Sensory seekers vs Papa eindbaas

Er kwam op Instagram een video voorbij van een vader die met zijn kinderen stoeit. De vraag die in de video wordt gesteld is: ‘Are you doing rough and tumble play at the right time for your sensory seeker?’ In eerste instantie dacht ik dat ‘sensory seeker’ een omslachtig Amerikaans woord voor jong kind is, maar toen ik het opzocht bleek dat een sensory seeker een kind is ‘met een hoge neurologische drempel of een hele grote sensorische emmer die gevuld moet worden met sensorische input.’
 
Volgens deze definitie wijken sensory seekers dus af van ‘gemiddelde’ kinderen omdat het langer duurt voordat hun zintuiglijke prikkelbeker vol zit. Aangezien zowat elk kind dat ik ken hieronder lijkt te vallen kunnen we concluderen dat het inderdaad een omslachtig en ook wat aanstellerige Amerikaanse term is om jonge honden mee te duiden.
 
In de caption wordt toegelicht dat de beste stoeitijd vlak voor bedtijd is. Stoeien helpt kinderen hun energieniveau te reguleren, draagt bij aan het lichaamsbewustzijn, vermindert stress ‘and so much more’.
 
Verdomd, dacht ik toen ik het las. Mijn kinderen willen altijd na het avondeten met me stoeien. ‘Papa Eindbaas?!’ roepvragen ze dan, alsof ik de Bowser ben aan het einde van hun level, oftewel dag.
 
Ik heb er niet altijd zin in. Moeheid, een stram lijf, volle maag, kinderen die vlak daarvoor nog zaten te gillen aan de keukentafel: er is altijd wel een excuus. Maar het is ook moeilijk om hun enthousiasme te weerstaan. En ergens weet je, ook zonder aanstellerige Amerikaanse Instagram-video’s, dat het goed voor ze is: het contact, het spel, het in een veilige omgeving opzoeken van grenzen.
 
Na het zien van de video was er geen excuus meer. Elke avond neem ik als Papa Eindbaas plaats op het kleed, alwaar ik de non-stop aanvallen van de Pokémon, ninja’s, Mario en Luigi, of welk spel- of tekenfilmfiguur op dat moment dan ook in zwang is, probeer te weerstaan. Zij worden steeds groter en sterker, dus dat laatste steeds moeilijker. Het enige wat ik van ze vraag is tien minuten na mijn laatste hap om het eten te laten zakken. Die tijd gebruiken ze als warming-up.
 
Het komt nog weleens voor dat onze kinderen ’s nachts wakker worden. Zouden ze de nachten na stoeipartijen doorslapen? Ik ben er de afgelopen week extra op gaan letten. En verrek, de uitgestoeide sensory seekers hebben hun nachtelijke zoektochten gestaakt.

Heroes van de zeroes

In de sportschool staat altijd SLAM! op. Altijd. Dat je de naam van het radiostation met uitsluitend hoofdletters en een uitroepteken erachteraan schrijft vertelt je genoeg over het soort muziek dat de dj’s draaien. Als er al dj’s zijn, want je hoort nooit iemand praten. Dat spreekt dan weer voor de zender.
 
SLAM! heeft een themakanaal genaamd SLAM! 00’s, ‘met alleen maar de beste hits uit de zeroes!’
 
Voor de duidelijkheid: hiermee worden de eerste tien jaar van deze eeuw bedoeld.
 
Een man van een jaar of 20, die hier niet alleen sport, maar ook werkt, stelt tussen zijn oefeningen door hardop een vraag aan niemand in het bijzonder: ‘Wat is dit voor ouwe muziek? Was iedereen toen de hele tijd vrolijk ofzo?’
 
In zijn stem klinkt lichte irritatie. Alsof hij de vorige generatie – de millennials, ons, mij – iets verwijt, zoals wij de generaties voor ons van alles verwijten.
 
Terrorisme, oorlogen in Irak en Afghanistan, George W., de kredietcrisis: nee, ook de jaren ’00 waren voor de toenmalige adolescenten geen ontspannen rit, maar wat kan een twintiger van nu daarmee? Wegen de coronapandemie, oorlogen in Oekraïne en Gaza, woningcrisis en klimaatcrisis zwaarder op het gemoed dan wat hiervoor kwam? Of zaaien de woekerende social media niet alleen angst en verdeeldheid, maar versterken ze ook het onheilspellende gevoel dat de mensheid zich aan de rand van de afgrond bevindt?
 
