Stemming

– Heb je gestemd?
– *zucht*
– Heb ik iets verkeerds gezegd?
– Beloof je dat we geen discussie over politiek krijgen als ik je antwoord?
– Ja. Hoezo? Voer je zoveel discussies dan?
– Ja, maar dat staat hier los van. Vorige keer had ik namelijk niet gestemd en toen moest ik mezelf tegenover collega’s een half uur verdedigen. Daar heb ik geen zin meer in.
– Oké, nou ik beloof dat ik niet met je in discussie zal gaan hoor.
– Oké.
– Dus wat heb je gestemd?
– Partij voor de Dieren.
– WAT? NEE! ECHT? HOEZO IN GODSNAAM?
– Daar gaan we…
– Ja nee maar sorry hoor, wie stemt er nou op de Partij voor de Dieren?
– Mijn moeder.
– Precies, moeders. Jij toch niet? Welke standpunten spreken je dan aan?
– Dit is dus precies waarvan je me net beloofde dat het niet zou gebeuren.
– Wat dan?
– Een discussie.
– JA MAAR HALLO!
– Oké oké… Ik wilde eerst helemaal niet stemmen. Voelde toen mijn democratische geweten knagen, deed een stemwijzer en voilá, PvdD.
– Knagen, grappig. Net als een knaagDIER zeker.
– Precies zo.
– Maar effe serieus. Waarom dieren? Wat heb je nou aan dieren? Wat gaan dieren in godsnaam doen om de wereld te redden?
– Niets. Dat is juist het punt. Wij moeten hen redden. En de bomen waarin ze leven. En de zeeën.
– Maar je weet dat je net zo goed niet had kunnen stemmen hè? Ze komen toch nooit aan de macht.
– Dat zegt mijn vader ook altijd. ‘Stem op een partij waarvan je weet dat die gaat regeren, anders gooi je je stem weg.’ Gaat dat niet tegen het hele idee van democratie in?
– Democratie, democratie. Stemmen op dieren heeft ook niets met democratie te maken. Demos is volk in het Grieks, wist je dat? En daar bedoelen ze geen otterpopulaties mee.
– Vóór dieren.
– Op dieren, voor dieren, labrador, labradeur.

– Ik hoef me naar jou niet te verantwoorden, maar ga het toch doen, ook al krijg ik er straks spijt van. Naarmate ik ouder word, merk ik dat ik steeds minder met mensen heb. Sterker nog: ik heb steeds meer tégen ze. Daartegenover staat dat ik ook niet echt veel met dieren heb, maar nog minder tegen ze. Hetzelfde geldt voor kinderen. Zij kunnen er allemaal niks aan doen. Als er een Partij voor de Kinderen was, zou ik daar op stemmen, hoewel dat pedotechnisch weer niet zo handig is.
– Wow. Oké, een partij voor kinderen. Naja, dat zijn in ieder geval nog mensen. Ben benieuwd waar die kinderen dan weer op zouden stemmen.
– De Partij voor de Dieren.
– Haha grappig.
– Nee echt, was laatst op het Jeugdjournaal. Op 21 basisscholen konden kinderen stemmen. De Partij voor de Dieren kreeg de meeste stemmen, gevolgd door de PvdA en D66. Niet geheel ontoevallig de andere twee partijen waar ik weleens op stem.
– Kijk jij naar het Jeugdjournaal?
– Nee, maar dit heb ik vanmiddag opgezocht voor het geval ik deze discussie toch zou moeten voeren.

– Maar het komt er dus op neer dat je het staatkundig bewustzijn hebt van een tienjarige?
– Kennelijk. En jij voert met die tienjarige een politieke discussie. Laten we het houden op een hang naar onschuld.
– De wereld is niet onschuldig.
– De wereld wel. Wij niet.
– Wat. Ever.

(…)

– Wat heb jij eigenlijk gestemd?
– Niet.
– Dan heb je niet echt recht van spreken hè?
– Je kunt beter niet stemmen dan op dieren.
– En waarom heb je dan niet gestemd?
– Toen jij vorige keer zei dat je niet had gestemd, omdat het toch allemaal geen fuck uitmaakt en je simpelweg op niemand wílde stemmen, vond ik dat wel cool klinken.
– Dus je hebt door mij niet gestemd?
– Ja, eigenlijk wel. Daarom is dit ook zo’n teleurstelling.
– Of baal je er stiekem van dat je niet ook voor de Partij voor de Dieren hebt gestemd?
– Nee, ik vind dieren stom.
– Oké.

