The Last Dance

Net als de rest van de wereld, maar wel iets later, heb ik The Last Dance gezien, de nietsverhullende 10-delige documentaire over de carrière en het leven van Michael Jordan, aka de beste basketballer aller tijden, aka de GOAT, aka misschien wel de grootste atleet ooit – hoewel ik Roger Federer even hoog inschaal – aka Air Jordan, His Airness, MJ – hoewel ik bij die initialen toch eerst aan Michael Jackson denk -, aka de drijvende kracht achter het succes van de Chicago Bulls in de jaren 90.

Excuus voor de alinealange zin, maar ik lees nu ‘De Verrader’ van Paul Beatty en die trekt zinnen soms paginalang door, bijvoorbeeld wanneer hij een stadsboerderij beschrijft, of wanneer hij uitweidt over hoe zijn vader hem gebruikte als sociaal experiment. Wat ik lees begrijp ik maar half, deels door de stijl, deels door de voortdurende verwijzingen naar (Afro-)Amerikaanse cultuur en geschiedenis, die ik eigenlijk maar oppervlakkig ken. Of ik ben voor sommige boeken gewoon niet slim genoeg. Vroeger was dat iets waar ik me voor kon schamen.

The Last Dance snap ik wel, wat wil zeggen dat ik het kan volgen. Ik ben nooit een basketbalfan geweest, maar Michael Jordan oversteeg de sport. Zijn naam was een begrip, met talloze associaties, ook voor mensen die nog nooit een basketbalwedstrijd hadden gezien. Zijn stijl, de Nikes, de outfits van de Bulls: ze definieerden een tijdperk. Ik werd nostalgisch toen ik de docu keek, ook al heb ik Jordan nooit zien spelen, behalve in Space Jam.

Lang leefde bij mij het kinderlijk naïeve idee dat Jordan zo goed was omdat hij het gewoon was. Dat hij, maar ook Sampras, Van Basten en Schumacher de besten waren in hun sport omdat ze het meeste talent hadden en hun prestaties daar ‘vanzelf’ uit voortkwamen. Alsof het dus ook geen zin heeft om te oefenen of ergens hard voor te werken, want je hebt het nou eenmaal of niet.

The Last Dance toont dat talent een vereiste is, maar de drijvende kracht achter Jordans succes kwam voort uit zijn obsessie de beste te zijn. Om altijd te winnen, tegen elke prijs. Als het moest, stond hij er. Steeds weer. Ja, hij had meer talent dan zijn tegenstanders en medespelers, maar het was zijn competitieve instelling en de drang om zo goed te zijn als hij kón zijn die zijn succes bepaalden.

In aflevering 8 wordt verteld hoe LaBradford Smith, die in een wedstrijd 37 punten tegen de Bulls had gescoord, volgens Jordan na afloop van de wedstrijd cynisch ‘Nice game, Mike’ tegen hem had gezegd. Jordan was daarover zo verbolgen dat hij beloofde in de eerste helft van de return evenveel punten te scoren als Smith in de hele voorgaande wedstrijd. En dat deed hij. Jaren later ging het gerucht dat Smith nooit iets tegen Jordan had gezegd. Toen Jordan ernaar werd gevraagd bleek dat hij het had verzonnen, puur om zich te motiveren voor de wedstrijd. Een beter voorbeeld van zijn competitiedrang is er niet.

De Jordan van nu, die in de docu afgewisseld wordt met een schat aan archiefbeelden, is nog steeds competitief, maar met de blik op een vervlogen verleden. Hij komt kwetsbaar over, met bloeddoorlopen ogen en een vaak trillende stem. Zijn mond lijkt licht verkrampt in een poging voortdurend opborrelend verdriet tegen te houden.

Mist hij de sport? De competitie? De extase van het winnen? Of is het gewoon weemoed? Want als ik er al nostalgisch van word, hoe moet hij zich dan voelen?

Witte schommelstoel

Ik weet dat ze er zijn, de mensen die zich afvragen waarom anderen, zoals ik, op social media ‘nu ineens’ zwarte content plaatsen. En met zwart bedoel ik niet content die letterlijk zwart is, maar die relateert aan zwarte cultuur en de politiek die de belangen van de zwarte mens behartigt. Content die wordt gevoed door het huidige, wereldwijde protest tegen racisme.

