Stockholm, Zweden

In mijn vorige stuckje noemde ik Lokaal Spaanders. Ik zit daar nu weer, want in de uithoek van Amsterdam-Noord waar ik woon zit verder nog weinig. Met een open laptop en een frons lijkt het al snel of je werkt en dus is het de ideale mix om mensen ongemerkt af te kunnen luisteren. Dit doe ik heel vaak en ik ken andere schrijvers die dit ook doen dus 1. het ligt niet per se aan mij en 2. wees je bewust waar je over praat als je omringd denkt te zijn door ernstige, in continue onzekerheid over hun financiën levende ZZP’ers.

Tegenover me zitten twee meisjes, vermoedelijk vriendinnen. Het meisje (ik blijf ze meisjes noemen, vrouwen onder de 30) dat met haar rug naar me toe zit vertelt het andere meisje over Stockholm alsof ze er jaren heeft gewoond en pas een paar uur terug is in Nederland. Het is geen gesprek, daarvoor zijn tenminste twee mensen nodig die ieder dingen zeggen, maar een opsomming van alle dingen die bijzonder zijn aan Stockholm.

‘Stockholm bestaat dus uit superveel eilandjes. En je kan naar al die eilandjes toe met de ferry, dat is heel leuk.’
‘Er is heel veel groen’
‘Drank is superduur, dus iedereen doet het hele diner met één glas wijn.’
‘Eten is ongeveer even duur als hier.’
‘De mensen zijn op zich wel aardig, maar koel. Afstandelijk.’
‘Er zijn superveel tweelingen.’

Hier reageert het andere meisjes op met een gemeend ‘Echt?’.

‘Ik had het er met mijn vader over,’ vervolgt het meisje. ‘En die zei dat veel mensen waarschijnlijk ivf doen, want dan is de kans op een tweeling veel groter. We konden niks anders bedenken.’

Het andere meisje knikt.

‘M’n vader was wel oké trouwens. Niet zo angstig en gespannen als normaal. Ik laat ‘m meestal gewoon, met al z’n stress, maar nu was hij wel chill.’

‘O wat fijn,’ zegt haar vriendin.

‘Het was een heerlijk weekend, je moet echt een keer mee.’

Ze was dus maar een weekend weg, blijkt nu. Het andere meisje knikt en kijkt mistroostig naar buiten. Het is de aanzet voor miss Stockholm om te vragen hoe het met haar gaat.

‘Ja, wel oké hoor. Moet nog een beetje mijn draai vinden hier. Ken natuurlijk nog niet zoveel mensen. Er zijn echt veel leuke dingen te doen in Amsterdam. Ik moet ze alleen gaan doen. Ik vind het ook niet erg om alleen te gaan, maar het is soms lastig. Ik moet echt wat gaan doen.’

‘Het is wel even lekker hoor, zo’n vakantie,’ gaat haar vriendin verder. ‘Heb echt weer even ruimte in m’n hoofd.’

Haar vriendinnetje knikt, hoewel vakantie nu het laatste is waar ze op zit te wachten.

Zonneplein

Lokaal Spaanders is een charmant, ontspannen café-restaurant op het Zonneplein in Tuindorp. Op dat plein heb ik met mijn goede vrienden K en H in de lente van 2008 een epische zondagmiddag gehad tijdens de Gasten Zonder Grenzen Matinee. Voor wie niet weet wat Gasten zonder Grenzen is en wat voor soort middag dat dan wel niet geweest moet zijn is het jammer, want het is te veel om in de door mijzelf opgelegde beknopte lengte van deze zogenaamde ‘stuckjes’ uit te leggen. Laten we het erop houden dat er gedanst werd, vaak op obscure, afgelegen locaties, zoals het Zonnehuis, gelegen tegenover Lokaal Spaanders.

Elf jaar geleden dansten we de middag naar de nacht, nu zit ik hier regelmatig ’s ochtends, alleen of met mijn vriendin, met of zonder kind(eren). Ik verbaas me er dan over hoe een plek zo’n uiteenlopende energie en betekenis kan hebben. Elf jaar geleden moest ik een halfuur fietsen om hier te komen en had ik bij aankomst eigenlijk geen idee waar ik was. Amsterdam-Noord was een onbekend stadsdeel, een door mij grotendeels onontgonnen gebied waar ik me niet thuis voelde. Een te uitgestrekt stadsdeel bovendien, met vreemde wijken, armoedig en onbezield. Steeds als ik in Noord was (niet alleen voor feestjes, maar ook voor werk; ik nam intakes voor inburgeringscursussen af. Herinner me eraan dat ik hier ook nog een keer wat over schrijf) kon ik niet wachten om weer weg te gaan. Op de pont terug naar de bewoonde wereld, naar het leven van de stad.