(…)

– Gisteren nog voetbal gekeken?
– Ja man, teee-riiiing hé, die Messi hé!
– Ongelooflijk goed hè?
– Ja man…

Geen mening

‘Ik moet echt weer wat schrijven,’ dacht ik toen ik wakker werd. Goed, dan gaan we er voor zitten. Waarover zal ik schrijven? Heb ik nog ergens een mening over? Vast wel. Maar maakt die mening ook iets uit? Geen idee. Is die mening het waard om op te schrijven en de wereld in te gooien? Dat weet ik al helemaal niet.

Er zijn best veel dingen waar ik een mening over heb. Zo vind ik het heel erg stom dat de straat waaraan ik woon vier dagen lang afgezet is geweest omdat er een film werd geschoten. Ik vind het stom dat de filmproductiemaatschappij ons middels een briefje had laten weten dat ze hier gingen filmen en dat ze ALLE (letterlijk ‘alle’) parkeerplekken in beslag zouden nemen met hun obese busjes. Ze boden ons wel de mogelijkheid aan om in een nabije (geen idee welke) parkeergarage te parkeren op hun kosten, maar dat voelde als een hoop gedoe.

Wat ik echt ronduit asociaal vind, is dat ze nalieten om ons te vertellen dat de opnames in het huis van onze onderbuurvrouw (oftewel, onder onze vloer) zouden plaatsvinden. Dit betekende dat er 24 uur per dag een stadionlicht op ons raam gericht stond (eigenlijk haar raam, maar die lichten nemen nogal wat gevel mee in hun lichtstream) en het voortdurend klonk alsof er beneden werd ingebroken.

Mijn mening over dit alles was niet heel erg genuanceerd of nauwkeurig beargumenteerd. Ik vond het gewoon stom, vervelend en irritant. Misschien zijn dat meer emoties dan een mening. Maakt me niet uit, het is iets wat ik op kan schrijven.

Ik zou ook kunnen schrijven over Zwarte Piet, maar dat doe ik niet. Nee, soms moet je weten wanneer je je afzijdig moet houden. Dit is zo’n moment. Deze discussie is er een die ik met alle liefde omzeil. Er valt namelijk geen enkele eer aan te behalen. De verdeelde kampen staan loodrecht tegenover elkaar. Wat ik fascinerend vind, is niet eens zozeer het onderwerp van debat, maar wat het losmaakt bij mensen, de felheid van de reacties.

Shit! Zie je? Doe ik het toch. Geef ik toch mijn mening. Waarom doe ik dat nou! Dat gaat al snel hoor, je mening geven. Is zo gebeurd. Is ook het risico van zomaar een beetje schrijven. Voordat je het weet vind je iets van iets en heb je de poppen aan het dansen (figuurlijke poppen).

Nee, ik heb geen mening over Zwarte Piet. Ja, mijn familie en ik hebben de traditie in stand gehouden, maar toen was ik nog een kind en had ik al helemaal geen mening. Al HELEMAAL niet rond Sinterklaas, wanneer al mijn gedachtes geconsumeerd werden door de woorden ‘Lego’ ‘Nintendo’ en ‘Arnold’. Er was een Sint en er waren Pieten, sois. Ik vond de Pieten eigenlijk een beetje eng en viezig. Ik was altijd bang dat ze te dichtbij kwamen en ik schmink op me zou krijgen. Dat spul kon je ook ruiken, net als de kleren. Die pakken hingen natuurlijk een heel jaar ergens in een kast en ik betwijfelde of die ooit gewassen werden. Men redeneert dan immers ook van ‘ja ik draag dat ding een keer per jaar, dus hoe vies kan het zijn?’ Naja, behoorlijk vies dus, zeker met al die schmink.