Wat ik deel varieert van linkjes naar zwarte muziek tot ‘eye-opening’ citaten van zwarte activisten, nog levend of allang dood. Ik deel muziek die ik al jaren ken, maar waar ik nooit écht naar heb geluisterd. Muziek met lyrics die vertellen over de frustratie en pijn van een levenslang gevecht met scheve kansen.

‘Is dat niet te makkelijk?’ zullen mensen misschien denken. ‘Ben je niet hypocriet, om je als wit kereltje ‘nu ineens’ op te werpen als ambassadeur van de zwarte zaak? Waarom deed je dat eerder niet? Wat maakt jou zo’n lichtend voorbeeld?’

Ik weet zeker dat mensen – mijn witte vrienden op social media – zich dit afvragen, want ik vraag het mezelf ook af.

Er zit een bepaald ongemak bij. Ik twijfelde dan ook om dit stuk te plaatsen, ook omdat ik bang ben fouten te maken als ik me over dit onderwerp uit, maar juist vanwege die twijfel moet ik het doen, denk ik. Het ongemak vertelt me dat ik de confrontatie met mijn eigen overtuigingen moet aangaan.

Dat racisme bestaat, op verschillende manieren, uiteenlopend van expliciet tot subtiel, weet ik. Dat heb ik altijd geweten, opgroeiend in het gemêleerde Den Haag, met een rijk kleurenpalet aan vrienden. Maar pas nu ben ik ervan doordrongen. Van mijn eigen rol in dat proces, hoe onbedoeld en onbewust ook. Van de enorme voorsprong – hij is echt gigantisch – die ik heb op zowat elk ander mens omdat ik een witte man ben. Die ook nog eens geboren is in de gegoede middenstand. In een van de rijkste landen ter wereld. Laat dat kraslot maar achterwege, de loterij heb ik allang gewonnen.

Het is zo’n gigantisch voordeel dat het bijna crimineel is. En wat ik nu besef, is dat je in dat besef niet achterover kunt leunen. Het is niet ‘mijn’ schommelstoel, die ik op basis van merites heb verdiend. Het is een scheve gift, een stoel die schommelt over het gigantische nadeel van anderen heen, die niet geheel toevalligerwijs minder wit zijn dan ik. Dát is privilege en privilege impliceert een disbalans. Waar de één meer heeft, levert de ander in.

Dus deel ik nu, door het ongemak heen, en ondanks het mogelijke oordeel van anderen in vergelijkbare schommelstoelen, inhoud die mij wat leert en dus ook leerzaam kan zijn voor anderen. Dat is het minste wat ik kan doen. Nee, het is te weinig, maar laat het de eerste stap zijn in een hobbelig leerproces.

Ik doe dit niet om mijn morele straatje schoon te vegen, maar omdat ik denk dat we in een veel vrediger en liefdevoller wereld kunnen leven. Die komt met evenwicht en wederzijds begrip, zoals bijna alle geluk, en is buiten bereik als hele bevolkingsgroepen aan het kortste eind blijven trekken.

In het Verenigd ootje

De ‘outrage’ in het Verenigd Koninkrijk om de strapatsen van Dominic Cummings is te begrijpen. Voor wie het heeft gemist: Vorige week bleek dat Cummings, topadviseur van Boris Johnson, eind maart de mede door hemzelf opgestelde lockdown-regels overschreed door met zijn vrouw en kind naar een familieboerderij in Durham te rijden, 260 mijl van Londen, om zich met zijn gezin te isoleren bij zijn ouders. Zij konden eventueel voor zijn zoontje zorgen, mochten hij en zijn vrouw daar door de ziekte niet meer toe in staat zijn. Later bleek dat hij nog wel vaker op en neer was gereden, en in zijn verweer tegen de storm aan kritiek stelde hij dat een van die ritten een ‘testrit’ was om te kijken of hij wel kón rijden. Covid zou zijn zicht hebben aangetast. Britten die al twee maanden thuiszitten, en van wie velen familieleden zijn verloren die ze niet konden bezoeken of begraven, zijn zwaar over de zeik. En terecht.