‘Was iedereen toen de hele tijd vrolijk ofzo?’
 
‘Nee, jochie,’ wil ik antwoorden, ‘dat waren we niet, maar ik kan me voorstellen dat het door die lege liedjes voor jouw generatie zo lijkt.’
 
De muziek van zijn generatie is overigens niet veel beter, maar dat zullen mijn kinderen hem over 20 jaar wel vertellen.

Memory

Facebook toonde me een memory, een foto van precies tien jaar geleden van mijn zusje in het MoMA in New York. Ze staat naast een schilderij van Henri Matisse, ‘La leçon de piano’, waarvan onze moeder vroeger een poster boven de piano had hangen.
 
Op de foto is mijn zusje zwanger van haar eerste kind. Ik deelde de memory met haar, zodat we samen konden memoryen, en ze zei dat het voelde als veertig jaar geleden. In eerste instantie vond ik dat ze overdreef, maar toen ik eenmaal ging nadenken over wat er in die tien jaar allemaal is gebeurd leek veertig nog zuinig.
 
Mijn zusje heeft nu, tien jaar later dus, vier kinderen. Ik toen nul, nu twee. Er was een vliegramp, waarbij we een halfzus, een nichtje en een neefje verloren.
 
Ik ging samenwonen. Werd freelancer na mijn eerste serieuze baan. Kocht een huis en kwam in nog niet bezochte landen. Er was een pandemie, een oorlog die de verwarming duur maakte en een oorlog die mensen tot op het bot verdeelde en gaande is terwijl ik dit typ.
 
Tien jaar in een alinea. Het past, maar doet er geen recht aan. De tijd gaat snel, vinden we, vind ik, zeg ik vaak, zeggen anderen. Maar er gebeurt dan ook een hoop.

Natte handdoeken

In de droom, nee, nachtmerrie, was het oorlog. Daar is dus niet veel verbeeldingskracht voor nodig. Een goed deel ervan speelde zich af in de buurt van mijn ouderlijk huis. Ik was daar om te ontsnappen aan de stress en te checken hoe het met mijn ouders ging.

In het kader van het eerste wilde ik in bad gaan, maar dat lag vol met natte handdoeken. ‘O ja’, dacht ik geïrriteerd, tussen de voelbare dreiging van de gebeurtenissen in de straat door, ‘daar dumpen mijn ouders altijd hun handdoeken als ze gewassen moeten worden.’ Ik gooide de handdoeken een voor een in de douche, maar van in bad gaan kwam het niet, want het volgende moment lag ik in een vuurlinie, schuilend achter het wiel van een scheef geparkeerde SUV.

Het schieten stopte en ik stond op, ongedeerd. Een grote, kale man van een jaar of 55 naderde me. Het was duidelijk dat hij het voor het zeggen had. Hij was de commandant of generaal, hoewel hij geen militair uniform, maar een net pak droeg en eerder achter de schermen aan de touwtjes leek te trekken.

Alle omstanders keken naar onze ontmoeting. De man wilde weten ‘aan welke kant’ ik stond. Ik wist dat het de andere kant was dan die van de man, welke kant dat ook was. De kanten waren inwisselbaar, besefte ik, omdat mannen zoals hij, de mannen aan het roer, de manipulatieve machtswellustelingen achter de knoppen, inwisselbaar zijn. Zij zijn het waarom mensen lijden, aan welke kant je ook staat.

Maar nu ging het om mijn leven en dat van mijn vrienden en bondgenoten. Mijn familie. Ik wist met mijn praatjes de man te overtuigen van mijn loyaliteit aan zijn zaak. De man schudde mijn hand en dat maakte me onaantastbaar, zag ik in de ogen van de omstanders. Plotsklaps had ik macht over eenieder hier en dat maakte iets monsterlijks in me los. Ik paradeerde over het slagveld, zocht oogcontact en keek niet weg voordat de ander de blik in nederigheid had afgewend. Ik proefde de geilheid van die macht, de pure opwinding, en hoe het de ziel vergiftigt.