Maar the times they are a-changin’. Elf jaar later ben ik hier weer, maar zijn de omstandigheden gedraaid. Om hier te komen hoef ik nu maar tien minuten te lopen. De Gasten zonder Grenzen hadden wel degelijk grenzen, want ze geven al een paar jaar geen feesten meer. Een matinee is weer gewoon een theatervoorstelling en op zondag wordt er nimmer gedanst, behalve door mijn zoontje in de woonkamer.

Het Zonneplein en -huis zijn een tijdmachine geworden. Het is dezelfde plek op twee momenten in mijn leven, dat veranderd is. Toen was ik een jongen van 25, nu een vader van twee zoons. Ik kijk naar het Zonnehuis en probeer me voor te stellen hoe ik daar stond te dansen en zweten met mijn vrienden, hoe we het theater bij het kraken van de nacht achter ons lieten, niet vermoedend dat we er ooit weer zouden terugkeren. Dat deden we ook niet. In ieder geval niet om een vergelijkbare reden.

Ik zit er nu tegenover op het terras met een koffie verkeerd en deel een eipannetje met mijn vriendin, terwijl ik met mijn rechterhand de kinderwagen wieg. Ik probeer de nostalgie te onderdrukken, maar dat lukt altijd slecht. Misschien is het geen nostalgie, maar weemoed. Het is niet dat ik terugverlang naar die tijd en dat moment, meer het besef dat alle dingen voorbijgaan en niet terugkeren. Tenminste, niet in dezelfde vorm.

Noord-fobie

Vrijdagavond. Vier mannen aan een tafel in George Bistro. Drie strak in pak, één casual. De wijn vloeit rijkelijk, het eten moet nog geserveerd. Het gaat over Amsterdam-Noord. Een van de mannen in pak, met zijn rug naar de zaak, voert het woord met een stem die klinkt alsof er een wasknijper op zijn keel zit.

‘Ik heb een Noord-fobie, doet me denken aan volkstuintjes. Het is daar net The Walking Dead. Heb je dat weleens gezien? Met die zombies? Daar doet Noord me aan denken: zombies.’

Het pak naast hem haakt in.

‘Ik was er een keer bij een festivalletje, dat was wel leuk. Bij zo’n werf. Toplocatie.’

‘Ik weet het niet. Ik wil er niet dood gevonden worden. Krijg er een naar gevoel van.’

Een meisje met borden eten in haar handen komt bij de mannen aan tafel staan. Er zit een burger bij, een kippetje, een salade en kreeft. Ze hebben allemaal iets anders besteld. Of er nog een flesje wijn bij kan? Ja, dat kan.

Ze beginnen te eten, zonder daar verder oordelen over uit te wisselen, en beginnen over politiek. Het pak van het festivalletje vindt dat iedereen hetzelfde zegt.

‘Ze zeggen allemaal hetzelfde. Echt waar. Ze herhalen elkaar gewoon.’

Het pak van de Noord-fobie gooit een vraag op tafel.

‘Ze zeggen inderdaad allemaal hetzelfde. Zou het je nou echt zo duur komen te staan als je iets anders zou zeggen? Is dat ooit gebeurd? Al die lui hebben een beperkte houdbaarheidsdatum.’

Niemand noemt Pim Fortuyn, die is kennelijk al vergeten. Ze vinden Rutte slap, Pechtold een naar mannetje en over Samsom hoeven ze het niet eens te hebben. De derde man in pak en Casual hebben alleen nog maar geknikt of instemmend gebromd. Het ziet er ook niet naar uit dat ze iets gaan zeggen. Ze eten respectievelijk kip en een hamburger. Het sap loopt uit het vlees, op Casuals bord. Het pak van de salade, die van het festivalletje, kijkt geen moment afgunstig naar zijn overbuurman. Zijn wilskracht is groot.

‘Ik vind Frank Underwood best wel een baas,’ zegt de Noord-fobie. Zijn metgezelen zeggen en knikken met volle mond volmondig ja. Ze eten allemaal iets anders en zijn het roerend met elkaar eens. Frank Underwood is een baas en ze eten wat ze willen. Met wie of waar dan ook. Behalve in Amsterdam-Noord misschien.