De focus ligt vaak op Amerika en het nog steeds verbazingwekkende gedrag van haar politiek leider(s), maar in het VK is het natuurlijk ook al tijden een ‘shitshow’ zonder weerga.  Vooral daar is de afstand tussen de (politieke) elite en ‘het volk’ enorm. Zowat elke politicus komt van een private school – meestal Eton – en de rest van de bevolking heeft geen tanden. Uiteraard een grove overdrijving, maar het punt is dat de Britse volksvertegenwoordigers geen enkele voeling hebben met het volk dat zij vertegenwoordigen.

Het drama rond de Brexit toonde vooral onderlinge wrevel en de complete absentie van saamhorigheid onder politici. Het volk had iets gekozen, zonder goed te weten wat, met jarenlang bekvechten tot gevolg. Nu is er dan een regering, eentje met het mandaat om Brexit door te voeren, en blijkt uit het omgaan met een heel ander soort crisis – een humanitaire – dat die weinig op heeft met haar electoraat. Men voelt zich en masse in het ootje genomen en dat gevoel zou weleens op één lijn kunnen liggen met de realiteit.

Het verschil tussen de VS en het VK is dat Donald Trump zich in ieder geval nog gedraagt zoals hij is: een ongemanierde demagoog zonder stijl of historisch besef. Met name Engeland is het land van de tradities. Van bescheidenheid en beschaving. Maar de ordinaire hufterigheid ligt daar nu al enige tijd in zijn blootje op straat. Dat was voor de buitenwacht ook het amusante aan de Brexit-saga: hoe een natie gebouwd op schone schijn in rap tempo haar mantel van beschaving verloor. Nu maakt die nog immer heersende zweem van voornaamheid de situatie alleen maar potsierlijker.

John Wilson, een man die zijn vrouw eind maart aan Covid-19 verloor, schrijft in een open brief aan een parlementslid dat hij door de lockdown niet bij zijn zieke vrouw kon zijn in de twee weken voordat ze stierf en haar niet meer heeft gezien voordat hij haar as ophaalde. Hij bleef onder zware emotionele omstandigheden thuis, voor het welzijn van zijn medeburgers. Wilson, en velen met hem, vinden het onverteerbaar wat Cummings heeft gedaan. Dat Johnson hem vervolgens in bescherming heeft genomen omdat hij te belangrijk voor hem is maakt ze nog kwader.

Na het lezen van de brief zag ik een fragment van Skynews waarin een parlementslid een vraag van de bisschop van Leeds voorgelegd krijgt: ‘Moeten de mensen in Groot-Brittanië het leugenachtige en manipulatieve gedrag van de premier en de zijnen zomaar accepteren?’

‘I wish him well’, antwoordt de politicus.

 ‘My goodness, is that all you have to say?’ vraagt de presentator met ingehouden verbazing.

‘I wish him well,’ herhaalt de man stoïcijns.

Een bepaalde terughoudendheid en snobisme hebben het Brits-zijn altijd getypeerd, maar in combinatie met de blinde schaamteloosheid van de huidige regering en het dedain voor haar burgers is het niet meer dan gênant.

Apocalyptische regenballen

Ik wilde dit stuckje beginnen door te stellen dat ik niet bang ben aangelegd, maar besefte op tijd dat dat totaal niet waar is. Ik heb er zelfs een heel boek over geschreven, die angst, dus het zou gek zijn als ik nu iets anders ga beweren. Ik doe alsnog veel dingen die ik eng vind en ben in sommige situaties misschien helemaal niet zo bevreesd als ik denk, maar de angst is er, verhinderend of latent. Ook/juist nu zowel zieke als niet zieke mensen in de greep zijn van een virus.

Het was gisteren papadag en te midden van de kinderkakafonie besloot ik de persco van Rutte toch maar even aan te zetten. Terwijl hij uitsprak dat evenementen met meer dan 100 mensen worden afgelast en iedereen aanraadde vooral thuis te blijven barstte de hemel open. Druppels als kauwgomballen spatten uiteen op onze ruit, misschien was het wel hagel. Ik dacht aan alle stormen van de afgelopen maanden, de opwarmende aarde, stijgende zeespiegel, onuitroeibaar racisme, geweld en alles MH17 – wat door de start van het proces tegen de vier verdachten deze week weer naar de oppervlakte van het bewustzijn drijft – en kon me niet aan de indruk onttrekken dat de Apocalyps nabij is.

