dat was mijn rollator. Of liever, het effect van mijn rollator geworpen door jouw glazen ruit.’

Windstromm probeerde zijn nek naar de keuken te draaien om te zien wat de schade was, maar ook die kracht ontbeerde hij. Hij vermoedde het ergste.

‘Is het erg?’
‘Mwah. Een beetje tochtig misschien, meer niet,’ zei Bettra schouderophalend. Windstromm hoestte.

Bettra keek naar de bloempot. ‘Heb je daar geen plant voor?’
Windstromm schudde zijn hoofd.
‘Maar ik herinner me dat je zo van planten hield?’
‘Ik heb geen potgrond meer,’ bromde hij.

Bettra keek hem aan, terwijl Windstromm strak naar de bloempot bleef kijken. Bettra draaide haar hoofd weer terug. Windstromm wierp een vluchtige blik naar rechts, naar de liefde van zijn leven die hem vandaag had gered. Bettra voelde het en glimlachte. Windstromm draaide zijn blik weer naar de bloempot. Ze staarden er samen naar.

‘Je hield zoveel van planten. Soms dacht ik dat je meer van planten hield dan van mij.’
‘Dat dacht ik soms ook.’

Windstromm stak zijn trillende hand uit. Bettra pakte hem trillend vast. De trillingen leken elkaar op te heffen en de handen bleven stil in de lucht.

‘Morgen kopen we een plant. Anders is het zonde van die pot.’ Windstromm knikte. Bettra wees naar de telefoonhoorn op de vloer. ‘Maar laten we nu eerst een glaszetter bellen, anders maken we morgen niet meer mee.’ Windstromm lachte. Bettra ook. Ze bulderden van het lachen. Samen, in een slecht verlicht, verkreukeld huis. Gezeten voor een lege bloempot, op de tocht, terwijl ze buiten de wereld aan hen voorbij lieten trekken.

Appeltaartmix

I

‘Die appeltaart was niet goed meer. Ik heb je gewaarschuwd, maar je bent zo verdomd eigenwijs.’

Doris zat, terwijl ze haar haren uit de wc-pot probeerde te houden, niet op Sarahs betweterij te wachten. Vooral het hooghartige toontje waarop Sarah haar voortdurend terechtwees, schoot bij Doris in het verkeerde keelgat. Het keelgat waar nu zoveel zure appeltaartgal uitkwam.

De situatie deed Doris een beetje denken aan die keer dat ze op kosten van haar partner, Alfons-Park von Hempten, samen een midweek naar Brazilië waren geweest. Los van de duur van de trip, die gerust als te kort bestempeld mag worden, was vooral de plek waar ze naartoe gingen een flinke tegenvaller.

In haar enthousiasme had Doris, op de vraag van Alfons-Park naar welke Braziliaanse stad ze het liefst zou willen gaan, geantwoord met ‘de hoofdstad natuurlijk!’. De met opgetrokken wenkbrauwen gemompelde ‘Ok…’ van Alfons-Park werd door haar niet opgemerkt en dus ook niet bevraagd. Zo kwam het dat zij en Sarah vijf dagen lang in Brasilia – vijftig jaar geleden uit de grond gestampt en door de bewoners getypeerd als ‘saaie werkstad’ – doorbrachten in plaats van hossend op een carnavalscar in Rio.

Ook toen had Sarah geen enkele moeite gedaan om haar minachting voor de gift en haar gulle gever te verbloemen. Met opmerkingen als ‘Nou, mooi hoor, dat beton,’ en ‘Ik vraag me af hoe het in nu Rio is,’ had ze bij Doris op niet geheel subtiele wijze een gevoel van schaamte en onzekerheid opgeroepen. Dit gevoel zou later, op specifieke momenten in hun vriendschap, steeds weer de kop op steken. Doris was zich er in het begin nauwelijks van bewust, maar kreeg na verloop van tijd (en hints van Alfons-Park in de trant van ‘Is die Sarah bij tijd en wijle niet een manipulatief wicht dat jou een minderwaardigheidscomplex bezorgt met haar laatdunkende gedoe en gedaan?’) een groeiend besef van de afgunst die haar beste vriendin motiveerde. ‘Beste’ in dit geval dus tussen aanhalingstekens.