Maar nee, zo’n muffe schmink- en verkleedlucht, vond ik niks aan. Ik wilde gewoon mijn cadeautjes. Dat deze geleverd werden door een ouwe Pausachtige ruiter en donkere, muffe omgekeerde clownachtige figuren was een noodzakelijk kwaad. Over clowns gesproken, waarom zijn die zo wit? Moeten die dan niet ehh… Ook zeg maar… Wacht! Nee! Ho! Stop! Hahaaaahhh, nee hoor. Laat maar. Ik heb niks gezegd. Voordat je het weet heb ik weer een mening en dan zijn de rapen gaar (figuurlijke rapen).

Goed, ik zal het maar gewoon zeggen, want kennelijk kom ik er niet onder uit. Wel wil ik vooropstellen dat dit GEEN mening betreft, dit is gewoon iets wat ik aannam/dacht, logisch redenerend vanuit de haast mythische bezorgmethode van de cadeautjes. Ik dacht dus altijd, zeker toen ik jong was, en later niet meer (omdat ik niks meer met Pieten te maken had), dat die kerels, omdat ze dus via de schoorsteen je huis inkomen, dat ze dan zeg maar van dat spul wat in de schoorsteen zit – hoe heet het ook alweer, dat zwarte spul dat achterblijft als je fikkie hebt gestoken -, dat dat spul zeg maar, dat zwarte, roetachtige spul, dat dat zeg maar verantwoordelijk was voor eh, tja, hoe zal ik het zeggen, voor hun kleur. Dat dacht ik zeg maar. Toen ik nog een klein, Haags racistje was.

SHIT! Wat doe ik nu? Impliceer ik nu, door mezelf met terugwerkende kracht als racist te bestempelen, dat ik de hele discussie aanstellerige onzin vind? En pleit ik daarmee indirect vóór Zwarte Piet en dus vóór racisme? Want kennelijk staan die zaken tegenwoordig één-op-één. Ik weet het niet meer. Ik weet echt niet meer wat ik moet denken of vinden. En ik was nog wel zo blij dat ik geen mening had. Maar ik moest zo nodig iets schrijven en kijk wat er gebeurt: een mening, verhuld of niet.

Ik had me bij de overlast in de straat moeten houden, is genoeg over te schrijven. Zo moest ik gistermiddag, om 13:00 uur verdomme, drie rondjes rijden om een parkeerplek te kunnen vinden omdat de hele straat (al jaren overigens) vol stond met klusbusjes. Er wordt hier altijd geklust. Er is hier altijd wat te renoveren of verbouwen. Soms denk ik dat mijn straat deel uit maakt van een experimenteel werkverschaffingsproject. Soms denk ik dat. Dat is geen mening, maar een gedachte. Belangrijk verschil.

Over Zwarte Piet heb ik geen mening. Slechts gedachtes. De voornaamste is: ‘Het maakt me allemaal geen reet uit.’

Jojo

Op zondag doe ik meestal niet zoveel. Soms, wanneer ik mezelf een kater heb bespaard, ga ik sporten, maar meestal niet. Meestal slaap ik uit, bevind ik me grote gedeelten van de dag op de bank (het is zo’n fijne bank) en denk ik na over bestelbaar eten en bekijkbare films. Zondag is een dag van rust en die zoek ik meestal in het doen van zo weinig mogelijk tot niets.

Toch voel ik op zo’n dag ook de behoefte om naar buiten te gaan, al is het maar voor even. Mezelf even laten opfrissen door de buitenlucht, voor zover die in de stad fris te noemen is. Voor mensen die de stad hebben ingeruild voor een plek in de natuur is die lucht namelijk verre van fris. Ziekmakend zelfs. De kwaliteit van het water, uitlaatgassen en de drukte zien zij als factoren die de gezondheid schaden. Ook het werken in de stad, wat zich voornamelijk afspeelt achter een computer, is ‘slecht’ voor je. Hoewel de langetermijneffecten daarvan nu nog niet te overzien zijn, is er een goeie kans dat we over twintig jaar collectief worden uitgelachen met onze blokoogjes en muisarmen.