Dit was tevens het moment waarop ik besefte dat ik in mijn leven te veel films heb gezien waarin de wereld aan haar einde komt, maar verdomd, nu zou het nog gaan gebeuren ook. ‘De mensheid verdient dit,’ sprak ik hardop uit, terwijl mijn zoontjes aan mijn broekspijpen trokken. Het is het gevolg van onze arrogantie, ons gebrek aan respect voor de natuur en voor elkaar en het tanende besef dat wij zelf deel uitmaken van die natuur, waaraan we nu op hardhandige wijze worden herinnerd.

Maar deze noodlottige gedachtes ontwikkelden zich vervolgens tot iets hoopvollers, naar: ‘Dit is wat de mensheid nodig heeft.’ Omdat de hele wereld op het moment in de ban is van hetzelfde fenomeen is er meer eenheid dan ooit, zo ervaar ik dat tenminste. Verbondenheid in zorgen om de toekomst, al is het maar om één van de vele prangende zaken waar we ons collectief zorgen om zouden moeten maken.

Er zijn mensen die zeggen dat het tot stilstand komen van de wereld, of van het krioelen van de mens over die wereld, ons een moment van bezinning kan bieden. Het afbuigen van de besmettingscurve is de grote oefening in mindfulness waar we als soort zo aan toe zijn. Ik betwijfel dat. Niet de behoefte aan pauze, maar aan het heilzame effect van gedwongen mindfulness. De mensen die al mindful leven of daarvoor openstaan zullen inderdaad nog ‘mindfuller’ worden. Maar de mensen wie dat vreemd is, zij die over lijken gaan om hun doel te bereiken, zullen de crisis als gevolg van het virus slechts uitbuiten. Kijk maar naar Trump, die de uitbraak in de VS aangrijpt om Europa te dissen met een politiek symbolisch inreisverbod. Ondertussen neemt het land nauwelijks maatregelen om het virus binnenshuis in te dammen en is het voor de meeste Amerikanen onbetaalbaar om zich te laten testen op corona, of om zich te laten behandelen indien ze het hebben.

Dagelijkse persconferenties en uit de lucht vallende regenballen ten spijt wil ik niet doemdenken, maar je gaat er wel van denken. Verschillende scenario’s schieten door mijn hoofd, van wel en nog niet bestaande films. Ik voel eenheid, saamhorigheid misschien wel, vanwege het gemeenschappelijke belang, maar beweeg me voorlopig op microniveau: thuis, met de kinderen dansend aan mijn broekspijpen, met een rationele hoeveelheid wc-papier, paracetamol en pasta in de voorraadkast. Genoeg om mijn angsten te bedwingen en anderen die mogelijkheid niet te ontnemen.

Lees het artikel op de website van Het Parool

Droogste ooit

Man, wat was juli droog. Het was de droogste maand OOIT, aldus verschillende media. Met andere woorden: nog NOOIT viel er in juli zo weinig regen. De maand bevatte bovendien een paar van de (bijna) warmste dagen OOIT en nog NOOIT was het zo warm in Amsterdam.

Iemand op Twitter begreep niet hoe al die weerberichters nou konden weten dat het nog NOOIT zo warm was geweest. Ze ergerde zich aan het overdreven, onnauwkeurige taalgebruik. ‘ZO IRRITANT!’ schreef ze. ‘Hoe kunnen ze nou weten hoe warm het op de aarde is geweest in de miljoenen jaren die de planeet al bestaat?’

‘Nou, mevrouw op Twitter,’ antwoordde ik toen in mezelf, ‘de aarde bestaat zelfs al 4,5 miljard jaar en dus lijkt het me inderdaad sterk dat we met zekerheid kunnen stellen dat het nog NOOIT zo warm was als in juli. En dan gaat het ook nog eens om Nederland hè, wat in al die miljarden jaren op hele andere plekken op de aarde heeft gelegen, in deze vorm zelfs helemaal niet bestond en waarvan het dus welhaast onmogelijk is om te beweren waar wat ooit is gebeurd, laat staan hoe warm het was, wat iemand dan had moeten meten op die daar op dat moment niet bestaande landmassa. Dus afgezien van een feitelijke onjuistheid deel ik uw verontwaardiging!’