Ik moest mijn loyaliteit bewijzen in een luchtgevecht. In een hypermoderne, supersonische jet achtervolgde ik mijn vrienden die in een Ninjago vliegtuigje (Jay’s Bliksemstraaljager, Legoset# 71784) aan mijn aanval probeerden te ontsnappen. Ik hoopte dat ze me zouden kunnen afschudden, maar het was kansloos. Een van de onderdanen van de Commandant keek me op de vingers om te zien of ik het zou doen: of ik mijn vrienden, mijn bondgenoten – voor hen vijanden – zou omleggen. ‘Shoot!’ riep hij, en ik schoot, maar precies zo dat ik de mensen/Legopoppetjes niet raakte. De jet was nu een schip en ik schakelde het uit. Daarna vermoordde ik de onderdaan, zodat ik mijn vrienden uit het water kon redden en in veiligheid kon brengen.

Vervolgens moest ik in het bijzijn van de Commandant voortdurend op mijn tenen lopen, want ik mocht niet laten merken dat ik het was die zijn onderdaan had gedood. De Commandant vroeg me niet waar hij was, of waarom hij niet met me mee terug was gekeerd van de missie, maar de vragen stond in zijn priemende ogen, die me overal volgden. Behalve in het bad van mijn ouders dus, maar dat lag vol met natte handdoeken.

Ik schrok wakker. Mijn zoontje kwam de slaapkamer in en vroeg me wat er was. ‘Ik had een nachtmerrie,’ zei ik. De avond ervoor had ik hem nog uitgelegd dat grote mensen die ook kunnen hebben, net als hij. Deze informatie verbaasde hem. Het was enerzijds troostend, want het bleek niet aan zijn hoofd te liggen ‘dat alles eng maakt’, en anderzijds teleurstellend, want het houdt dus nooit op.

‘Waar ging het over?’ vroeg hij.

‘Over de oorlog.’

‘Vertel!’

‘Er was een enge man.’

‘Wat gebeurde er toen?’

‘Ik was bang. En daar moest ik mee omgaan.’

Schone anus

Misschien is dit een goed moment om een leuke anekdote over mijn eerste bezoek aan Israël te vertellen. Misschien ook niet, maar ik doe het toch. Een beetje lol staat gelijk aan licht, zeker in donkere, humorloze dagen.
 
De afgelopen twaalf jaar was ik bijna jaarlijks in Israël – pandemieën en oorlogen daargelaten – omdat mijn vriendin er geboren is en er familie heeft. Eerst gingen we met zijn tweeën, later met onze eerste zoon, en nog later met z’n vieren. Een paar dagen Tel Aviv, lekker eten, strand, tussendoor afspreken met neven en nichten met ook jonge kinderen, en bij oma, oom en tante langsgaan voor de kidoesj, de vrijdagavond ter inwijding van de sjabbat. Meer pannen en borden met eten zul je in je leven niet snel zien, laat staan op krijgen. De gastvrijheid is onbeperkt en de onvergetelijke zonsondergangen zijn niet aan te slepen.
 
Jaren voordat ik mijn vriendin ontmoette, was ik er voor het eerst. In Israël dus, al kende ik haar legendarische oma toen nog niet. Ik was lid van het Haags Matrozenkoor, tweede stem, en we maakten elk jaar een concertreis. Polen, (toen nog) Tsjechoslowakije, (toen nog) GOS, Italië, Hongarije en in 1995 Israël. Of deze lijst aan landen betekent dat ik goed kan zingen laat ik aan de engelen over.
 
Een vervaarlijke busrit langs niets dan onmetelijke afgrond (onze ouders hadden eens moeten weten) bracht ons tijdens die reis bij Massada, een citadel op een rots bij de Dode Zee, waar koning Herodes in 40 v. Chr. naar vluchtte, al boeit dat verder weinig voor dit verhaal. Het was er 45 graden. ‘Blijf drinken,’ vertelde de koorleiding ons, ‘ook als je geen dorst hebt.’
 
In de Dode Zee was het zoutgehalte zo hoog dat we zouden blijven drijven. Je kon de krant lezen in zee, hoorden we, maar het was wel oppassen voor water in de ogen. Water blijven drinken alsmede ervoor oppassen: waren dat geen conflicterende opdrachten?
 
We lazen geen kranten, maar drijven zouden we. Het zout prikte op gekke plekken op je lijf – vermoedelijk daar waar je het vuilst was. Als je een scheet liet prikte je anus. Daarom moesten we lachen. Natuurlijk waren er onruststokers die het nodig vonden met water te spetteren. Iemand spetterde terug. Een te snel uit lighouding naar staan teruggeworpen lichaam. Daaropvolgend water in de ogen, en daarmee zout.
 
Het brandde. Door het branden bewoog ik spastisch, waardoor nog meer water in mijn gezicht kwam en het gevoel annex de angst op zichtsverlies ondraaglijk werd.
 