Zelfs nu Doris met haar hoofd kokkend boven de plee hing, kreeg ze geen steun in de vorm van een glaasje water, of het ophouden van de haren – zoals vrouwen in tijden van zwangerschap dat bij elkaar plegen te doen -, maar sneren, vegen van onder uit de pan.

‘Kick me while I’m down!’ wilde ze roepen. In het Engels, omdat die uitspraak het beste haar gevoel verwoordde. Kick me. While I’m down. ‘Geef me een schop, terwijl ik op de grond lig!’ Doris had gelijk. Het Engels was in deze een krachtiger taal om haar gevoel tot uiting te brengen. Bovendien lag ze half, of zat ze tenminste geknield, zodat het hele ‘down’ ook van toepassing was op haar situatie. Maar ze riep het niet. Ze slikte het, langs de laatste stukken opgehoeste appel, in.

Sarah sloeg haar armen over elkaar, voor zover ze dat nog niet had gedaan, stond met een bitter gezicht op en verliet de badkamer. Vlak voor ze de deur dichtsloeg, wist Doris een verbeten gemompeld ‘slapjanus’ te ontwaren. Ze verzamelde de laatste galresten uit haar mond en spuugde ze in de wc-pot. Ze stond op, pakte een handdoek en veegde haar mond af. Vanuit de huiskamer was te horen hoe Sarah de televisie had aangezet. Mensen probeerden elkaar in een Amerikaans praatprogramma te voorzien van advies. Gewone mensen, zoals Sarah en zij, gingen bij elkaar te rade. Dit waren geen levenslange vrienden, maar vreemden, bijeengebracht door het productieteam van een talkshow. Natuurlijk kon men onder het op het oog nobele streven om mensen te helpen de intenties van de programmamakers om enorme sloten met geld te verdienen herkennen. Natuurlijk kon men dat. Maar de mensen in dat programma, hoe commercieel van aard ook, vonden daadwerkelijk steun bij elkaar. En bij de gezette, bebaarde tv-dokter en zijn opengetrokken blik aan deskundigen.

Dat was wat Doris miste. Ze verwachtte niet dat haar ‘beste’ vriendin alles wat ze deed en liet leuk vond of bewonderde, maar zo nu en dan wat steun was toch niet teveel gevraagd? Dát is wat vriendschap inhoudt: er voor iemand zijn, ondanks al diens zwakte en lelijkheid.

Deze gedachtes en haar lege maag maakten Doris emotioneel. ‘Alfons-Park,’ dacht ze. ‘Alfons, ik heb je nodig.’

II

Met opgetrokken kraag stond ze niet veel later voor de deur van een vrijstaand chalet in de bossen rond Baarn. Het regende en ze was in de emotie haar paraplu vergeten. Zonder Sarah aan te kijken had ze haar jas gepakt en was ze naar buiten gebeend. Nu stond ze al een halve minuut voor de gesloten deur van Alfons-Parks buitenverblijf, doorweekt.

Ze had hem niet kunnen bellen, want hij ‘deed niet aan mobiele telefoons’. Hij vond het woord ‘mobiel’ ten aanzien van telecommunicatie misleidend. Mobiliteit was voor hem vrijheid, iets wat werd gehinderd door een ‘continue staat van bereikbaarheid’, zoals hij het pleegde te noemen. Als je Alfons-Park wilde spreken, moest je mazzel hebben, en die had Doris nu even niet.

Om de tijd te doden besloot ze een stukje te gaan wandelen. De inmiddels vergeelde oktoberbladen van de bomen rondom het chalet zouden haar meer beschutting tegen de regen kunnen bieden dan het lekkende afdakje. Achter het huisje begon een pad dat naar het dorp leidde. Ze had nog geen twintig meter gelopen of ze werd opgeschrikt door het rottende karkas van een kat. Ze sloeg haar handen bijeen en maakte een klein sprongetje, vergezeld van een hoge, korte gil. Net op dat moment hoorde ze de Range Rover van Alfons-Park aan scheuren. Ze draaide zich om en rende terug richting het chalet.