Ter geruststelling van de vrouw en mezelf probeerde ik een en ander te factchecken bij de dino’s, maar die waren allemaal dood. Met andere woorden: we hebben nu de minste dino’s OOIT. Met andere woorden: nog NOOIT waren er zo weinig dino’s als nu.

Ik maak me regelmatig schuldig aan de hyperbool van ‘Het Ultieme’. Dit was ‘het beste concert ooit’ of ‘de slechtste pizza van mijn leven.’ Die tweede uitspraak is al minder ‘onjuist’, omdat het daar puur over mijn eigen leven gaat en niemand zo goed weet hoeveel vieze pizza’s ik heb gegeten als ikzelf. Maar de vraag is of ik echt nog van alle pizza’s die ik (ooit) heb gegeten weet hoe goed ze waren, en of dit dan van al die pizza’s de allerslechtste was.

Allerslechtste, nog zoiets: iets is gewoon het slechtst, of het best, of de eerste. Er is niet een eerste en dan daarvoor of -na nog de eerste van allen.

Ik weet al deze dingen, en toch zet ik taal vaak op deze manier in om een punt te maken. Moeten we elk woord dan op een goudschaaltje wegen? Het was vorige maand warm, daar zijn we het allemaal over eens. En dat gebeurt echt nooit.

Festival zonder eind

Het is vaak een zwaktebod om te praten over het weer. Het is een last resort, het onderwerp dat je aansnijdt als er verder geen gemeenschappelijke interesses zijn met degene met wie je, al dan niet gedwongen, bent aangewezen op een gesprek. Met het weer hebben we immers allemaal te maken. Het is overal en dat zijn wij, mensen, ook. We delen dus in de invloed die het weer op onze levens heeft.

Zwaktebod of niet, ik wil het toch even over het weer hebben. Iedereen die de afgelopen tijd buiten is geweest zal gemerkt hebben dat de zon scheen. Elke dag. Hard en lang. Zonliefhebbers houden kunnen hun lol niet op. ‘Heerlijk weertje’, en ‘Ik hoef deze zomer helemaal niet weg!’ zijn veelgehoorde kreten. Op social media vliegen de zonovergoten plaatjes met daarin gepinde temperaturen van het moment (bedankt daarvoor) je om de oren. Men vaart over grachten en meren, laaft zich aan liters witbier en rosé en de landen rond het Middellandse Zeegebied worden met de dag overbodiger. Naast echte Italiaanse buffelmozzarella en authentiek gedroogde fuet hebben we nu immers ook de zon, dus waarom zouden we die noodlijdende economieën nog langer subsidiëren?

Het voordeel van dit weer is dat ik minder op mijn telefoon zit. Vroeger checkte ik elke dag wel een paar keer meerdere weerapps, zodat ik kledingtechnisch goed uitgerust op pad kon gaan. Nadeel is dat ik allemaal truien en lange broeken heb waarvan ik niet weet of ik ze ooit nog zal dragen. Het concept van ‘de jas’ doet inmiddels ridicuul aan en ‘shawl’ en ‘paraplu’ zijn leenwoorden die ik met plezier retourneer aan de respectievelijke Engelse en Franse eigenaren.

De felgroene parkieten die tegenwoordig de scepter zwaaien in de Amsterdamse parken twitteren alsof ze de hoofdact zijn op het hipste festival van het jaar. En daar doet deze uitbundige, niet-aflatende zomer wel een beetje aan denken, een festival. Een heel leuk festival, waarvan je niet wilt dat het stopt. De zon die dag in dag uit schijnt is als de dj die nog één plaatje draait. Het uitzinnige publiek juicht, neemt nog een slok, hijs of snuif en gaat nog een keer naar de wc. Na de laatste plaat komt er nóg één. De verlenging van het feestgedruis wordt gevierd met nog meer drank, nog meer eten en nog meer drugs. De dj is niet te stoppen, hij blijft draaien, het feest druisen. Maar op een gegeven moment is het water en eten op en zijn de Dixies vol. Mensen raken uitgeput en uitgedroogd. Ze zijn verbrand en hun oren suizen als een permanente kiestoon. Één voor één gaan ze naar het weggedanste gras, de dj als laatst, vlak voordat hij zijn allerallerlaatste plaatje opzet. Het boeit verder niet, want de stroom is op dat punt allang uitgevallen.