Met half dichtgeknepen ogen probeerde ik een weg terug te vinden naar het strand. Daar stonden douches. Maar het was juli, het laagste punt op aarde en het zand daardoor 1000 graden. Om en nabij.
 
Met handen wrijvend in mijn ogen en onvrijwillig tapdansend en hinkelend van verbrandende voetzolen stuiterde ik over het strand, vermoedelijk ‘de zoveelste’ voor de mensen die daar dagelijks hun diepdonkeroodbruine tan kwamen bijwerken.
 
Ik vond de douches, spoelde mijn ogen uit, en bluste mijn voeten af. De zee ging ik niet meer in en nooit was mijn anus schoner.

Kutjepik met andijvie

‘Kutjepik met andijvie,’ antwoordde de automonteur toen ik hem vroeg hoe het met zijn gebroken sleutelbeen ging. Daarop volgde een relaas over hoe lastig het is om de koplamp van een Subaru te vervangen, zeker met een gebroken sleutelbeen, omdat de hele bumper eraf moet. En de bougies, man, breek me de bek niet open over de bougies. Door de ligging van de boxermotor van de Subaru kun je nauwelijks bij de bougies en dat maakt het een teringkarwei ze te vervangen, zeker met een gebroken sleutelbeen.
 
‘Maar ik had jou vorige week verwacht,’ zei de monteur.
‘Ik wilde je een extra weekje rust geven, vanwege je sleutelbeen.’
‘Ja, zo. Ik moet blijven werken hè. Anders komt er niks binnen.’
‘Eigenlijk zou je zes weken rust moeten nemen.’
‘Eigenlijk wel. Maar dat kan niet. Het is kutjepik met andijvie.’
 
Na deze uitwisseling moest ik naar de mondhygiënist, waar ik al drie, vier of misschien wel vijf jaar (corona hè) niet was geweest en die me daarom – vermoed ik – extra grondig onder handen nam. 45 minuten lang moest ook mijn gebit naar de garage – nog nooit hield ik zo lang mijn mond open – en kreeg ik verwijten over mijn poets- en stookgedrag. Vaker en beter poetsen en stoken, was de niet zo subtiele boodschap terwijl ik roestvrijstalen instrumenten langs mijn tanden hoorde schrapen. Ik kon niet anders dan ‘Uhu’ doen vanuit het diepste van mijn keel, terwijl het vrijkomende vocht van de werkzaamheden over mijn gezicht spoot.
 
Het hielp niet dat de hygiëniste een soort van ruzietje had met haar assistent, niemand elkaar begreep vanwege de mondkapjes (die dragen zij altijd) en de over en weer verwijten daardoor alleen maar groteskere vormen aannamen. ‘Hou je aandacht op het puntige gereedschap in mijn muil,’ wilde ik zeggen, maar dat kon niet.
 
De onenigheid ging over in een soort geginnegap en daar moest ik maar vrede mee hebben. Draaierig en met een paarse fluorbek van de contrastvloeistof vervolgde ik mijn weg, weer terug naar de garage, alwaar mijn auto na een opgewekt belletje gerepareerd alweer klaar bleek te staan. Of naja, op het parkeerterrein van de aangrenzende Lidl dan, want onze buurtgarage (grens Oostzaan) heeft niet zoveel plek, zeker niet voor onhandige Subaru’s.
 
Goed, ik terug, vanaf mijn huis lopend, want hoe komt die fiets anders weer thuis. De straat waaraan ik woon en waaraan ook de garage ligt heeft maar aan een zijde stoep en die is grotendeels ook nog erg smal. Daar liep ik, op die smalle stoep, in een hoger tempo dan de twee meisjes – jaar of 10, 11 – voor me, die ik niet kon inhalen. Ik liep zo een tijdje achter ze, niet té dichtbij, totdat een van de meisjes me op een krakend herfstblad hoorde stappen en omkeek. Ik was vanuit haar perspectief waarschijnlijk tamelijk groot en toch ook behoorlijk dichtbij. Ze fluisterde iets in het oor van haar vriendin, die keek ook om, en toen renden ze keihard weg.
 
Toen ze bij de Lidl afsloegen keken ze nog eens met bange hertenogen om, om te zien of ik ze niet volgde, wat ik niet deed, al liep ik nog steeds dezelfde kant op. Ik vroeg me af of ik iets intimiderends uitstraalde, of ik dat altijd doe, of dat ik gewoon oud en verwilderd op ze overkwam. Het paarse alieneske goedje in en rondom mijn smoel hielp vermoedelijk niet.
 