Alfons-Park, een slanke, niet Franse versie van Gérard Depardieu, had het portier nog niet achter zich dichtgegooid of hij werd bedolven onder een hevig geëmotioneerde Doris.

‘Toe maar, toe maar,’ zei hij troostend. ‘Wat is er loos mijn lief?’

Doris wist tussen het snikken nauwelijks verstaanbare kreten uit te brengen. ‘Het… het is… Mis… Misselijk, en toen Sarah, en ruzie en toen ik… Toen ik… De ka-ka-kat. De kat! Ohoohoohh!’

‘Kom maar, we gaan naar binnen. Daar krijg je thee en een deken.’ Doris liet zich door Alfons meevoeren, niet dat ze nog iets anders kon.

Ze zat met haar knieën opgetrokken naast Alfons-Park op een comfortabele sofa. Ze dronk voorzichtig van de kamillethee die hij haar had ingeschonken en at een bonbon.

‘Lekker,’ zei ze.

‘Ach dat weet ik toch mijn lief, maar ik vermoed dat jij hier niet doorweekt en riekend naar kots heen bent gesjeesd om mij te complimenteren met de heerlijkheid van mijn bonbons!’

Ze knikte. ‘Het is Sarah,’ en ze barstte weer in snikken uit.

‘Ach kom toch hier.’

Alfons-Park trok haar naar zich toe, maar duwde haar weer van zich af op het moment dat de zure braakwalmen zijn reukorgaan bereikten.

‘Is het zo erg?’ vroeg Doris beschaamd.

‘Nou ja, erg… Laten we het erop houden dat die bonbon je op ’t moment misstaat.’

Doris wist niet zo goed hoe ze hierop moest reageren. Ze werd verscheurd tussen het lichamelijke verlangen met hem te knuffelen en de neiging om verder bij hem vandaan te gaan zitten om niet nog meer kwetsende opmerkingen te moeten incasseren. Maar ze hoefde niet te kiezen. Alfons-Park stond op en rekte zich eens goed uit. Hij liep naar de andere kant van de kamer en plofte neer op een turquoise Fatboy die naast de open haard stond.

‘Kijk, deze jongen,’ bulderde hij terwijl hij op de zijkant van de Fatboy sloeg, ‘deze dikzak is betrouwbaar. Hij staat altijd hier, naast de open haard, en ik weet dat wanneer ik er op neer plof, hij me op zal vangen.’

Doris keek hem vragend aan.
‘Zo moeilijk kan het toch niet zijn?’
Doris veegde haar neus af en fronste haar wenkbrauwen.
‘Je bedoelt dat Sarah onbetrouwbaar is.’
‘Voilà.’

Doris snapte waarom Alfons-Park de vergelijking trok, maar er was toch iets aan de manier waarop hij het deed wat haar tegenstond. Ze wist het woord niet precies. Het was iets Frans. Iets met een ‘h’.

‘Ik weet niet of ik haar onbetrouwbaar zou noemen,’ zei ze zo vastberaden mogelijk. Alfons-Park slaakte een kreet van verbijstering.

‘Ha! Je wilt toch mijn advies, of niet?’
‘Ik wil dat je me troost.’
‘Ach, troost is voor slappelingen mijn lief. Zwakke schepsels, zoals de kat.’

Doris voelde een schokgolf door haar lichaam gaan. Als ze niet al zoveel had gekotst, zou ze weer moeten. Maar ze was leeg, op een bonbon na. De walging maakte echter al snel plaats voor logica.

‘Die kat? Wat is er met die kat?’
‘Ach dat beest liep hier al een week te zwerven, miauwen; aandachttrekkerij. Dus toen heb ik het wicht een lesje geleerd.’

Wicht? Alfons-Park noemde Sarah ook altijd een wicht.

‘Wat heb je ermee gedaan?’