Elke dag zon was vroeger een bonus. Nu merk ik dat ik te weinig korte broeken heb. Het is superchill dat ik minder op mijn telefoon kijk en dat ik niet meer hoef na te denken over korte of lange mouwen, maar ik lees tegelijkertijd over het ‘neerslagtekort’ en vraag me af of het wel verantwoord is langer dan vier minuten/elke dag te douchen. 

We praten over het weer omdat het invloed heeft op onze levens, maar misschien is het tijd om te praten over de invloed die onze levens hebben op het weer.

Lees het artikel op de website van Het Parool.

Psychologische inversie

Er is dus een soort psychologisch ding met mij aan de hand waarbij ik alles waartegen ik stelling neem niet veel later doe of koop of gebruik of eet.

Voorbeeld: gisteren zei ik tegen Daniel dat ik nooit meer wit brood eet. Dat ik het ‘gewoon echt niet lekker’ vind en liever bruin brood eet. Een witte boterham met kaas? Doe normaal. Daniel was het met me eens, maar nuanceerde me (zoals altijd) door te zeggen dat sommige dingen juist heel lekker zijn op wit brood, bijvoorbeeld haring of een kroket (op een wit bolletje) of een witte boterham met pindakaas.

Ze had helemaal gelijk, maar ik vond toch dat ik wel even lekker stelling had genomen tegen wit brood. En het was ook heel volwassen dat ik haar nuancering accepteerde.

Vandaag was ik in de supermarkt en zag ik een heel lekker uitziend brood liggen. ‘Dat ziet er lekker uit,’ dacht ik, en ik kocht het. Wat bleek toen ik thuiskwam en de boodschappen uit de tas haalde? Het brood is wit.

Dit gebeurt dus de hele tijd, in tal van situaties. Als ik zeg dat ik een week niet ga drinken zit ik de volgende dag nog voor het avondeten aan het pils. Als ik zeg dat ik gezonder moet eten, doop ik mijn kin terstond in een schaal kebab en als ik paginagroot in Het Parool verkondig dat ik het WK in Rusland om moreel-politieke redenen aan me voorbij laat gaan stopt mijn zapgedrag de volgende avond bij Portugal – Spanje. Door de eerder door mij genomen stelling is genieten van het bier of de kebab of het voetbal uitgesloten, dus naai ik mezelf dubbel. Lekker aangeschoten voetbal kijken met een schuldgevoel. Ik noem het psychologische inversie, want dat klinkt beter dan ruggegraatloosheid.

Het komt erop neer dat ik wat ik mezelf ontzeg/opleg juist ga verlangen/vermijden. Op zich niet vreemd – verboden vruchten smaken het lekkerst -, maar toch vind ik (en Daniel ook) mezelf in deze situaties vaak een dwaas eikeltje.

Verder zag ik op Twitter een video van een persconferentie van het Witte Huis, waar een journalist aan press secretary Sanders, zelf een moeder, vroeg of ze geen empathie voelt voor de gezinnen immigranten die aan de Amerikaanse grens uit elkaar worden gerukt wanneer de ouders gescheiden van de kinderen in kampen worden ondergebracht. Mevrouw Sanders gaf geen antwoord op de vraag en vond dat de journalist niet zo veel zendtijd voor zichzelf moest opeisen.

Toen dacht ik: er komt een hoop banale idioterie uit dat land, enerzijds een overschot aan dom/onwetendheid, maar anderzijds en vooral een gebrek aan empathie. En wat ik nu merk, is dat ik mijn empathie voor de VS ook kwijtraak. Laat de San Andreasbreuk zich maar horizontaal openen en de hele bedorven pleurisbende opslokken, denk ik nu.

Wat ik verder denk, is dat ik zo een witte boterham met pindakaas ga smeren.