Goed, de auto was gemaakt – het was een hels karwei geweest, zeker met dat sleutelbeen – en ik mocht €500,- aftikken. Kutjepik met andijvie.

Visboer

Bij de visboer dringt een man voor die twee garnalenkroketten bestelt. Hij doet het tegelijk: voordringen en bestellen.
 
‘Mag ik twee garnalenkroketten, schat?’ zegt hij tegen de visboer die twee garnalenkroketten pakt en in de frituur doet.
 
‘Noem je Hans nou schat?’ vraagt de verkoopassistente, die blond en wulps en altijd heel vriendelijk is.
 
‘Mag dat soms niet?’ vraagt Hans, die zijn handen op de schouders van zijn assistente – ik weet haar naam niet – legt en de voorgedrongen klant lachend aankijkt.
 
‘Ben je homo geworden?’ vraagt Hans hem.
‘Homo? Ik ben allang homo geweest!’ roept de klant.
 
De visboer aka Hans lacht nog steeds en loopt terug naar de hoek waar hij haringen stond schoon te maken. De verkoopassistente lijkt niet alles te begrijpen en zegt iets Volendams tegen Hans. Die volendamt terug. Dat begrijp ik dan weer niet.
 
De klant schuifelt naar de hoek van de kraam waar Hans met zijn kenmerkende gebogen houding haringen onder handen neemt. Zo zag ik hem ook eens enorme hoeveelheden karton in te kleine en volle papierbakken stampen, gebogen dus. Daar heb ik een filmpje van, bedenk ik nu, omdat het een daad van agressie was, uitgevoerd door een agressieloze man. Alle agressie zat ín de daad. Dat kan dus, een handeling laden met een emotie die je op dat moment zelf niet voelt of uitstraalt.
 
‘Spreek je latijns? Dat zeggen ze weleens hè,’ vertelt de klant.
‘Wie?’ vraagt Hans.
‘Als je iemand homo noemt. Of je latijns spreekt.’
‘Wat?
‘Want homo is in het latijns broer.’
 
Hans reageert niet echt meer. Het is ook allemaal zo onduidelijk. Vis, Volendams, homo’s, latijnse broers. Je kroketten liggen erin, zal hij denken. Laat mij m’n haringen schoonmaken.
 
‘Wat kan ik voor u doen?’ vraagt de verkoopassistente me dan. Vriendelijk, zoals altijd.

Heimwee naar de tropenjaren

‘Is dit het einde van de tropenjaren?’ stuurde een vriendin van me gisteren toen ze haar jongste telg had uitgezwaaid voor haar eerste schooldag.
‘Dat zeggen ze,’ antwoordde ik, ‘maar ik betwijfel of wat ervoor in de plaats komt zoveel beter is.’
 
Een beetje pessimistisch was dat wel, maar niet helemaal ongemeend. Met mijn kleuter van 4 – net drie weken schoolgaand – zijn de aanvaringen momenteel het grootst, luidst en heftigst. Dat waren ze ook met zijn broer toen hij die leeftijd had. Het gedrag van de naar het kleuterschap migrerende peuter kenmerkt zich door een dwarse, opstandige houding, met lak aan elke vorm van regels, afspraken, structuur of gezag, zaken die allemaal in elkaars verlengde liggen. Het mannetje scheldt, schopt, slaat, gooit, duwt, krabt, schreeuwt, gilt en krijst om het minste geringste. Alles is een discussie, niets gaat vanzelf of na één keer vragen (dat blijft, overigens).
 
Daar ik ook maar een mens ben met allerlei beperkingen is mijn geduld en energie regelmatig op en schiet ik in boosheids-modus. Wanneer ik al mijn opvoedkundige en manipulatieve tools uit de kast heb getrokken en niets werkt, verhef ik mijn stem, verwijden mijn pupillen en maak ik met afgemeten handgebaren duidelijk wat ik wil. Nee, niet wat ik wíl, maar wat er moet gebeuren om niet te verzanden in anarchie.
 