Alfons-Park zweeg en keek naar een hoek van de kamer. Daar zag Doris tot haar ontsteltenis een bebloede golfclub staan.

‘Je mag ‘m best lenen,’ grijnsde hij kwaadaardig.

Ze wilde vragen ‘Meen je dit?’ maar ze wist het antwoord al. ‘Ja,’ hij meende het. Hij had het altijd gemeend.

Doris gooide de deken van zich af en stond op. Met trillende benen liep ze naar de kapstok.

‘Wat denk jij te gaan doen?’

Ze richtte zich met haar laatste krachten tot Alfons-Park.

‘Je hebt ons toentertijd expres naar die Braziliaanse, betonnen woestijn van bureaucratie gestuurd, zodat Sarah enerzijds jaloers zou worden op de aanwezigheid van een gulle man in mijn leven en we anderzijds een rotweek zouden hebben in een land van carnaval en caipirinhas, iets wat extra spanning op onze toch al onder druk staande vriendschap zou zetten, met als doel dat jij mij voor jezelf zou winnen, zonder bemoeienissen van Sarah, mijn beste vriendin (zonder aanhalingstekens). Ik huiver bij de gedachte wat je hier in je vochtige chalet met me had gedaan als ik alle banden met de buitenwereld had verbroken.’

Ze wierp nog een blik op de golfclub, trok haar jas aan en liep naar buiten, terug de regen in.

Alfons-Park bleef verbouwereerd achter, onderuitgezakt in zijn zak van EPS-parels.[1]

III

Bij thuiskomst viel Doris bijna flauw. Haar maag: leeg. Haar benen: slap. Haar hart: vol. Ze poogde Sarah te roepen, maar kon haar stembanden niet aanzetten tot meer dan een hijgerig gepiep. Zich vastklampend aan de ziekenhuisgroene (een idee van Alfons-Park) muren, wist ze de woonkamer te bereiken. Geen Sarah. Met trillende handen haalde ze haar telefoon uit haar binnenzak en probeerde ze Sarah te bellen. Dat trillende handen en touchscreens (een cadeau van AP) een uitermate slechte combinatie zijn, werd haar op dat moment zo helder als het felle licht dat vanuit haar ooghoeken naar binnen trok. In de verte hoorde ze een doffe klap. Telefoon? De tweede klap hoorde ze niet, maar voelde ze, vlak nadat het licht uitging.

Niet veel later, een kwartier wellicht, maar misschien zelfs korter, kwam Doris weer bij. Ze voelde de polen van het tapijt tegen haar wang drukken terwijl iemand haar aaide. Het was Sarah. Ze probeerde zich om te draaien, wat slechts met enige hulp lukte.
‘Wat is er gebeurd?’ kraakte ze.
‘Ik kwam thuis en je lag op de grond.’
‘Hoe lang al?’
‘Weet ik niet, want ik kom net binnen. Maar ik denk ongeveer een kwartier. Misschien zelfs korter.
‘Oef…’
‘Hier, laat me je helpen.’

Sarah legde Doris’ arm om haar nek en bracht haar voorzichtig naar de bank. Op het moment dat ze haar los wilde laten, trok Doris haar dicht tegen zich aan en gaf ze haar een kus op de wang. In een poging Sarah te vertellen wat er allemaal was gebeurd, wist ze slechts ‘Alfons-Park…’ uit haar keel te persen.

‘Sshhh… Het is al goed.’

Sarah wist allang wat ze wilde zeggen. Sarah had het altijd geweten, maar ook zij, koppig als ze was, vond het moeilijk om zich kwetsbaar op te stellen terwijl haar vriendin gevoelsmatig steeds verder van haar verwijderd raakte.

‘Waar ben je geweest?’ vroeg Doris.
‘Boodschappen,’ wees ze naar een omgevallen tas, vlak naast de plek waar Doris had gelegen. Er lagen wat producten verspreid over de vloer, waaronder een pak appeltaartmix.

[1] Kleine, glasachtige harde bolletjes, waarin het blaasmiddel pentaan is opgenomen.