WK had nooit in Rusland gehouden mogen worden

Donderdag begint het WK voetbal in Rusland. Normaal gesproken zou dat heel leuk zijn, omdat Nederland normaal ­gesproken aan dat soort toernooien meedoet en nog wel­eens (verrassend) ver wil komen. 

Maar Nederland heeft zich niet gekwalificeerd. Normaal gesproken zou dat erg zijn, want we zijn een voetbalnatie en op geen moment zo verenigd als wanneer Nederland om de knikkers speelt, maar nu is het toernooi in Rusland, waar het nooit gehouden had mogen worden. 

Dankzij minutieus onderzoek van het Joint Investigation Team, belast met de taak om te achterhalen wie en wat de MH17 tot neerstorten heeft gebracht, weten we nu wat we al vermoedden: dat een Russische brigade, geleid door een Russische kolonel-generaal, verantwoordelijk is voor het transporteren en afvuren van de Buk-raket waarmee vlucht MH17 uit de lucht is geknald. Rusland ontkent, want het onderzoek is uitgevoerd zonder Russische deelname. 

Het verweer: hoe kan Rusland de bevindingen zomaar vertrouwen? De beelden die als ‘bewijs’ dienen zijn vast bewerkt om Rusland erin te luizen. Het onderzoek van het JIT is onderdeel van een uitgebreide, westerse campagne om Rusland tot boeman van de wereld te maken, aldus de Russische propagandamachine.

Poetin werd vorige week geïnterviewd op de Oostenrijkse tv. Op herhaalde vragen van de journalist Armin Wolf of het niet eens tijd wordt om de betrokkenheid bij de MH17-crash toe te geven en excuses te maken aan de nabestaanden, bleef Poetin glashard ontkennen. 

Voor nabestaanden is dát wat nu vooral wringt. Het gemis van familie en geliefden is permanent – een scheur in de ziel die met geen cement te dichten is – maar dat de schuldige zijn kont blijft ­keren in ontkenningen en manipulaties, frustreert tot op het bot.

Om het gevoel te verduidelijken wilde ik hier een vergelijking maken met een slachtoffer van een brute moord, en hoe de nabestaanden, om de zaak af te kunnen sluiten en verder te gaan met hun leven, closure nodig hebben in de vorm van een schuldige. Iemand die wordt aangewezen als verantwoordelijke voor het leed, of beter, iemand die de verantwoordelijkheid zelf neemt. Maar die vergelijking hoef ik niet te maken, want dat is exact wat er aan de hand is.

En straks is de verantwoordelijke voor deze misdaad gastheer van het grootste voetbal­evenement ter wereld. Sport dient idealiter te verbroederen, maar broederschap kan niet gebaseerd zijn op een leugen.

Ja, de Nederlandse overheid neemt nu stelling, maar had dat al eerder moeten doen door het Nederlands elftal terug te trekken uit (de kwalificatie voor) het toernooi. Of de Fifa had het voortouw moeten nemen en het toernooi moeten verplaatsen, misschien wel gewoon naar Nederland, dat samen met België ooit in de running was om het WK te organiseren.

En anders hadden de regeringen van de deelnemende landen gezamenlijk de beslissing moeten nemen het WK in Rusland te boycotten, want van een corrupte organisatie als de ­Fifa kunnen we geen voortrekkersrol verwachten. Er bestaan immers sterke vermoedens dat zowel Rusland als Qatar – waar arbeiders net als de piramide­bouwende slaven in het oude Egypte omkomen tijdens het bouwen van stadions in de woestijn – die toernooien heeft gekocht.

Nu ben ik ‘blij’ dat Nederland zich niet heeft gekwalificeerd, want dat maakt het makkelijker om niet te kijken. Maar ook zonder te kijken weet ik dat Poetin straks glimlachend in zijn presidentiële loge in het stadion zit, met een wuivende hand als groetgebaar naar het juichende publiek. 

Achter die glimlach gaat de kennis schuil over wat er precies is gebeurd op 17 juli 2014, op dat slagveld in Oekraïne. Die kennis hebben wij nu ook, en toch wordt er vrolijk gevoetbald. Het is moeilijk om daar kalm onder te blijven, zelfs als de tv uit staat.

Lees het stuk op de website van Het Parool.