Waar dat bij zijn oudere broer dan nog weleens werkte, of uiteindelijk effect had, is de jongste niet onder de indruk van mijn temperament. Ter optimaal dramatisch effect hurk ik weleens voor hem, op ooghoogte, slechts enkele centimeters van zijn gezicht, witheet, om hem duidelijk te maken dat er geen enkele andere weg is dan de mijne. Geen alternatief. Hij kijkt me dan vaak niet eens aan, blijft zijn Transformer transformeren, vraagt stoïcijns of ik hem wil helpen of zegt dat hij me ‘de hardste klap van ooit de wereld’ gaat geven als ik het niet doe. Hij weigert me aan te kijken, doet alsof hij me niet hoort, weet soms zelfs een minzame scheve grijns op zijn veel te schattige kuthoofdje te toveren en dan verlies ik.
 
Het vervolg is dat ik met mijn hand zijn gezicht aan z’n ronde, zachte kinnetje naar dat van mij draai, driemaal verbeten vraag of hij me heeft begrepen, waarop hij antwoordt met een ‘Jahaa, dat weet ik toch al’. Alsof ik de sukkel ben. En dat ben ik waarschijnlijk ook. Zo voelt het in ieder geval wel.
 
Schelden dus. De kinderen (in ieder geval die in Amsterdam-Noord) gebruiken tegenwoordig veel fuck, maar fonetisch en vaak taalkundig incorrect. In mijn vorige stuckje schreef ik al dat wij, de ouders van onze kinderen, vaak ‘fukjoe zijn’. ‘Jij bent fukjoe, mama’. Of: ‘Jij bent poep.’ Het k-woord is ook al voorbijgekomen, maar daarop hebben we direct hard en serieus ingegrepen. Dat moet indruk hebben gemaakt, want nu is iedereen een anker dit of anker dat.
 
De jongste kwam laatst naast me zitten, heel rustig en lief, en zei toen: ‘Fuk is de helft van fukjoe.’ Ik wist niet wat ik moest doen. Knikken, omdat het lettergreepkundig en qua hoeveelheid letters klopte? Of afwijzend reageren omdat hij weer schold? Ik deed niets. ‘Jij bent fukje, papa. Een fukje.’ Als verkleinwoord dus. Een er niet toe doende fuk. En toen ging hij weg. Ik keek een tijdje uit het raam naar buiten, maar daar lag ook geen antwoord. Alle ouders zullen hier wel mee worstelen, dacht ik. Toch?
 
Maar het recalcitrante gedrag zit hem in veel meer dan gescheld. Eergisterochtend ging hij om 6:45u in z’n eentje naar beneden. De kinderen mogen bij ons voor school geen tv kijken, maar toen we in de huiskamer kwamen zat hij in zijn pyjama rustig met de iPad op schoot naar Transformerinstructievideo’s te kijken.
 
Gisteren was hij al om 6:15u wakker. Zonder iets te zeggen glipte hij de trap af om een halfuur later weer boven te komen. ‘Heb je iets gekeken?’ vroeg zijn moeder. ‘Nee hoor, mama.’ Hij leek de waarheid te spreken, want de iPad en tv-afstandsbediening lagen nog op de hoogste plank in de keuken, waar hij nog niet bij kan. ‘Heeft hij dan gewoon een halfuur lief in zijn eentje zitten spelen?’ vroegen we ons af. ‘Wow, indrukwekkend.’
 
’s Middags waren hij en zijn broer thuis met een vriendje. Ze vroegen om snoep. Dat mocht, want ze hadden goed brood en fruit gegeten. Ze kozen allemaal twee (een grote, een kleine) of drie (drie kleine) snoepjes uit. Terwijl hij nonchalant op een colaflesje sabbelde liep de kleuter op me af.
 
‘Vanochtend heb ik ook al snoep gehad,’ zei hij met een sardonische lach.
‘O, van wie? Van mama?’ vroeg ik verward.
‘Nee, zelf. Eerst een energybar, toen een berensnoepje en toen de kleine balletjes in het potje.’
‘Huhwhahuh?’ wist ik alleen nog uit te stamelen.
‘Ik had de ladder gepakt en heb ze toen gepakt, heeeeeeelemaal bovenin.’
 
Het lukte me niet om boos te worden. Het was te grappig. Die gast had zich in alle vroegte, terwijl de rest van het gezin nog sliep, in de schemerige huiskamer een halfuur lang zitten volvreten met snoep en snacks. In z’n pyjama.
 
‘Heb je ook tv of iPad gekeken?’ vroeg ik in mijn zoektocht naar een laatste strohalm van gezag.
‘Nee, dat mocht niet.’
 
Tropenjaren? Nee. Dit is iets veel, veel ergers.