Om ook binnen de vervuilde hectiek van de stad in contact met de zuivere natuur te kunnen komen, liep ik tijdens A MAZE | IN HET PARK met een groepje het Florapark in. Een natuurcoach instrueerde ons, na een kort meditatief moment, instinctief een plekje op te zoeken en eventuele vragen die bij ons opkwamen te beantwoorden. Correctie: te ‘onderzoeken’. In coaching en therapie zoek je niet naar oplossingen, maar naar inzichten in de werking van een proces. Om ons daarbij op weg te helpen had hij er ook vast een paar op een blaadje gezet.

Mijn gevoel vertelde me dat ik me om moest draaien. Ik klom over een hek en volgde een pad. Dat bleef ik doen, totdat ik bij een boom kwam. Daar dacht ik te willen zijn, maar mijn instinct leidde me verder, de bosjes in. ‘Ga ik dit echt doen?’ dacht ik heel even. Bij wijze van antwoord stapte ik de begroeiing in. Na twee passen zag ik een condoom liggen. Toen ik mijn blik weer naar voren richtte, liep ik vol in een spinnenweb. Terwijl ik de slierten uit mijn gezicht en van mijn jas veegde, bemerkte ik dat de grond volledig begroeid was met een soort klimop (maar dan niet opklimmend). Tussen de klimop lagen eikels (of iets wat er op leek) en een blikje bier. ‘Hier ben ik dan,’ dacht ik, ‘op het scheidsvlak van stad en natuur.’

Door de begroeiing zag ik aan de ene kant het park in al zijn groenheid en sereniteit, terwijl aan de andere kant, slechts een paar meter van me vandaan, fietsers zich over de bebouwde dijk richting de pont trapten. Zonder het te beseffen, had ik mezelf naar de balans tussen stad en natuur gebracht. De twee zaken liepen op deze plek in elkaar over. Het werd me plotseling duidelijk dat er eigenlijk geen scheiding is. De stad komt voort uit de natuur. Wij hebben haar gebouwd met middelen uit de aarde. Wij komen zelf voort uit die aarde, hoewel we door alle kabels en schermen en modegrillen het gevoel hebben gekregen van niet. Ondanks onze pogingen ‘boven’ de natuur te staan door deze te willen begrijpen en beheersen zijn we niet meer dan uit de hand gelopen apen in een zelfgebouwde kooi van industrie en technologie.

Hoewel… Die industrie en technologie geven ons natuurlijk ook veel vrijheid. En daarin ligt dan ook een paradox. Enerzijds associëren we natuur met vrijheid en puurheid, anderzijds is het ook eenzaam en beperkt. In de dynamiek van de stad trommel je binnen no time een groep geestverwanten op om iets moois te maken, maar zit je voortdurend verstrikt in een web van muren en wegen. Natuur is leven, stad geleefd worden. In de stad hebben we een gevoel van controle, het idee dat ons leven maakbaar is en in de natuur laat je je instinctief leiden door de beweging van de aarde om de zon. Veel eigenschappen van de stad en de natuur staan haaks op elkaar, de respectievelijke (en relatieve) voor- en nadelen ook.

Het moge duidelijk zijn dat er van alles door me heen ging, daar in die bosjes. Het blaadje vroeg me of ik iets uit de reis naar deze plek herkende uit het dagelijks leven. Ja, ik bewandel vaak het geijkte pad, hou van de vertrouwdheid van het oude, maar ik voel ook regelmatig behoefte de spanning van het nieuwe op te zoeken. Soms zit ik te veel vast in het oude en weet ik niet goed los te breken, maar op andere momenten sla ik door in het nieuwe en weet ik geen maat te houden. De verkenning verandert dan in een vlucht waarin ik mezelf niet zelden verlies. De dynamiek van de stad werkt dan als een verslaving die me langzaam opbrandt en doet verlangen naar de reinheid van de natuur. Maar zoals het een verslaving betaamt, kan ik niet te lang zonder en moet ik terug voor een shotje metropool. Met iedere stadse inhalering groeit het verlangen naar een aardse detox en zo jojo ik mezelf door het bestaan.

Deze plek symboliseerde voor mij die neigingen. Zo vond ik in de stad een stukje natuur waar ik wat over mezelf leerde, iets wat op mijn supercomfortabele bank meestal niet gebeurt.